De systematiek van de vermogensdelicten
Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/4.1:4.1 Inleiding
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/4.1
4.1 Inleiding
Documentgegevens:
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Van Bemmelen & Van Hattum 1954, p. 274.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het vorige hoofdstuk zijn vier belangrijke vermogensdelicten besproken, namelijk diefstal, afpersing, verduistering en oplichting. Zo op het eerste gezicht lijken de verschillende hiervoor besproken vermogensdelicten scherp van elkaar te moeten worden onderscheiden. Dat was ook de bedoeling van de wetgever. De verschillende delicten lijken hun bestaansrecht te ontlenen aan hun onderlinge grenzen. Bij de totstandkoming van die bepalingen heeft blijkbaar niemand zich er rekenschap van gegeven dat er overgangsgevallen zijn tussen wegnemen en het zich toe-eigenen van een goed dat de dader reeds onder zich heeft en het geval dat de zaak door de eigenaar, bezitter of houder min of meer vrijwillig wordt afgegeven, aldus Van Bemmelen.1 In dit hoofdstuk worden gevallen besproken die zich afspelen op de grenzen van de delicten. Daarbij zal blijken dat de voorstelling van zaken van de wetgever een te simpele was.