Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.10.3.3
7.3.10.3.3 Vraagstukken van openbare orde
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940645:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie over dit proces paragraaf 7.3.7.4.
Zie bijvoorbeeld HR 20 november 1996, BNB 1997/23 (beroep op vertrouwensbeginsel inzake overschrijden bezwaartermijn baat niet, ongeacht de vraag of dat vertrouwen gewekt is) en HR 13 mei 2011, BNB 2011/218 (het Hof is verplicht de relevante feiten voor de ontvankelijkheidsvraag in eerste aanleg te onderzoeken; overigens is deze ambtshalve toetsing van de ontvankelijkheid in een voorgaande instantie inmiddels achterhaald, zie HR 16 juli 2021, V-N 2021/31.19, BNB 2021/140, waarover nader in paragraaf 7.3.4.4).
Zie paragraaf 7.3.10.3.2. Zie voorts HR 10 januari 2020, V-N 2020/5.17, r.o. 2.4.
CRvB 9 juli 2021, V-N 2021/31.18.
Het gaat hier alleen om het bij de betreffende instantie zelf ingediende beroep, zie paragraaf 7.3.4.4.
De Hoge Raad heeft in HR 18 oktober 2019, V-N 2019/50.11, BNB 2019/185, geoordeeld dat een bestuursorgaan verplicht is om navraag te doen naar de mogelijke verschoonbaarheid van een geconstateerde termijnoverschrijding in bezwaar. Dat betekent dat de vraag óf er verschoonbaarheid is, ambtshalve aan de orde moet worden gesteld. Het is niet zeker of er vervolgens ook ambtshalve feitenonderzoek moet plaatsvinden. Verder wordt uit het arrest niet duidelijk of ook de rechter ambtshalve moet toetsen of een termijnoverschrijding in beroep verschoonbaar is (noch of de rechter ambtshalve moet bekijken of het bestuursorgaan (of de lagere rechter) navraag heeft gedaan naar de eventuele verschoonbaarheid in bezwaar (of beroep). Volgens de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij V-N 2019/50.11 geldt de verplichting om ambtshalve navraag te doen ook voor de rechter. Blijkens de Aantekening bij HR 10 januari 2020, V-N 2020/5.17, acht de Redactie Vakstudie-Nieuws de verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding in bezwaar en beroep daadwerkelijk van openbare orde (overigens zonder te verwijzen naar HR 18 oktober 2019, V-N 2019/50.11, BNB 2019/185). Naar mijn mening moet de rechter zich wel conformeren aan tussen partijen vaststaande feiten die relevant zijn voor de beoordeling van die verschoonbaarheid. Er bestaat dus wel een ambtshalve toetsingsplicht, maar geen zelfstandige onderzoeksplicht (zie over deze begrippen nader paragraaf 9.4.1.3). De Hoge Raad lijkt de verschoonbaarheid als onderdeel van (de beoordeling van) de tijdigheid te beschouwen, zie HR 16 juli 2021, V-N 2021/31.19, BNB 2021/140, r.o. 4.3.2 (slotzin).
HR 12 mei 2017, V-N 2017/25.3, BNB 2017/203, r.o. 2.3.2, HR 16 december 2022, V-N 2022/56.19, BNB 2023/31, r.o. 4.1.2.
Zie Feteris 2007, p. 442-443 en (algemeen-bestuursrechtelijk) Schuurmans 2005, p. 63, alsmede de literatuurverwijzingen aldaar. Zie voor de fiscaliteit HR 13 mei 2011, V-N 2011/25.9, BNB 2011/218 (thans te lezen in samenhang met HR 16 juli 2021, V-N 2021/31.19, BNB 2021/140), HR 12 juli 2013, V-N 2013/35.7, BNB 2013/237, Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2017, V-N 2017/24.6, r.o. 4.3 e.v. (ambtshalve toetsing goede procesorde) en Hof ’s-Hertogenbosch 4 juli 2019, V-N 2019/44.19 (waarin de rechtbank misbruik van procesrecht had aangenomen).
Volgens de Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekening bij Rb Midden-Nederland 3 oktober 2019, V-N 2020/18.23 (dat een voorbeeld bevat), wordt dit algemeen aangenomen.
Zie paragraaf 12.3.3 en paragraaf 9.4.11 en paragraaf 9.4.15.
HR 1 december 1993, V-N 1993, p. 4232, BB 1994, p. 277.
Zie het zogenoemde Schiphol-arrest (HR 9 mei 2003, BNB 2003/270), alsmede de Aantekening van de Redactie Vakstudie-Nieuws bij HR 22 mei 2015, V-N 2015/28.27. In ieder geval is ambtshalve toetsing toegestaan, zie HR 5 juni 2015, V-N 2015/29.28.
Zie omtrent dit begrip nader paragraaf 9.4.1.3.
HR 13 mei 2011, BNB 2011/218. Zie voorts paragraaf 7.3.4.4.
Zie ook omtrent dit begrip nader paragraaf 9.4.1.3.
De Bont acht, in zijn noot bij HR 10 juni 2011, BNB 2011/250 (punt 9), de rechtsoverwegingen uit HR 13 mei 2011, BNB 2011/218 van algemene strekking voor alle kwesties van openbare orde.
Met betrekking tot de zogeheten vraagstukken van openbare orde verloopt het proces van bewijsvoering anders dan gebruikelijk.1 De rechter is namelijk, ongeacht of daarop door partijen een beroep is gedaan en ongeacht de wil van partijen, verplicht om daaraan te toetsen.2 De hiervoor beschreven grenzen van de rechtsstrijd gelden dus niet voor dergelijke vraagstukken.3
Kwesties zijn van openbare orde als de ratio van de betreffende (wettelijke) bepaling meebrengt dat een schending daarvan met het oog op het algemeen belang niet zonder gevolgen behoort te blijven, ongeacht of een of meer partijen zich op die schending hebben beroepen.4 Het betreft bijvoorbeeld de regels aangaande de toegang tot de rechter (waaronder begrepen de ontvankelijkheid en dus kwesties betreffende het griffierecht, de vatbaarheid voor bezwaar en beroep, de tijdigheid van het ingediende beroep,5 de eventuele verschoonbaarheid van een termijnoverschrijding,6 het ontbreken van een procesbelang7 en misbruik van procesrecht), de omvang van het geding, de (on)bevoegdheid van de rechter en de behoorlijke procesorde.8 Het kan ook gaan om de vraag of een besluit wel is genomen door een bevoegd bestuursorgaan.9 Louter voor boetes zijn ook de verjaring en de (overschrijding van de) redelijke termijn van openbare orde verklaard.10 Specifiek voor de heffing van lokale overheden gaat het voorts om de rechtsgeldige bekendmaking van het algemeen verbindende voorschrift in kwestie (veelal: de verordening plus eventuele bijlagen).11 Ten slotte heeft het er alle schijn van dat ook de objectafbakening in het kader van de Wet WOZ van openbare orde is.12
In feite gaat het bij bepalingen van openbare orde om een uitzondering op de stelplicht: ook zonder dat partijen een stelling hebben ingenomen over de betreffende kwesties, moet de rechter deze onderzoeken. Aanvankelijk betrof het een ambtshalve toetsingsplicht:13 op basis van het procesdossier en de vaststaande feiten moest de rechter ambtshalve een oordeel vellen. In 2011 bepaalde de Hoge Raad echter met betrekking tot de categorie ontvankelijkheidsvragen, dat de rechter niet-betwiste feiten ook daadwerkelijk ambtshalve moet onderzoeken.14 Vermoedelijk strekt deze zelfstandige onderzoeksplicht15 zich ook uit tot andere kwesties van openbare orde.16 De rechter moet dus eerst ambtshalve de feiten vaststellen: hij legt zich niet neer bij een eenparig standpunt van partijen, ook niet over de inhoud van de feiten, maar gaat zelf op onderzoek uit. In het kader van ontvankelijkheidsvragen kan hij dat doen door bijvoorbeeld vragen te stellen of bij partijen stukken op te vragen over het moment van dagtekenen, verzenden of ontvangen.