Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/4.6
4.6 Afpersing en oplichting
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HR 3 november 1998, NJ 1998/534 m.nt. de Hullu. Zie bijv. ook HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9177, NJ 2007/555. In zijn dissertatie over strafbare dwang verdedigt Lindenberg de stelling dat de opvatting dat misleiding geen dwang kan zijn, onjuist is. Hij verdedigt dat misleiding dwang kan zijn wanneer het slachtoffer zwicht op grond van psychische druk die door de misleiding werd veroorzaakt, zie Lindenberg 2007, p. 32-35, 185. ‘Seksuele oplichting’ is ook niet op andere wijze strafbaar gesteld, vgl. de conclusie van Advocaat-Generaal Knigge vóór HR 9 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9177, NJ 2007/555.
Lindenberg spreekt over bedreigende misleiding en corrupte waarschuwingen, vgl. Lindenberg, 2007, p. 239-243.
Lindenberg 2007, p. 42-44.
Lindenberg 2007, p. 44, 185, 242.
HR 28 mei 1996, DD 96.321.
Lindenberg wijst erop dat deze zaak enigszins overeenkomt met HR 21 februari 1989, NJ 1989/668, m.nt. ‘tH, waarin toenmalig Advocaat-Generaal Leijten in zijn conclusie overwoog: “Men kan met name ook van dreigen met geweld spreken als iemand bewerkt, dat de ander, een vrouw, vreest, dat zij door zijn toedoen een ernstige ziekte zal oplopen als zij aan zijn wensen om met hem gemeenschap te hebben niet zou toegeven. Dat ligt zo dicht bij dreigen met doodslag, mishandeling etc. dat het evenals in die gevallen kan worden aangemerkt als dreigen met geweld: ‘als je dat niet doe sla ik je dood’ of ‘als je dat niet doet, bewerk ik dat je doodvalt’ dat komt op hetzelfde neer, alleen het tweede is, voor wie aan de magische kracht en macht van de ander gelooft nog veel bedreigender.” De Hoge Raad verwierp de klacht dat zodanige psychische druk geen bedreiging met geweld kan opleveren met een verwijzing naar de conclusie. Een verschil tussen beide zaken is dat de verdachte in HR 21 februari 1989, NJ 1989/668 dreigde met door hemzelf uit te oefenen geweld.
Zie ook HR 5 december 2009, ECLI:NL:HR:2010:BJ7237, NJ 2010/22
Vgl. ook de kanttekeningen van Knigge bij het betoog van Lindenberg in zijn conclusie vóór HR 25 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1834.
Art. 285 Sr is anders dan art. 317 Sr geen dwangdelict, maar beide delicten hebben het bestanddeel ‘bedreiging’ gemeen. Art. 285 Sr luidt: “Bedreiging met openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen of goederen, met geweld tegen een internationaal beschermd persoon of diens beschermde goederen, met enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen of goederen of gemeen gevaar voor de verlening van diensten ontstaat, met verkrachting, met feitelijke aanranding van de eerbaarheid, met enig misdrijf tegen het leven gericht, met gijzeling, met zware mishandeling of met brandstichting, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.”
Knigge verwijst hier naar de conclusie van Advocaat-Generaal Machielse vóór HR 3 februari 2004, LJN ECLI:NL:HR:2004:AN9309, met verwijzing naar HR 8 februari 1897, W 6926.
Knigge verwijst hier naar HR 19 oktober 1936, NJ 1937/163.
Zie bijvoorbeeld HR 7 juni 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT3659, NJ 2005/448.
HR 5 december 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7237, NJ 2010/22.
HR 8 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX4585 en ECLI:NL:HR:2013:BX4605, NJ 2013/264 m.nt. Borgers.
HR 26 juni 1973, NJ 1974/208. Zie Lindenberg 2007, p. 241-242.
HR 25 oktober 2011, ECLI:NL:HR:BP1834.
HR 26 juni 1973, NJ 1974/208.
Vgl. ook het standpunt van het Lindenberg, zie Lindenberg 2007, p. 241-242 en de conclusie van Advocaat-Remmelink vóór HR 26 juni 1973, NJ 1974, 208.
Net als bij in de vorige paragrafen besproken onderlinge verhoudingen van delicten, lijkt ook de grens tussen afpersing en oplichting een scherpe te zijn. Bij afpersing gaat het slachtoffer door het dwingen met geweld of bedreiging met geweld over tot afgifte van een goed. Bij oplichting geeft de bewogene als gevolg van de misleiding min of meer vrijwillig het goed af. Over de vraag of misleiding dwang kan opleveren is de Hoge Raad vrij duidelijk. Dat kan niet. Dat lijkt vooral samen te hangen met de omstandigheid dat iemand die wordt misleid en die misleiding niet op enig moment doorziet, zich niet gedwongen zal voelen. Zo oordeelde de Hoge Raad in een geval waarin een slaapdronken vrouw seksueel contact had met iemand die zich als haar vriend had voorgedaan, dat van dwingen in de zin van art. 242 Sr slechts sprake kan zijn indien de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer de in art. 242 Sr bedoelde handelingen tegen haar wil heeft ondergaan. Daarvan is geen sprake indien het slachtoffer doordat zij (half) in slaap was door misleiding van de kant van de verdachte over zijn identiteit diens handelingen heeft toegelaten.1 Misleiding lijkt aldus geen invulling te kunnen geven aan het bestanddeel ‘dwingen’. Overlap tussen de delicten afpersing en oplichting lijkt dus moeilijk voorstelbaar. Maar kan misleiding wel inhoud geven aan het bestanddeel ‘bedreiging met geweld’? Indien het antwoord op die vraag bevestigend luidt, zou misleiding via bedreiging met geweld toch dwang kunnen opleveren en zou afpersing door misleiding dus mogelijk zijn.
Er zou zich het volgende geval kunnen voordoen: A gaat naar de woning van B en waarschuwt B dat er in de hal mannen staan die B in elkaar zullen slaan als ze geen geld krijgen. A deelt B daarop mee dat hij er niets mee te maken heeft en het niet kan voorkomen, maar dat B hem het geld kan geven en dat hij dat dan namens B aan de mannen zal geven. B geeft vervolgens het geld aan A. In de hal staan echter helemaal geen mannen die B in elkaar willen slaan en A gaat er zelf met het geld vandoor. Levert dit oplichting op, omdat A B heeft misleid en door een samenweefsel van verdichtsels B heeft bewogen tot afgifte van geld? Of afpersing, omdat B zich door de dreiging die uitging van de misleidende mededelingen van A gedwongen voelde tot de afgifte van het geld? Afhankelijk van de precieze omstandigheden van het geval zou het zo kunnen zijn dat een vervolging wegens afpersing de voorkeur verdient. De maximumstraf die op afpersing staat is immers negen jaar gevangenisstraf, terwijl oplichting wordt bedreigd met maximaal vier jaar gevangenisstraf.
Voor het navolgende is het van belang twee vormen van misleiding te onderscheiden. In het hierboven geschetste voorbeeld is sprake van wat een leugenachtige of bedreigende waarschuwing zou kunnen worden genoemd. A waarschuwt B voor een gevaar dat niet bestaat. Het kan echter ook zo zijn dat het gevaar wél bestaat. Dan zijn verschillende varianten mogelijk. A kan B er – in strijd met de waarheid – van weten te overtuigen dat hij slechts een neutrale boodschapper is terwijl hij in werkelijkheid samenwerkt met de bedreigers of A kan het juist doen voorkomen dat hij samenwerkt met de bedreigers, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is. Ook zou het zo kunnen zijn dat A zich voordoet als neutrale boodschapper of bemiddelaar, terwijl hij in het geheel geen contact heeft met de bedreigers. Dit zouden gemankeerde waarschuwingen kunnen worden genoemd.2
Leugenachtige waarschuwingen
Literatuur over dit onderwerp is er amper. De enige auteur die diep op dit onderwerp ingaat is Lindenberg. Lindenberg komt in zijn dissertatie tot de conclusie dat een oprechte waarschuwing in ieder geval geen bedreiging oplevert. Het onderscheid tussen waarschuwen en bedreigen zoekt Lindenberg in de relatie van de ‘bedreiger’ tot het geweld dat in het vooruitzicht wordt gesteld. Voor bedreiging, aldus Lindenberg, “schijnt (…) in ieder geval nodig te zijn dat degene die de bedreiging uit, in de ogen van de gedwongene controle heeft over het al dan niet plaatsvinden van het voorspelde voorval”.3 De indruk die bij de ontvanger wordt gewekt, lijkt dus van belang te zijn. Het gaat erom of de dader in de ogen van de gedwongene controle heeft over de gang van zaken. Lindenberg komt tot de conclusie dat ook een leugenachtige waarschuwing – Lindenberg noemt dit bedreigende misleiding – bedreiging op kan leveren. Van bedreigende misleiding is sprake als de dader het slachtoffer onwaarachtig een onheil voorspiegelt, dat buiten de dader om zal worden ontketend als het slachtoffer het verzoek van de dader niet inwilligt.4 Deze situatie lijkt op het hiervoor genoemde voorbeeld van A die naar de woning van B gaat en B waarschuwt dat een aantal mannen die in de hal staan A in elkaar zullen slaan als ze geen geld krijgen. A doet het immers, zo blijkt later ten onrechte, voorkomen dat hij er niets mee te maken heeft en er geen invloed op kan uitoefenen. Lindenberg is van mening dat deze bedreigende misleiding onder de delictsomschrijving van art. 285 Sr kan vallen. Dat standpunt baseert hij op een arrest van de Hoge Raad van 28 mei 1996.5 Volgens Lindenberg kan uit dat arrest worden afgeleid dat bedreigende misleiding het bestanddeel bedreiging met geweld in de delictsomschrijving van verkrachting (art. 242 Sr) kan vervullen. De zaak handelde over twee jonge zussen die door een kennis van hun vader ritueel zouden worden genezen van psychische en lichamelijke klachten. De ‘genezer’ vertelde de jonge vrouwen dat kwade geesten hen ziek zouden maken, waardoor zij in een rolstoel terecht zouden komen en geen kinderen meer zouden kunnen krijgen. Ter afwering van die geesten moesten de vrouwen gemeenschap met hem hebben. Onder de indruk van de waarschuwing lieten zij dit toe. Het hof had de man veroordeeld wegens verkrachting door bedreiging met geweld.6 Het cassatiemiddel dat kennelijk berustte op de stelling dat van bedreiging met geweld als bedoeld in art. 242 Sr slechts sprake kan zijn indien gedreigd wordt met door de dreigende persoon zelf uit te oefenen geweld, faalde volgens de Hoge Raad omdat die stelling onjuist is.7 Dat mag juist zijn, maar een antwoord op de vraag of misleiding bedreiging kan opleveren is het mijns inziens niet. Mijns inziens is het geenszins zeker dat ‘bedreigende misleiding’ (dat is: een leugenachtige waarschuwing) een bedreiging in de zin van art. 285 Sr oplevert.8
In zijn conclusie vóór HR 25 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1834 (zie verder hierna bij de bespreking van gemankeerde waarschuwingen) gaat Knigge in op de vraag of voor bedreiging is vereist dat de dader op een of andere manier invloed heeft op de verwezenlijking van de bedreiging en in het verlengde daarvan de vraag of bedreiging door middel van misleiding mogelijk is. Die vraag beantwoordt hij aan de hand van het in die zaak toepasselijke art. 285 Sr.9 Voor toepassing van art. 285 Sr is niet vereist dat de bedreigde daadwerkelijk angst is aangejaagd en hij zich in zijn vrijheid belemmerd voelt.10 Ook is niet vereist dat de dader werkelijk van plan is zijn bedreiging ten uitvoer te leggen.11 Voor een veroordeling wegens bijvoorbeeld bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, is voldoende dat de bedreiging van dien aard is en onder zodanige omstandigheden is geschied dat bij de bedreigde de redelijke vrees kon ontstaan dat hij het leven zou kunnen verliezen.12 Het potentiële effect van gedrag van de dader op de bedreigde is dus van belang. Knigge merkt op dat bedreiging zeer vaak een element van misleiding in zich bergt. De dader wekt bij de bedreigde de indruk dat hij hem iets wil of zal aandoen. Of die indruk juist is, is niet van belang. De vraag moet dus niet zijn of voor bedreiging is vereist dat de dader invloed heeft op de verwezenlijking van de bedreiging, maar of vereist is dat de dader bij de bedreigde de indruk heeft gewekt dat hij die invloed heeft. Een overvaller die met een neppistool dreigt zal over het algemeen de indruk wekken dat hij een pistool kan afvuren. Het dreigen met een neppistool kan daarom bedreiging met (bijvoorbeeld) zware mishandeling opleveren. Kenmerkend voor bedreigende misleiding is dat, als het slachtoffer de misleiding doorziet, de reden om bang te zijn wegvalt.
Uit de jurisprudentie volgt dat art. 285 Sr niet alleen ziet op bedreiging met een door de ‘bedreiger’ zelf te plegen misdrijf.13 Ook de grote drugsbaas die iemand mededeelt dat zijn knokploeg hem zal vermoorden, maakt zich schuldig aan bedreiging. Knigge merkt – mijns inziens terecht – op dat uit die jurisprudentie echter niet kan worden afgeleid dat voor bedreiging niet is vereist dat de ‘bedreiger’ (de indruk wekt dat hij) op enigerlei wijze betrokken is bij het geweld waarmee hij het slachtoffer angst aanjaagt. Dat zou immers betekenen dat ook oprechte waarschuwingen bedreiging op zouden kunnen leveren, hetgeen niet aannemelijk is.
Kunnen leugenachtige waarschuwingen dan wel een bedreiging in de zin van art. 285 Sr opleveren? Probleem is dat als de indruk die bij het slachtoffer is gewekt voor toepassing van art. 285 Sr beslissend is, het geen verschil maakt of de waarschuwing al dan niet op goede grond berust. In beide gevallen voelt het slachtoffer zich niet door de boodschapper bedreigd en is er – in zijn perceptie – geen sprake van een dreigend misdrijf waarbij de boodschapper op enigerlei wijze is betrokken. Het zijn de omstandigheden waarvoor gewaarschuwd wordt. Knigge concludeert dat het nog maar de vraag is of ‘bedreigende misleiding’ (dat is een leugenachtige waarschuwing) een bedreiging in de zin van art. 285 Sr oplevert.
Voorbeelden van zaken waarin sprake is van leugenachtige waarschuwingen zijn amper te vinden in de jurisprudentie. Wel kan worden gewezen op twee arresten van de Hoge Raad van 8 januari 2013.14 Uit de uitspraak van het Hof Amsterdam zoals weergegeven in de arresten van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat ene X omstreeks maart 2007 door de verdachten op de hoogte wordt gesteld van vermeende schulden van zijn inmiddels overleden vader. De verdachten geven dan summiere en vage informatie met betrekking tot een pand/bar. In daarop volgende gesprekken wordt meer informatie verschaft, op grond waarvan X begrijpt dat het om een horecaonderneming ging waarin een Turk had gezeten, die door toedoen van zijn vader fl. 500.000,– was kwijtgeraakt. In die gesprekken wordt een dreiging opgevoerd van de zijde van de “Grijze Wolven”, een als zeer gewelddadig bekendstaande Turkse groepering. X betaalt € 223.000 ter delging van de vermeende schuld van fl. 500.000,– en € 150.000 om een drietal Turkse huurmoordenaars af te kopen, die al in het land zouden zijn om X en zijn familie te liquideren. Na betaling wordt door de verdachten ter sprake gebracht dat nog een andere schuld van zijn vader, ten bedrage van € 2.000.000, moet worden voldaan in verband met witwasactiviteiten in 2003. In dat verband zou de dreiging worden uitgeoefend door de PKK, eveneens gewelddadig van aard. Uiteindelijk zou het echter in beide gevallen om dezelfde, Turkse, personen gaan. X heeft verklaard dat voor hem de dreiging reëel en aannemelijk werd, doordat de verdachten vertelden over bijeenkomsten met deze Turken waardoor een sfeer van criminaliteit en geweld werd geschapen en waarbij werd gesuggereerd dat slechts door betaling via de verdachten “het probleem” kon worden opgelost. De verdachten boden zichzelf aan X aan als bemiddelaars tussen hemen de Turken. X heeft verklaard dat de verdachten hem vertelden dat ze de door hem betaalde geldbedragen telkens onmiddellijk aan de Turken ter hand stelden. Voor de bewezenverklaring heeft het hof onder meer gebruikgemaakt van de verklaring van X. Die verklaring hield onder meer in:
“Ik heb volledig vertrouwen gehad in [medeverdachte] en [verdachte]. Ze hebben een dusdanige sfeer gecreëerd dat ze de dreiging voor een liquidatie van mij en mijn familie konden voorkomen. Ik heb er al die tijd in geloofd.”
Het hof oordeelde dat de redenen voor de betalingen, het bestaan van de Turken en de door dezen belichaamde gewelddadige dreiging geheel ontsproten zijn aan het brein van de verdachten ten einde daarmee X af te persen. Het hof overwoog vervolgens:
“Dat betekent overigens niet, dat het hof het bestanddeel in het onder 1 tenlastegelegde “door bedreiging met geweld” niet bewezen acht. Integendeel, het hof stelt vast dat de door de verdachten opgevoerde bedreigingen met geweld afkomstig van erkend gewelddadige groeperingen als de Grijze Wolven en de PKK, ook al blijkt dat allemaal verzonnen, een zodanige indruk hebben gemaakt en ook konden maken op [X], dat deze zich gedwongen heeft gevoeld om de betalingen te doen van de onder feit 1 genoemde geldbedragen.”
Het hof heeft aldus expliciet vastgesteld dat de opgevoerde bedreigingen met geweld afkomstig van erkend gewelddadige groeperingen volledig verzonnen waren, maar ook dat X geloofde dat ze echt waren en eveneens dat X geloofde dat de verdachten slechts optraden als bemiddelaars. Volgens het hof in deze zaak kan een leugenachtige waarschuwing dus wel degelijk bedreiging met geweld opleveren. Het hof vindt het kennelijk niet relevant dat de dreiging in de ogen van X niet uitging van de verdachten, maar van derden. In cassatie werd niet geklaagd over dit oordeel van het hof en de Hoge Raad heeft zich daarover niet uitgelaten. De Hoge Raad heeft niet ambtshalve ingegrepen, maar daaruit kan misschien niet meer worden afgeleid dan dat de Hoge Raad niet vindt dat hier onrecht is geschied.
Gemankeerde waarschuwingen
Zoals gezegd kunnen naast leugenachtige waarschuwingen gemankeerde waarschuwingen worden onderscheiden, dat wil zeggen waarschuwingen waarbij A B er – in strijd met de waarheid – van weet te overtuigen dat hij slechts een neutrale boodschapper is terwijl hij in werkelijkheid samenwerkt met de bedreigers of A het juist doet voorkomen dat hij samenwerkt met de bedreigers, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval is. Ook de situatie waarin A zich voordoet als neutrale bemiddelaar, maar in het geheel geen contact heeft met de bedreigers kan hier onder worden gebracht. Een gemankeerde waarschuwing kan volgens Lindenberg (die de gemankeerde waarschuwing een corrupte waarschuwing noemt) ook bedreiging met geweld opleveren. Hij onderbouwt dat standpunt met een arrest van de Hoge Raad van 26 juni 1973.15 De verdachte in die zaak was door het hof veroordeeld wegens poging tot afpersing. Hij had zich naar aanleiding van een schilderijenroof als tipgever bij de politie gemeld, vertelde de politie dat hij met de dieven in contact was gekomen en dat die dieven de door hen gestolen schilderijen zouden vernielen als niet voor een bepaald tijdstip fl. 31.000,– losgeld aan de verdachte zou worden overhandigd. De verdachte en de dieven hadden – zo bleek later – afgesproken dat zij het losgeld onderling zouden delen. Het verweer van de verdachte dat hij als ‘kleurloos tussenpersoon’ had gehandeld die geen enkele invloed had op de verwerkelijking van het dreigement, kon hier worden verworpen omdat het volgens de Hoge Raad onverschillig was van wie het initiatief tot bedreiging was uitgegaan en omdat gebleken was dat de verdachte zich bij het doen van zijn mededeling omtrent de bedreiging achter die bedreiging had gesteld. Met andere woorden: van een kleurloos tussenpersoon was in feite geen sprake. De verdachte bleek achteraf deel uit te maken van het complot. Ook wat deze zaak betreft stelt Knigge in zijn eerdergenoemde conclusie de vraag of wel van dwingen ‘door bedreiging met geweld’ kan worden gesproken als de verdachte bij de slachtoffers niet de indruk heeft gewekt dat hij enige invloed had op het al dan niet doorgang vinden van dat geweld. Wanneer die vraag bevestigend wordt beantwoord, kan dus ook het handig gebruikmaken van een niet verzonnen, door anderen geuite bedreiging ‘bedreiging met geweld’ opleveren. Daarvoor is, gelet op het arrest uit 1973, dan wel nodig dat de dader zich achter die bedreiging heeft gesteld. Knigge vraagt zich wel af wat dat betekent. Impliceert dat samenwerking of stelt de dader zich al achter de bedreiging als hij zonder dat sprake is van samenwerking probeert daarvan te profiteren? Het arrest uit 1973 geeft daarover geen uitsluitsel, maar eist in ieder geval niet expliciet dat sprake moet zijn van samenwerking. In zijn conclusie vóór het arrest uit 1973 lijkt Advocaat-Generaal Remmelink zich op het standpunt te stellen dat een dergelijke samenwerking niet noodzakelijk is. Volgens Remmelink was niet de dreigende vernietiging van de schilderijen (waarvan overigens niets zou zijn gebleken) maar het verhaal van de verdachte dat deze vernietiging dreigende was een essentieel onderdeel van de afpersingspoging. Voor dat verhaal had de verdachte de schilderijendieven niet nodig. De conclusie van Remmelink lijkt overigens ook te impliceren dat hij van mening is dat een verzonnen dreiging, dat wil zeggen een leugenachtige waarschuwing, tot bedreiging met geweld zou kunnen leiden.
Een ander voorbeeld van een gemankeerde waarschuwing is te vinden in HR 25 oktober 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP1834. De verdachte en zijn twee medeverdachten in die zaak hebben banden met een hennepkwekerij. Zij vermoeden dat ene M. betrokken is geweest bij een diefstal uit deze hennepkwekerij. Op 5 april 2007 bezoekt een van de medeverdachten de vader van M. in zijn winkel. Hij bedient zich van een alias, vertelt waarvan hij M. verdenkt en vraagt de vader om M. te vragen zijn telefoon aan te zetten. De volgende dag belt deze verdachte de vader van M. met de vraag of hij de boodschap heeft doorgegeven en de vraag of M. in het ouderlijk huis woont. Diezelfde dag spreekt deze verdachte de moeder van M., bij haar aan de deur. Hij zegt dat M. € 150.000,– heeft gestolen van zijn organisatie, die bepaalde middelen niet schuwt. Kort hierna belt hij haar op met de mededeling dat M. snel contact moet opnemen. Op 10 april 2007 gaan de drie verdachten samen met ene E. naar de ouderlijke woning. E., die zich voordoet als politieman, spreekt de ouders van M. in hun woning. Hij deelt mede dat er liquidaties gericht op M. en zijn vader op handen zijn. Om die te voorkomen, zou M. op een bepaald telefoonnummer contact moeten opnemen met de CIE. Primair werd aan de verdachte (deelneming aan) poging tot afpersing van de verblijfsgegevens van M. tenlastegelegd. Het hof sprak daarvan vrij, vermoedelijk omdat de vader de verblijfsgegevens al had verstrekt voordat de bedreigingen ter sprake kwamen. Het hof veroordeelde de verdachte wegens (deelneming aan) bedreiging (met liquidatie) van de vader. Voor de casus is voorts van belang dat de vader van M. op 11 april 2007 contact heeft gehad met de politie over de ophanden zijnde liquidaties waarvoor hij door E. werd gewaarschuwd. De politie vertelde hem dat E, de nepagent, in een werkelijk bestaand complot zat. Anders dan in het voorbeeld met de niet-bestaande mannen in de hal, is hier dus wel degelijk sprake van een dreiging. De nepagent probeert de ouders echter te misleiden omtrent zijn rol in het geheel.
In zijn conclusie stelt Knigge dat hier sprake was van een gemankeerde waarschuwing, waarbij de nepagent zich ten onrechte voordeed als een neutrale boodschapper. De vrees van de ‘bedreigde’ nam alleen maar toe toen hij de misleiding doorzag. De misleiding betrof niet het bestaan van de bedreiging waarvoor de nepagent waarschuwde, maar de betrokkenheid van de nepagent bij die bedreiging.
De Hoge Raad ging op dit alles niet in en oordeelde dat het oordeel van het hof dat sprake is geweest van een bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd, waarbij nog werd opgemerkt dat in het onderhavige geval is bewezenverklaard dat de verdachte “tezamen en in vereniging met anderen heeft gehandeld”. Kennelijk vond de Hoge Raad die laatste toevoeging nodig. Daaruit zou kunnen worden afgeleid dat de Hoge Raad het handelen van de verdachte zelf kennelijk niet genoeg vond voor een bewezenverklaring van bedreiging. Medeplegen of medeplichtigheid lijkt in een dergelijk geval overigens ingebakken. Als iemand van de club doet alsof hij een oprechte waarschuwer is, lijkt sowieso sprake van een samenwerkingsverband. Er is dan geen probleem om afpersing of bedreiging aan te nemen.
Een oprechte waarschuwing kan geen bedreiging opleveren, ook niet als het gevaar waarvoor wordt gewaarschuwd in werkelijkheid niet bestaat. Het gaat bij bedreiging immers om het effect dat de bedreiger heeft op de bedreigde. Vereist is dat de dader bij de bedreigde de indruk wekt dat hij invloed heeft op de verwezenlijking van de bedreiging. Als de bedreigde gelooft dat de dader een neutrale boodschapper is, zal dat niet het geval zijn. Degene die te goeder trouw waarschuwt, heeft zich voorts niet achter de (al dan niet bestaande) bedreiging gesteld.
Bij gemankeerde waarschuwingen kan dat anders zijn, maar daarbij moet een onderscheid worden gemaakt. Bij gemankeerde waarschuwingen waarbij de dader het ten onrechte doet voorkomen dat hij slechts een neutrale boodschapper is, geldt mijns inziens hetzelfde als voor oprechte waarschuwingen. Kennelijk daarom vond de Hoge Raad in zijn uitspraak van 25 oktober 201116 relevant dat de verdachte medepleger was en was voor de uitspraak van 26 juni 197317 van belang dat de verdachte zich achter de bedreigingen had gesteld. Voor gemankeerde waarschuwingen waarbij de dader gebruikmaakt van een bestaande bedreiging en jegens de bedreigde ten onrechte de indruk wekt dat hij invloed heeft op het al dan niet verwezenlijken van de bedreiging, geldt dan juist het omgekeerde.
Van de leugenachtige waarschuwing is het onzeker of die als bedreiging kan worden aangemerkt. De jurisprudentie van de Hoge Raad lijkt er tegen te pleiten. Toch heeft het hof Amsterdam in zijn arresten zoals weergegeven in de arresten van de Hoge Raad van 8 januari 2013 geoordeeld dat ook een leugenachtige waarschuwing bedreiging met geweld kan opleveren.18 Dat de dader bij de bedreigde de indruk wekt dat hij invloed heeft op de verwezenlijking van de bedreiging leek daar geen keiharde eis te zijn. Dat de dreiging in de ogen van het slachtoffer niet uitging van de verdachte, maar van derden, is in de ogen van het hof niet doorslaggevend. De Hoge Raad lijkt gelet op zijn arrest van 26 juni 1973 een dergelijke eis op zichzelf ook niet noodzakelijk te vinden.
Dat bepaalde gemankeerde en mogelijk ook de leugenachtige waarschuwingen geen bedreiging lijken te kunnen opleveren (en dus niet kunnen bijdragen aan een veroordeling wegens afpersing), betekent niet dat ze niet misleidend zijn. Leugenachtige en gemankeerde waarschuwingen zouden kunnen worden gekwalificeerd als een samenweefsel van verdichtsels en het doen van zulk soort waarschuwingen zou dus oplichting kunnen opleveren. Of sprake kan zijn van overlap tussen afpersing en oplichting kan op basis van het voorgaande niet worden verdedigd en ook niet worden uitgesloten. Het geldende recht is op dat punt niet helder. Uit de arresten van 8 mei 2013 kan niet met zekerheid de conclusie worden getrokken dat een leugenachtige waarschuwing bedreiging met geweld in de zin van art. 317 Sr kan opleveren, maar evenmin kan worden uitgesloten dat dit wel de opvatting van de Hoge Raad is. Daarbij komt dat er geen jurisprudentie is over de vraag of een leugenachtige waarschuwing oplichting kan opleveren. Hetzelfde geldt voor de gemankeerde waarschuwing.