Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.9.3.1
7.3.9.3.1 Betekenis van de vrije waardering
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940798:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie zijn Conclusies genomen bij HR 14 november 2003, BNB 2004/47 en HR 14 november 2003, BNB 2004/48.
HR 14 november 2003, BNB 2004/48, r.o. 3.3.
Meyjes/Van Soest, Van de Berge & Van Gelderen 1997, p. 143.
Vgl. HR 14 november 2003, BNB 2004/47 en HR 14 november 2003, BNB 2004/48.
HR 13 september 1989, BNB 1989/318, r.o. 4, HR 22 oktober 2010, V-N 2010/54.18, BNB 2011/22, r.o. 3.5.2. Hetzelfde geldt voor verklaringen van werknemers, Hof ’s-Hertogenbosch 17 oktober 2013, V-N 2014/27.19.
HR 23 februari 1955, BNB 1955/131. Vgl. ook HR 14 november 2003, BNB 2004/47, HR 15 december 2006, V-N 2006/65.5, BNB 2007/112, NTFR 2006/1781, Hof Amsterdam 30 juni 2015, V-N 2015/52.8, Hof Den Haag 29 juli 2015, V-N 2015/52.7 en Hof Arnhem-Leeuwarden 15 december 2015, V-N 2016/15.10: een geloofwaardige bevestiging, een dito ontkenning of een consciëntieuze wijze van verslaglegging kan voldoende zijn.
Conclusie A-G Niessen 19 december 2014, V-N 2015/8.4, par. 6.7. Het cassatiemiddel dat hierop zag, verwierp de Hoge Raad onder verwijzing naar art. 81 Wet RO (HR 29 mei 2015, V-N 2015/28.7, BNB 2016/23, NTFR 2015/1807, FED 2015/53). Zie ook paragraaf 7.3.5.5. Vgl. ook Hof Amsterdam 9 juni 2016, V-N 2016/47.9, r.o. 4.3.3.7.
HR 8 januari 1997, BNB 1997/69 (zie ook het slot van de noot van Van Leijenhorst). Vgl. ook Hof Amsterdam 8 maart 2022, V-N 2022/23.19, r.o. 5.3.4, Hof Arnhem 3 mei 2011, V-N 2011/36.23.9 en Hof ’s-Hertogenbosch27 mei 2011, V-N 2011/44.6.
Zie over door de wet aangewezen bewijsmiddelen paragraaf 7.3.9.3.2 hierna.
Zie Van Galen & Van Maarseveen 1978, p. 48.
HR 27 april 2012, V-N 2012/23.11, HR 19 april 2013, BNB 2013/156, HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.6.2, HR 14 april 2017, V-N 2017/24.8, BNB 2017/223, r.o. 2.2.
HR 8 augustus 2014, V-N 2014/42.6, BNB 2014/225. Het klakkeloos overnemen van een strafrechtelijke veroordeling is dus niet toegestaan. Als de belastingrechter met zijn eigen oordeel afwijkt van het oordeel van de strafrechter, moet hij echter goed in het oog houden dat hij, door twijfel op te roepen over een eerdere strafrechtelijke vrijspraak of over een (technisch) sepot, in strijd kan komen met de onschuldpresumptie (zie HR 2 juni 2017, V-N 2017/28.3, BNB 2017/181 en HR 14 april 2017, V-N 2017/24.8, BNB 2017/223, waaromtrent nader in paragraaf 14.3.1).
HR 19 juni 1996, BNB 1996/286.
Het voorstel van A-G Wattel om de strafrechter op dit punt voortaan te volgen, heeft de Hoge Raad nadrukkelijk afgewezen, zie Conclusie A-G 28 mei 2014, V-N 2014/34.3 en het daaropvolgende arrest HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173 (m.n. r.o. 2.6.3), nader besproken in paragraaf 7.3.6.2.2.
HR 20 maart 2015, V-N 2015/16.6, BNB 2015/173, r.o. 2.6.3.
Vgl. ook HR 21 april 2023, V-N 2023/19.14, r.o. 4.2: de Nederlandse belastingrechter hoeft zijn beslissing niet aan te houden in afwachting van een beslissing door een andere (buitenlandse) rechter over dezelfde vraag.
Aldus ook Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij HR 29 april 2016, V-N 2016/25.4.
Bijzondere omstandigheden kunnen echter meebrengen dat de belastingrechter zich conformeert aan een eerdere uitspraak van een andere rechter, zie Rb Gelderland 23 maart 2021, V-N 2021/34.15.
Ook met betrekking tot de waardering van de bewijsmiddelen geeft de Hoge Raad de feitenrechter alle ruimte. A-G Groeneveld heeft in 2003 gepoogd om toch een zeker toetsingskader in te voeren, zodat de Hoge Raad de begrijpelijkheid van de keuze en de waardering zou kunnen beoordelen.1 Hier wilde de Hoge Raad echter niets van weten.2 Met betrekking tot de waardering van de bewijsmiddelen die de rechter heeft toegepast geldt dan ook, net als voor de keuze, dat deze als zodanig niet in de uitspraak behoeft te worden toegelicht.3
De vrijheid van de rechter gaat dus ver. Zo kan het voorkomen dat twee naar hun aard vergelijkbare, maar inhoudelijk verschillende bewijsmiddelen beide geloofwaardig worden geacht. Het is in WOZ-zaken bijvoorbeeld mogelijk dat twee verschillende taxatierapporten elk een andere waarde verdedigen van precies hetzelfde object. De vrijheid in de waardering betekent dat beide rapporten enigszins geloofwaardig kunnen worden geacht, terwijl geen van beide als volledig juist wordt aangemerkt.4
De Hoge Raad heeft in dit verband overwogen dat het de rechter vrij staat om te oordelen dat de belastingplichtige overtuigend heeft aangetoond door aan de eigen verklaring van de belastingplichtige volledige bewijskracht toe te kennen.5 De vrijheid in de waardering kan zelfs zo ver gaan, dat tegenbewijs vervolgens niet meer mogelijk is.6 De rechter hoeft, ingeval hij doorslaggevende betekenis toekent aan een dergelijke partijverklaring, geen nadere gelegenheid tot bewijsvoering aan de andere partij te geven.7 Daarentegen is evenzeer denkbaar, dat een ambtsedig proces-verbaal van een ambtenaar in functie terzijde wordt geschoven door de rechter. In ieder geval heeft die geen intrinsiek verhoogde bewijskracht.8 De rode draad is dat er geen ‘gebonden’ bewijsmiddelen bestaan en ook geen ‘beslissende’ bewijsmiddelen.9 Het enige dat telt, is de geloofwaardigheid van het bewijs (en niet het feit dat het ‘slechts’ een eigen verklaring betreft of dat er wel of geen ander (steun)bewijs voorhanden is). Van een hiërarchie tussen de bewijsmiddelen is evenmin sprake.10
Zelfs het oordeel van een andere rechter is niet bindend: als de strafrechter over exact hetzelfde feitencomplex een uitspraak heeft gedaan, dan is de belastingrechter niet aan dat oordeel gebonden, ook niet als hem precies dezelfde bewijsmiddelen ter beschikking staan als de strafrechter.11 Sterker nog: hij moet zich ook dan zelfstandig een oordeel vormen, in het bijzonder wanneer de belastingplichtige de in de strafzaak gebruikte bewijsmiddelen ter discussie stelt.12 Uiteraard kan hij daarbij voor het bewijs wel putten uit de strafzaak (maar óf hij dat doet, is aan hem).13 De belastingrechter is zelfs niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter over de vraag of er sprake is van strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs.14 Wel moet de belastingrechter, wanneer hij afwijkt van het oordeel van de strafrechter, die afwijking motiveren.15 Mutatis mutandis geldt het voorgaande naar mijn mening evenzeer voor andere rechterlijke beslissingen,16 zoals vonnissen van de civiele rechter17 en uitspraken van de algemene bestuursrechter.18