Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/9.3.4.2
9.3.4.2 De ‘eigen’ opzet of grove schuld van de belastingplichtige bij betrokkenheid van een derde-gemachtigde
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940377:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 1 december 2006, nr. 40 369 en 40 518, V-N 2006/62.4, BNB 2007/151, r.o. 3.6.
Zie HR 30 september 2011, BNB 2012/13, in het bijzonder de noot van Van Eijsden bij het arrest.
Voor enkele voorbeelden van al dan niet relevante feiten en omstandigheden waaruit de ‘eigen’ opzet of grove schuld van de boeteling kan worden afgeleid, zie Woltman 2008.
Zie HR 30 september 2011, BNB 2012/13 en HR 31 mei 2013, V-N 2013/28.6, FED 2013/71.
HR 1 december 2006, nr. 40 369 en 40 518, V-N 2006/62.4, BNB 2007/151, r.o. 3.5. Zie over het gebruik van vermoedens in dit verband voorts paragraaf 10.2.5.2.
Hof Leeuwarden 13 maart 2012, V-N 2012/31.2.2.
Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2018, V-N 2019/15.14 en Hof Den Haag 30 maart 2016, V-N 2016/32.7, r.o. 7.5-7.7.
Zie Rb Gelderland 22 oktober 2019, V-N 2020/9.16, die oordeelde dat een dergelijk verwijt wél kan worden gemaakt als de belastingplichtige op enig moment moet beseffen dat de adviseur in strijd met dat compromis handelt.
HR 28 februari 2020, V-N 2020/12.20, BNB 2020/89, HR 23 september 2011, V-N 2011/49.8, BNB 2011/262.
Ook als die, zoals in het geval van de bijtelling wegens privégebruik van de auto, wellicht algemeen bekend zijn, zie bijvoorbeeld Rb Den Haag 20 juli 2017, V-N 2017/58.18.6, r.o. 9 en 10. Zie voorts Hof Den Haag 10 juli 2018, V-N 2018/65.19, in het bijzonder r.o. 7.7 en 7.9 (inzake aanzienlijke discrepanties tussen de volgens de administratie verschuldigde omzetbelasting en de omzetbelasting zoals die op aangifte was voldaan). De algemene bekendheid kan uiteraard wel betekenis hebben voor de ernst van het verwijt dat de derde-gemachtigde gemaakt kan worden.
HR 3 februari 2017, V-N 2017/8.8, BNB 2017/70, r.o. 2.4.2, HR 11 augustus 2017, V-N 2017/39.4, BNB 2017/193, r.o. 2.4.3.
HR 13 januari 2023, V-N 2023/4.7, BNB 2023/40, r.o. 3.8.1.
HR 13 januari 2023, V-N 2023/4.7, BNB 2023/40, r.o. 3.8.1. Zie ook HR 13 februari 2009, V-N 2009/9.7, BNB 2009/114 en HR 15 mei 2009, V-N 2009/24.8, BNB 2009/170, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het feit dat in ruime mate gebruik werd gemaakt van een gunstige afdrachtverminderingsregeling, niet meebracht dat er ter zake bijzondere eisen konden worden gesteld aan de controle van de derde-gemachtigde, noch dat de inhoudingsplichtige zichzelf meer in de materie had moeten verdiepen (geen grove schuld). Zie in dit verband ook paragraaf 6.4.3.2 (over de betekenis van de omvang van de bedragen voor de aanwezigheid van opzet).
Datzelfde geldt wanneer zulks van algemene bekendheid is, zie Rb Zeeland-West-Brabant 15 september 2022, V-N 2023/2.14, r.o. 3.21.
HR 28 februari 2020, V-N 2020/12.20, BNB 2020/89, r.o. 4.2, HR 11 augustus 2017, V-N 2017/39.4, BNB 2017/193, r.o. 2.4.4. Zie voorts Rb Gelderland 22 oktober 2019, V-N 2020/9.16, r.o. 14 en Hof ‘s-Hertogenbosch 6 september 2019, V-N 2020/9.18.
Rb Zeeland-West-Brabant 4 november 2020, V-N 2021/4.24.24, r.o. 2.9.
Hof ‘s-Hertogenbosch 6 september 2019, V-N 2020/9.18, r.o. 4.17.
HR 29 februari 2008, V-N 2008/12.10, BNB 2008/156, NTFR 2008/441, r.o. 3.5.3 (het ging daar overigens om de invulling van het begrip kwade trouw ex art. 16 lid 1 AWR).
HR 29 februari 2008, V-N 2008/12.10, BNB 2008/156, NTFR 2008/441, r.o. 3.7.2.
In de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 12 oktober 2018, V-N 2018/55.19 heeft het Hof dit naar mijn mening miskend. In de niet dragende r.o. 4.9 van de Hofuitspraak overwoog het Hof eenvoudigweg dat het handelen of nalaten van een werknemer aan de boeteling moet worden toegerekend, en dat de boeteling in ieder geval tekort was geschoten in zijn toezichthoudende taak. Toerekening van de verwijtbaarheid is (anders dan de toerekening van feitelijk handelen, waarover nader in paragraaf 9.3.4.4 hierna) nu juist verboden, terwijl het achterwege laten van toezicht als zodanig wel verwijtbaar kan zijn, maar dat verwijt moet dan wel afzonderlijk bewezen worden. Aldus ook: de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening.
Hof Amsterdam 20 oktober 2011, V-N 2012/7.2.3. Het daartegen gerichte cassatieberoep betrof niet het oordeel over de toerekeningsleer (HR 4 januari 2013, V-N 2013/3.6, BNB 2013/117, NTFR 2013/127).
HR 13 januari 2023, V-N 2023/4.7, BNB 2023/40, r.o. 3.8.1.
HR 13 januari 2023, V-N 2023/4.7, BNB 2023/40, r.o. 3.8.1.
Zie voor een goed voorbeeld: Hof Arnhem-Leeuwarden 25 juni 2013, V-N 2013/50.4. Zie voorts Hof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2014, V-N 2014/39.4.
Zie voor een geslaagd voorbeeld Hof Arnhem-Leeuwarden 12 oktober 2021, V-N 2022/2.22.30, r.o. 4.6.
Zie HR 3 februari 2017, V-N 2017/8.8, BNB 2017/70, r.o. 2.6, waarin de Hoge Raad een expliciete opdracht meegeeft aan het verwijzingshof. In deze casus betrof het verwijt grove schuld. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, V-N 2017/35.6, r.o. 4.11. Interessant is voorts het verschil in afloop tussen de zaken uit Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, V-N 2017/30.5 en Hof Arnhem-Leeuwarden 14 maart 2017, V-N 2017/35.6. Hoewel in beide zaken dezelfde overdrachtsbelastingconstructie aan de orde was, ging het om verschillende betrokkenen. In V-N 2017/30.5 slaagde de inspecteur in de bewijslast van de ‘eigen’ opzet, terwijl in V-N 2017/35.6 het beroep van de boeteling op de toerekeningsleer (dat is: op het ontbreken van ‘eigen’ grove schuld) juist werd gehonoreerd. Zie ten slotte Hof Den Haag 10 juli 2018, V-N 2018/65.19, r.o. 7.9, alsmede de kanttekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening daarbij.
Zie in dit verband de casus uit Hof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2015, V-N 2015/18.7. De Redactie Vakstudie-Nieuws wijst er naar mijn mening in de aantekening terecht op, dat het Hof in die zaak ten onrechte de toerekeningsarresten van 1 december 2006 aanhaalt, nu er niets toe te rekenen valt omdat de adviseur zelf niets te verwijten viel. Vgl. in gelijke zin voorts Feteris 2002, p. 365 (onder de oude toerekeningsjurisprudentie).
In dezelfde zin: Feteris 2002, p. 365.
Zie voor enkele goede voorbeelden: de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 23 december 2022, V-N 2023/2.22, BNB 2023/37, (zie r.o. 4.22 van de Hofuitspraak), Hof Arnhem-Leeuwarden 11 december 2018, V-N 2019/15.14, Hof ’s-Hertogenbosch 21 juni 2018, V-N 2018/57.1.8, r.o. 4.4, Hof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2015, V-N 2015/18.7, r.o. 4.29 en de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 12 oktober 2018, V-N 2018/55.19 (zie met name r.o. 4.8 van de Hofuitspraak). Zie voorts (a contrario) HR 28 februari 2020, V-N 2020/12.20, BNB 2020/89, r.o. 4.2 en Hof Arnhem-Leeuwarden 8 april 2014, V-N 2014/39.4 en HR 12 juni 2015, V-N 2015/32.1.2 (art. 80a Wet RO).
In dezelfde lijn redenerend is er sprake van grove schuld wanneer de belastingplichtige, door de betreffende posten niet te melden, in ernstige mate nalatig is geweest omdat hij zich redelijkerwijs had moeten beseffen dat zij relevant waren voor zijn aangifte. Zie HR 13 januari 2023, V-N 2023/4.7, BNB 2023/40, r.o. 3.6 en 3.8.1. Vgl. ook Hof Amsterdam 6 februari 2014, V-N 2014/25.20.6.
HR 14 oktober 2016, V-N 2016/53.7, r.o. 3.3.3.
Zie bijvoorbeeld ook Rb Den Haag 21 juli 2015, V-N 2015/48.14, inzake (ondanks de betrokkenheid van een adviseur) door de belastingplichtige zelf gemaakte fouten bij de uitvoering van de terugbetaling van agio.
In het slot van r.o. 4.8 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 12 oktober 2018, V-N 2018/55.19, lijkt het Hof te hebben miskend dat de inspecteur een dergelijk gebrek in de samenwerking moet bewijzen. Het Hof overwoog namelijk dat de boetelingniet aannemelijk had gemaakt dat hij een samenwerking met de derde-gemachtigde had betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd.
Zie voor een voorbeeld r.o. 4.17 van de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 17 mei 2019, V-N 2019/27.17.7 (art. 81 Wet RO).
Vgl. Hof Arnhem-Leeuwarden 11 maart 2014, V-N Vandaag 2014/544, ook kenbaar uit HR 7 november 2014, V-N 2014/61.1.2, waarin het Hof besliste dat de nalatigheid van een advocaat zonder fiscale deskundigheid om een gecompliceerde aangifte IB/PVV uit handen te geven aan een deskundige adviseur, nog geen grove schuld oplevert. Ook deze beslissing acht ik juist, omdat deze belastingplichtige niet kan worden aangerekend dat hij de mogelijke gevolgen van het niet-uitbesteden niet volledig heeft (kunnen) overzien.
De Hoge Raad gaf in de arresten van 1 december 2006 ook meteen enkele suggesties voor de beoordeling van de ‘eigen’ opzet of grove schuld van de belastingplichtige in gevallen waarin er een derde-gemachtigde in het spel is:
‘In dat verband kan van belang zijn of de belastingplichtige de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd bij de keuze van zijn adviseur en bij de samenwerking met die adviseur. Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de belastingplichtige kan worden gevergd, zal intussen van geval tot geval sterk kunnen verschillen, bij voorbeeld naar gelang zijn hoedanigheid en zijn kennis en ervaring omtrent de terzake relevante fiscale en andere aspecten.’1
Het hoogstpersoonlijke verwijt kan dus (mede) worden afgeleid uit het gedrag van de belastingplichtige zelf, in de verhouding tot zijn adviseur. Laat hij in de keuze van of de samenwerking met de derde-gemachtigde steken vallen, dan kan hem dat worden aangerekend. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de belastingplichtige die zijn derde-gemachtigde niet tijdig, onjuist of onvolledig informeert, belangrijke stukken achterhoudt, of verzuimt om een aanmaning door te sturen. Voorwaardelijk opzet zal in dergelijke situaties aanwezig kunnen zijn als de onjuiste of onvolledige informatieverstrekking door de belastingplichtige de aanmerkelijke kans in het leven riep dat er te weinig belasting zou worden betaald, terwijl de belastingplichtige dat besefte en die kans vervolgens op de koop toe heeft genomen.2
De vingerwijzingen die de Hoge Raad in zijn arresten van 1 december 2006 heeft gegeven, hebben geleid tot een stroom aan feitenrechtspraak waarin de inspecteur de ‘eigen’ opzet of grove schuld van de belastingplichtige afleidt uit zijn handelen of nalaten in de relatie tot de derde-gemachtigde.3 In de sindsdien verschenen jurisprudentie gold aanvankelijk doorgaans als feitelijk uitgangspunt dat er schuld of opzet aanwezig was bij de derde-gemachtigde (die dus ten onrechte was toegerekend aan de belastingplichtige).
Heeft alleen die derde-gemachtigde opzet of schuld, dan kan er geen (vergrijp)boete aan de belastingplichtige worden opgelegd.4 Ook mag daaraan geen vermoeden worden ontleend ten aanzien van de verwijtbaarheid van de belastingplichtige zelf.5 Het voorgaande betekent bijvoorbeeld dat de belastingplichtige die zijn rittenregistratie ter voorkoming van een bijtelling laat screenen door een adviseur, welke van oordeel is dat de registratie voldoet, achteraf zelf geen grove schuld-verwijt kan worden gemaakt.6 Er is immers hooguit sprake van grove schuld van de adviseur, en ook alleen van de adviseur.7 Ook als een adviseur zich niet houdt aan een compromis dat de belastingplichtige met de inspecteur heeft gesloten, betekent dat nog niet dat de belastingplichtige daarvan een verwijt kan worden gemaakt.8
De Hoge Raad neemt hierbij als uitgangspunt, dat indien een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet behoefde te twijfelen, er geen aanleiding is tot het stellen van de algemene eis dat die belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van de toepasselijke belastingregelingen verdiept.9 Het gaat daarbij niet alleen om de materiële aspecten,10 maar ook om (al dan niet betrekkelijk eenvoudige) formele voorwaarden.11 De belastingplichtige hoeft ook overigens niet na te gaan of de adviseur zijn werk wel goed heeft gedaan (en hoeft dus niet te controleren of de adviseur de fiscaal relevante gegevens wel correct in de aangifte heeft verwerkt).12 Dit alles wordt niet anders als het om grote bedragen gaat.13 Zelfs als de belastingplichtige zich wél zelf heeft verdiept in de relevante belastingregelingen, of weet dat bepaalde inkomsten belast zijn,14 brengt dat enkele feit nog niet mee dat hij ook gehouden is om te controleren of de door zijn adviseur opgestelde aangiften juist zijn.15 Datzelfde geldt als de belastingplichtige afgaat op zijn adviseur, die de indruk wekt dat het acceptabel is om in afwachting van overleg met de inspecteur nihilaangiften in te dienen.16 Naar mijn mening zijn deze beslissingen in het licht van de onschuldpresumptie volkomen terecht: juist omdat de belastingplichtige tijdig erkent dat hij de benodigde fiscale expertise mist, neemt hij immers een adviseur in de arm. Hem kan dan niet achteraf worden verweten dat hij de adviseur had moeten corrigeren. Maar ook als de belasting- of inhoudingsplichtige zelf een belastingadvieskantoor drijft, betekent dat nog niet dat fouten die ingeschakelde derden of interne medewerkers maken bij het verzorgen van de ‘eigen’ aangiften van dat belastingadvieskantoor per definitie kunnen worden toegerekend.17 Ook dan geldt dat de eigen verwijtbaarheid afzonderlijk moet worden vastgesteld door te kijken naar de keuze van en de samenwerking met die ingeschakelde derden.
Illustratief is in dit verband het zogenoemde Loyens en Volkmaars-arrest van de Hoge Raad. De belastingplichtige voerde ter bestrijding van het (voorwaardelijk) opzet-verwijt als tegenbewijs aan dat hij een gerenommeerd advieskantoor had ingeschakeld voor het doen van zijn aangifte. De Hoge Raad ontleende daaraan inderdaad het vermoeden dat hij de intentie had gehad om de aangifte correct te doen.18 Vervolgens overwoog de Hoge Raad dat de belastingplichtige hooguit verweten zou kunnen worden dat hij onvoldoende voortgangscontrole had gepleegd. Daarin zou dan het voorwaardelijk opzet besloten moeten liggen. Voor het bewijs daarvan formuleerde de Hoge Raad de volgende viertrapsraket:
‘Van voorwaardelijk opzet (…) is, (…) eerst dan sprake indien belanghebbende geen afdoende controle heeft uitgeoefend op de voortgang van de aan Loyens en Volkmaars opgedragen werkzaamheden, het achterwege laten van voortgangscontrole op Loyens en Volkmaars de aanmerkelijke kans in het leven riep dat Loyens en Volkmaars de opgedragen taak zou verzaken en dientengevolge geen belasting zou worden geheven, belanghebbende wetenschap had van die aanmerkelijke kans, en zij die kans bewust heeft aanvaard (op de koop toe heeft genomen).’19
Bij een gerenommeerd en professioneel kantoor, of meer in het algemeen een derde-gemachtigde met een smetteloos blazoen, zal de bewijslast van (voorwaardelijk) opzet doorgaans dus zeer zwaar zijn.20 Dat is uiteraard anders wanneer de ingeschakelde derde-gemachtigde niet van (fiscaal) onbesproken gedrag is, of wanneer anderszins redelijkerwijs moet worden getwijfeld aan zijn fiscale punctualiteit. Is de belastingplichtige daarvan op de hoogte, en schakelt hij die derde vervolgens toch in zonder adequate (tegen)maatregelen te nemen, dan handelt hij op eigen titel (voorwaardelijk) opzettelijk.21
Ook met betrekking tot de gradatie grove schuld zal het bewijs niet eenvoudig te leveren zijn. De keuze voor een gerenommeerd kantoor betekent volgens de Hoge Raad namelijk dat de belastingplichtige zich heeft laten bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet behoefde te twijfelen.22 Geeft de belastingplichtige vervolgens alle informatie waarvan hij in redelijkheid mocht aannemen dat die fiscaal relevant is aan zijn adviseur, dan is er ook op de samenwerking niets aan te merken.23 Wanneer de belastingplichtige in de keuze van of samenwerking met zijn adviseur enkele steken laat vallen, is dat weliswaar (enigszins) verwijtbaar, maar dat brengt nog niet meteen grove schuld met zich mee.24 Ook met betrekking tot de gradatie grove schuld zal de inspecteur de ‘eigen’ verwijtbaarheid dus afzonderlijk moeten bewijzen.25 Waar het steeds om draait, is dat het zelfstandige verwijt dat de boeteling bij aan een derde-gemachtigde uitbestede fiscale werkzaamheden wordt gemaakt, moet worden gevonden in de binnen die relatie gemaakte onderlinge afspraken en daaruit voortvloeiende verwachtingen over en weer.26
Heeft de derde-gemachtigde zelf juist geen schuld of opzet, dan valt er uiteraard ook niets ‘toe te rekenen’.27 De belastingplichtige kan evenwel opzettelijk (of grofschuldig) handelen, terwijl hij zijn aangifte laat verzorgen door een onberispelijke adviseur.28 Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de boeteling de derde-gemachtigde onjuist of onvolledig heeft geïnformeerd over de in potentie fiscaal relevante feiten en omstandigheden (zoals bepaalde inkomsten of bezittingen), terwijl die derde-gemachtigde dat niet wist en ook niet had kunnen weten (en er dus ook niet naar vraagt). Het is dan van belang om het vizier gericht te houden op het juiste bewijsobject: de verwijtbaarheid van de belastingplichtige ten aanzien van het verzuim om de derde-gemachtigde te informeren.29 Wanneer dat verzuim willens en wetens is begaan (wetend dat de informatie van belang is, met als doel de inkomsten of het vermogen buiten de aangifte te houden), is er sprake van opzet.30 De belastingplichtige die een door een derde-gemachtigde opgestelde aangifte voor akkoord ondertekent, in de wetenschap dat in die aangifte ten onrechte een aanzienlijke genoten verdienste ontbreekt, handelt evenzeer met ‘eigen’ opzet.31
De lijn die uit de jurisprudentie kan worden afgeleid, is als volgt samen te vatten. Ook wanneer er een derde-gemachtigde betrokken is geweest bij het begaan van het beboetbare feit, moet aan de hand van de normale toetsingscriteria worden vastgesteld of de boeteling zelf opzet of grove schuld heeft gehad. Tot de concrete omstandigheden die in dat kader relevant zijn, kan evenwel behoren de omstandigheid dat er een derde-gemachtigde in het spel was.32 De verwijtbaarheid kan zijn gelegen in de keuze van of (gebrekkige) samenwerking met de adviseur,33 maar kan evengoed worden gebaseerd op het überhaupt (bij wijze van window dressing) inschakelen van die adviseur, die opzettelijk onvolledig wordt geïnformeerd.34 Ook de omstandigheid dat is verzuimd om een derde-gemachtigde in de arm te nemen, terwijl daar wel aanleiding voor was, kan de eigen verwijtbaarheid inkleuren.35