De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht
Einde inhoudsopgave
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/3.4.3:3.4.3 Titulair financieel directeur
De quasi-bestuurder in het rechtspersonenrecht (VDHI nr. 174) 2022/3.4.3
3.4.3 Titulair financieel directeur
Documentgegevens:
mr. K. Frielink, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. K. Frielink
- JCDI
JCDI:ADS631756:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Rb Almelo 8 februari 2012, ECLI:NL:RBALM:2012:BV3132 (Weyl Beef Products).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In de zaak die heeft geleid tot een vonnis van de Rechtbank Almelo1 was de gedaagde als financieel (niet-statutair) directeur in loondienst bij de later failliet verklaarde vennootschap Weyl Beef Products. De curator stelde zich op het standpunt dat de werknemer als feitelijke beleidsbepaler zijn taak kennelijk onbehoorlijk, althans onbehoorlijk op grond van de artikelen 2:248 lid 7 juncto leden 1 en 2 juncto 2:10 BW heeft vervuld, en deze onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. De curator voerde aan dat de financieel directeur er voor heeft gezorgd dat de administratie niet werd gevoerd als bedoeld in art. 2:10 BW en dat hij daarvoor aansprakelijk is op grond van art. 2:248 lid 7 BW, inhoudende dat voor de toepassing van dit artikel met een bestuurder wordt gelijkgesteld degene die het beleid van de vennootschap heeft bepaald of mede heeft bepaald, als ware hij bestuurder. De andere gronden die de curator aanvoerde (art. 6:162 BW en het als werknemer tekort geschoten zijn in de uitoefening van zijn taken waarvan hem een ernstig verwijt is te maken in de zin van art. 7:661 BW) blijven hier onbesproken.
De rechtbank onderschrijft de stelling van de curator, dat de financieel directeur in de zin van art. 2:248 lid 7 juncto 2:10 BW het beleid van de vennootschap mede heeft bepaald als ware hij bestuurder. De curator heeft terecht geconstateerd dat de financieel directeur een positie bij de vennootschap had, waarin hij kennelijk samen met de formele bestuurder het beleid van de vennootschap (en de daaraan gelieerde vennootschappen) bepaalde in de zin van art. 2:248 lid 7 BW en dat hij in de loop van 2008 en 2009 meer dan € 280.000,- per jaar verdiende, hetgeen volgens de rechtbank wijst op een niveau van verantwoordelijkheid, dat vergelijkbaar is met dat van een formele bestuurder van een onderneming als de onderhavige. De financieel directeur nam ook deel aan het directieoverleg en zijn verantwoordelijkheid daarin was kennelijk, aldus de rechtbank, veel breder dan slechts de uitvoering (als werknemer) van het door het bestuur vastgestelde beleid. Blijkens aangetroffen documenten (zoals actielijsten, agenda’s en verslagen van vergaderingen) hield hij zich niet alleen bezig met de financiële administratie, maar ook met personeelszaken, contacten met de advocaat, de accountant en de FNV, en nam hij in directievergaderingen deel aan overleg over (onder meer) kwaliteit, productie en verkoop, nieuwbouw en investeringen. Uit deze (gedocumenteerde) feiten blijkt volgens de rechtbank duidelijk genoeg, dat de feitelijke betrokkenheid van de financieel directeur bij de gang van zaken in de vennootschap zo intensief was, dat hij feitelijk samen met de formele bestuurder de vennootschap (en daaraan gelieerde vennootschappen) aanstuurde zodat hij, hoewel geen bestuurder in formele zin, optrad als feitelijke beleidsbepaler. De rechtbank overweegt dat, anders dan in het verweer aangevoerd, voor de toepasselijkheid van art. 2:248 lid 7 BW niet is vereist, dat de financieel directeur de formele bestuurder als bestuurder verving of terzijde stelde.