Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht
Einde inhoudsopgave
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/1.2.1:1.2.1 Strafrecht als ultimum remedium
Politiemensen, officieren en rechters over strafrecht (SteR nr. 49) 2020/1.2.1
1.2.1 Strafrecht als ultimum remedium
Documentgegevens:
J. Kort, datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
J. Kort
- JCDI
JCDI:ADS200778:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De Nederlandse strafrechtscultuur wordt traditioneel bepaald door terughoudendheid (Kelk, 2013: 9). Het strafrecht is door Modderman, als minister van justitie verantwoordelijk voor het huidige Wetboek van Strafrecht (in werking getreden in 1886), met nadruk bestempeld als ultimum remedium: het uiterste redmiddel (De Roos, 2000: 31). Als repressief sanctioneringsstelsel is het oorspronkelijk bedoeld als sluitstuk voor een samenstel van preventieve maatregelen stelt De Roos (ibidem).
Aanvankelijk domineerde na de Tweede Wereldoorlog de verenigingstheorie. Hierin wordt een breed scala van strafdoelen gecombineerd (daarover meer in hoofdstuk 2), maar is ook een belangrijke plaats ingeruimd voor proportionele vergelding. Dit betekent dat vergelding alleen passend wordt geacht nadat rekening is gehouden met de benadeling en het te maken verwijt, hetgeen afhankelijk is van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de dader (Kelk, 2013: 43). Onder invloed van (onder meer) de Utrechtse hoogleraar Pompe ontstond meer aandacht voor de feitelijke effecten van strafrechtelijke sancties. Pompe concludeerde dat het strafrecht de ruimte moet bieden om begaan onrecht omwille van de doelmatigheid (gedeeltelijk) onvergolden te laten. Het strafrecht werd onder invloed hiervan minder dogmatisch van karakter en meer gefunctionaliseerd: vergaand geïndividualiseerd en op de ‘persoon des daders toegesneden’ (2013: 30, 38).
Vooral in de jaren 1970 en 1980 leidde kritiek over het nog altijd reactieve karakter van het strafrecht, de beperkte effectiviteit ervan bij het terugdringen van criminaliteit en de optredende ongewenste neveneffecten, tot belangrijke aanpassingen van de strafwetgeving. Deze zijn tot op de dag van vandaag herkenbaar in het strafrecht en geven de nadruk aan die inmiddels al decennia geleden is gelegd op het willen voorkomen van criminaliteit en de resocialisatie van delinquenten. Er werden uiteenlopende alternatieve straffen geïntroduceerd, met als uitgangspunt negatieve effecten van strafrechtelijk optreden te verminderen of te voorkomen. De belangrijkste zijn Halt-straffen (voor minderjarigen), taak-, leer- en werkstraffen en (deels niet-strafrechtelijke) vormen van bemiddeling en herstelrecht (Terpstra, 2010: 35; Kelk, 2013: 36-38).