Einde inhoudsopgave
Wijziging van beperkte rechten (O&R nr. 123) 2021/3.4.2.1
3.4.2.1 Inleiding
mr. K. Everaars, datum 01-12-2020
- Datum
01-12-2020
- Auteur
mr. K. Everaars
- JCDI
JCDI:ADS254175:1
- Vakgebied(en)
Vermogensrecht / Rechtshandelingen
Goederenrecht / Eigendom, bezit en houderschap
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Goederenrecht / Genotsrechten
Goederenrecht / Verkrijging en verlies
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Parl. Gesch. BW Boek 5 1981, p. 264 (TM).
Van Schaick, NTBR 1999, afl. 10, p. 348; Gräler, Mandeligheid en erfdienstbaarheden (Mon. BW nr. B27) 2014/39.3; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht 2017/644 en Pitlo/Reehuis & Heisterkamp, Goederenrecht 2019/625.
Zie par. 3.4.2.8 voor het antwoord op de vraag of een erfdienstbaarheid ook kan worden verlegd naar een andere dan bij de vestiging aangewezen onroerende zaak.
Zie ter illustratie Hof Amsterdam 27 mei 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BG0980, r.o. 4.23.
Via §1090 lid 2 BGB is het verleggingsrecht van §1023 BGB ook van toepassing op een beschränkte persönliche Dienstbarkeit. Dit is een persoonlijke dienstbaarheid en vergelijkbaar met de Nederlandse kwalitatieve verplichting van art. 6:252 BW.
Zie in §1023 BGB de voorwaarden van een ‘ebenso geeignete Stelle’ en een uitoefening die ‘besonders beschwerlich’ is.
BGH 25 februari 1959, BeckRS 1959, 31204909, r.o. A.II.3. Zie ook BGH 6 februari 1981, BeckRS 1981, 31073918, r.o. A.2.a; BGH 12 december 2014, NJW 2015, 1750, r.o. 19 en OLG Karlsruhe 2 mei 2014, BeckRS 2014, 9287. Zie ook Stürner, in: Soergel Kommentar BGB, §1023 BGB 2001, aant. 1; Baur/Baur & Stürner, Sachenrecht 2009, §33, aant. 26; Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann, Sachenrecht 2011, §121, aant. 21; Brehm & Berger 2014, §21, aant. 25; Lühmann, NJW 2016, 2454 , par. III.2; Müller/Gruber, Sachenrecht 2016, aant. 3139; Neumann, ZfIR 2018, 86, par. 2.2; Vieweg & Werner 2018, §16, aant. 22; Staudinger, in: Handkommentar BGB, §1023 2019, aant. 1; Mohr, in: Münchener Kommentar BGB, §1023 2020, aant. 1 en Wolf/Wellenhofer, Sachenrecht 2020, §29, aant. 17.
In de literatuur wordt soms verwezen naar §242 BGB, dat bepaalt dat “[d]er Schuldner (…) verpflichtet [ist], die Leistung so zu bewirken, wie Treu und Glauben mit Rücksicht auf die Verkehrssitte es erfordern.” Zie BGH 25 februari 1959, BeckRS 1959, 31204909, r.o. A.II.3 en OLG Koblenz 2 juli 2013, NJW-RR 2014, 401. Zie ook Westermann/Westermann, Gursky & Eickmann, Sachenrecht 2011, §121, aant. 21; Weber, in: Staudingers Kommentar BGB, §1023 2017, aant. 1; Mohr, in: Münchener Kommentar BGB, §1023 2020, aant. 1 en Reischl, in: BeckOK BGB, §1023 2020, aant. 1 en 9. Het beginsel van Treu und Glauben is vergelijkbaar met ons beginsel van redelijkheid en billijkheid.
Zie ook Reischl, in: BeckOK BGB, §1023 2020, aant. 6.
366. De eigenaar van het dienende erf kan op grond van art. 5:73 lid 2 BW voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid een ander gedeelte van het erf aanwijzen dan waarop de erfdienstbaarheid ingevolge art. 5:73 lid 1 BW dient te worden uitgeoefend, mits de verplaatsing zonder vermindering van genot voor de eigenaar van het heersende erf mogelijk is. Kosten, noodzakelijk voor de verandering, komen ten laste van de eigenaar van het dienende erf. Dit recht wordt in de parlementaire geschiedenis aangeduid als het ‘verleggingsrecht’.1 De aanwijzing van een ander gedeelte van het erf wordt in de literatuur gekwalificeerd als een eenzijdige rechtshandeling.2 Als gevolg van een (geoorloofde) verlegging wijzigt de inhoud van de erfdienstbaarheid. Er vindt een verandering plaats in de wijze van uitoefening van de erfdienstbaarheid, terwijl het object van de erfdienstbaarheid hetzelfde blijft.3 Het verleggingsrecht is vooral van belang voor de categorie erfdienstbaarheden waarbij de eigenaar van het heersende erf iets mag doen op het dienende erf dat zonder de erfdienstbaarheid niet geoorloofd is, zoals een erfdienstbaarheid van voetpad of weg.4 Het is niet goed denkbaar dat de eigenaar van het dienende erf de plaats van uitoefening van de erfdienstbaarheid mag veranderen als de erfdienstbaarheid bijvoorbeeld inhoudt dat de eigenaar van het heersende erf (op een bepaalde plek) vensters mag hebben binnen twee meter van de grenslijn (vgl. art. 5:50 BW). Met name zal het verleggingsrecht dus een rol spelen bij erfdienstbaarheden van voetpad en weg etc., maar het recht kan bijvoorbeeld ook van belang zijn bij een erfdienstbaarheid tot het hebben van kabels en leidingen.5
367. Het Duitse recht kent in §1023 BGB een verleggingsrecht toe aan de eigenaar van het dienende erf.6 De eigenaar van het dienende erf kan voor de uitoefening van de erfdienstbaarheid een voor de eigenaar van het heersende erf ‘even geschikt gedeelte’ van het dienende erf aanwijzen als de uitoefening voor de eigenaar van het dienende erf ‘bijzonder bezwaarlijk’ is.7 De kosten van de verplaatsing komen voor rekening van de eigenaar van het dienende erf. §1023 BGB wordt gezien als een concretisering van het beginsel dat is neergelegd in §1020 eerste volzin BGB.8 Op grond van §1020 eerste volzin BGB moet de eigenaar van het heersende erf bij de uitoefening van zijn erfdienstbaarheid (de eigenaar van) het dienende erf zoveel mogelijk ontzien. Deze bepaling is vergelijkbaar met art. 5:74 BW, waarin is bepaald dat de uitoefening van de erfdienstbaarheid moet geschieden op de voor het dienende erf minst bezwarende wijze. §1020 eerste volzin BGB is vervolgens weer een toepassing van de verplichting om rekening te houden met elkaars belangen.9 §902 lid 1 eerste volzin bepaalt uitdrukkelijk dat het verleggingsrecht niet kan verjaren.10
368. De opzet van deze paragraaf is als volgt. In paragraaf 3.4.2.2 komt ter sprake dat in het kader van het verleggingsrecht een onderscheid kan worden gemaakt tussen een juridische verlegging en een feitelijke verlegging, zowel naar Nederlands als naar Duits recht. In paragraaf 3.4.2.3 behandel ik de afbakening tussen de twee varianten. Die afbakening is naar Nederlands recht net iets anders dan naar Duits recht. In paragraaf 3.4.2.4 bespreek ik de juridische verlegging en in paragraaf 3.4.2.5 de feitelijke verlegging, want het verschil in kwalificatie is – zowel naar Nederlands als naar Duits recht – van belang. In paragraaf 3.4.2.6 behandel ik de vraag wie op moet draaien voor de kosten van een verlegging en hoe deze verplichting gekwalificeerd moet worden. In paragraaf 3.4.2.7 bespreek ik of het verleggingsrecht (met goederenrechtelijke werking) kan worden uitgesloten. In paragraaf 3.4.2.8 komen drie mogelijke analogische toepassingen van het verleggingsrecht aan bod. Ik sluit af met een conclusie in paragraaf 3.4.2.9