Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.4.1.1:9.4.1.1 Toelating van verklaringen van horen zeggen
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.4.1.1
9.4.1.1 Toelating van verklaringen van horen zeggen
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
In de hearsay-doctrine wordt in dit opzicht wel een onderscheid gemaakt. Daar geldt de gehoorsindruk zelf niet als een verklaring van horen zeggen, alleen de inhoud wordt als van horen zeggen beschouwd. De inhoud mag niet worden gebruikt, omdat de verdediging de inhoud daarvan niet op tegensprekelijke wijze heeft kunnen toetsen. Zie § 4.4.1.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Hoge Raad stelt zich in het De auditu-arrest op het standpunt dat verklaringen van horen zeggen voor het bewijs mogen meewerken ‘als rechtstreeks bewijs van het tenlastegelegde’. Onder verklaring van horen zeggen wordt begrepen datgene wat aan een getuige (of politieambtenaar) door een andere persoon is medegedeeld. De Hoge Raad onderscheidt in zijn arrest een tweetal soorten de auditu-verklaringen: de mondelinge en schriftelijke verklaring van horen zeggen. De ter terechtzitting afgelegde verklaring van Eis over wat C.F. haar heeft medegedeeld, geldt als mondelinge verklaring van horen zeggen. Onder de schriftelijke verklaring van horen zeggen wordt begrepen het procesverbaal van verhoor van verbalisant Oene, waarin hij ‘verklaart’ omtrent de hem door een mejuffrouw E. Es gedane mededeling. De verklaring van de getuige of de verbalisant wordt daarbij aangeduid als de overbrengende verklaring, terwijl de verklaring van de oorspronkelijke zegspersoon wordt aangeduid als de overgebrachte verklaring. In de zienswijze van de Hoge Raad geldt in beginsel alleen de overbrengende verklaring als wettig bewijsmiddel, die moet worden beoordeeld aan de hand van de in artikelen 338-344 Sv neergelegde eisen. Worden de mededelingen van een derde persoon overgebracht door een getuige op de terechtzitting, dan heeft deze overbrengende verklaring te gelden als verklaring van een getuige in de zin van artikel 342 lid 1 Sv. Komen deze mededelingen tot de rechter in de vorm van een procesverbaal, dan geldt deze verklaring volgens de Hoge Raad als een schriftelijk bescheid in de zin van artikel 344 lid 1 sub 2 Sv, tenzij een van de fictiebepalingen van toepassing is.
Het toelaten van verklaringen van horen zeggen betekende een relativering van de in artikel 342 lid 1 Sv neergelegde eis dat de verklaring van een getuige moest zien op feiten en omstandigheden die de getuige zélf had waargenomen of ondervonden. Een eis die wij ook teruglezen in artikel 344 lid 1 sub 2 Sv voor wat betreft het proces-verbaal van politie. De opvatting van de Hoge Raad luidde als volgt.
‘(...) dat van strijd met art. 342 Sv. geen sprake kan zijn, daar bedoelde verklaring den gehoorsindruk van de getuige weergeeft, dus loopt over een door die getuige zelf waargenomen feit, n.l dat aan haar de gerelateerde mededeeling is gedaan, terwijl de wet omtrent het gebruik, dat de rechter van dit wettig bewijsmiddel (bedoelde getuigenverklaring) mag maken bij de constructie van het bewijs, te weten omtrent de kracht der aanwijzing liggende in het feit, dat die mededeeling is gedaan, geen enkel voorschrift bevat, zoodat de wet den rechter geenszins dwong om het door hem als vaststaande aangenomen feit der mededeeling, bij de vorming van zijn oordeel over hetgeen als bewezen kan worden aangenomen en de constructie van het bewijs, ter zijde te laten’.
Omdat de ‘gehoorsindruk’ wordt opgevat als een door de getuige zelf waargenomen feit, is er naar het oordeel van de Hoge Raad geen strijdigheid met artikel 342 lid 1 Sv, welke redenering ook kan worden gehanteerd in relatie tot artikel 344 lid 2 Sv waar het de eigen waarneming of ondervinding van de politieverbalisant betreft. Het punt is echter dat volgens de Hoge Raad niet alleen het feit dat de mededeling is gedaan mag bijdragen aan het bewijs van het ten laste gelegde, maar ook de inhoud van de mededeling.1 De mededelingen van derden kunnen in de zienswijze van de Hoge Raad via de overbrengende getuigenverklaring rechtstreeks bijdragen aan de bewijsbeslissing. Uit latere arresten blijkt dat dit ook het geval is indien de oorspronkelijke zegspersoon niet ter terechtzitting is gehoord. Het toelaten van een procesverbaal van de politie inhoudende een verklaring van een getuige betekende voorts dat verklaringen niet ter terechtzitting hoefden te worden afgelegd om bruikbaar te zijn voor het bewijs, waarmee in feite aan de inhoud van artikel 342 lid 1 Sv werd voorbijgegaan.
Uit het arrest blijkt duidelijk dat de Hoge Raad de waarderingsvrijheid niet heeft willen beknotten door rigide uitsluitingsregels te creëren voor verklaringen afgelegd in het vooronderzoek. Volgens de Hoge Raad is dat in strijd met de geest van het nieuwe wetboek, waarbij het doel was ‘geen enkele bron gesloten te houden, waaruit de rechter licht zou kunnen putten’. Daarbij is de rechter nu niet genoodzaakt om getuigenverklaringen buiten beschouwing te laten, die wel aan het vestigen van zijn overtuiging hebben bijgedragen (omdat hij ze nu eenmaal via het dossier onder ogen heeft gekregen). De Hoge Raad acht de feitenrechter voldoende geëquipeerd om dit type bewijsmateriaal op waarde te schatten. Hij overweegt in dit verband:
‘(...) dat eenerzijds niet valt te ontkennen, dat verklaringen van hooren zeggen in vele gevallen slechts van zeer betrekkelijke waarde zullen zijn en dus met de uiterste behoedzaamheid moeten worden beschouwd, waarbij de rechter zich er steeds nauwkeurig rekenschap van heeft te geven, waartoe bij zulke getuigenissen de inhoud der eigen waarneming van den getuige is beperkt, doch anderzijds niet is in te zien, waarom de rechter met dergelijke verklaringen in het geheel geen rekening zou mogen houden, te minder omdat, ook waar het andere dan de hier bedoelde verklaringen betreft, de rechter doorloopend tot taak heeft de waarde van het hem voorgelegde bewijsmateriaal niet anders dan met de uiterste zorg en nauwkeurigheid na te gaan.’
Deze benadering past in de continentale traditie en de opvatting van het materiële onmiddellijkheidsbeginsel als een Prinzip der Wahl, waarin getuigen ter terechtzitting dienen te worden gehoord en de rechter wordt aangemoedigd de aldaar afgelegde verklaring voor het bewijs te gebruiken, maar het hem vrij staat om ook eerder afgelegde verklaringen te gebruiken op het moment dat hij daaraan meer geloof hecht. Echter, waren in het De auditu-arrest de oorspronkelijke zegspersonen nog in beeld, de Hoge Raad heeft het gebruik van de auditu-verklaringen nadien ook toegestaan in die gevallen waarin de oorspronkelijke zegspersonen niet op de terechtzitting of onder ede bij de rechter-commissaris waren gehoord.