Einde inhoudsopgave
Morganatisch burgerschap 2019/2.5
2.5 Burgerschap en revolutie: soevereiniteit en politieke representatie
mr. G. Karapetian, datum 16-12-2019
- Datum
16-12-2019
- Auteur
mr. G. Karapetian
- JCDI
JCDI:ADS181192:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
R.R. Palmer, J. Colton, L. Kramer, A History of the Modern World (tenth edition), New York: McGraw-Hill, 2007, p. 170.
Ibid.
Ibid.
Idem, p. 172. De parlementen van de provincies daarentegen kwamen eens in de zoveel tijd bijeen.
Ibid.
Deze parlementen waren gedurende het ancien régime rechtsprekende instanties. Voor de Franse Revolutie had de Franse monarchie in totaal dertien van dergelijke parlementen, waarvan het parlement van Parijs het belangrijkste was. Zie nader H. Carré, La fin des Parlements (1788-1790), Paris: Hachette 1912; Alfred Cobban, ‘The “Parlements” of France in the Eighteenth Century’, History 1950, p. 64-80; G.W. Prothero, ‘The Parlement of Paris’, The English Historical Review, Vol. XIII, Issue L, 1898, p. 229-241.
Palmer, Colton, Kramer 2007, p. 173.
Ibid.
Ibid.
Voordat burgerschap een sleutelbegrip werd in de aanloop naar de Franse Revolutie, moest het echter eerst nog een andere historische ontwikkeling het hoofd bieden: het opkomend absolutisme na de Middeleeuwen. De in paragraaf 2.4 aan de orde gestelde vazalliteit, de gezagsverhouding van de vazal tot zijn leenheer, had tot gevolg dat de leenheren machtiger waren dan de koningen indertijd. Hier kwam na de Middeleeuwen verandering in, die het beste kan worden geïllustreerd aan de hand van de situatie in Frankrijk. De veelzijdigheid die de Renaissance in Noord-Italië met zich bracht voor wat betreft kunst en literatuur, werd na de Middeleeuwen als het ware overgedragen aan Frankrijk.1 Gedurende dit tijdvak leverde Frankrijk schilders als Nicholas Poussin en Claude Lorrain en schrijvers als Jean Racine die de aandacht voor kunst en literatuur vestigden op Frankrijk.2 Het was echter niet alleen kunst en literatuur wat Frankrijk in het vizier stelde, maar ook het sterke leger van Lodewijk XIV trok de aandacht naar de culturele, politieke en staatkundige ontwikkeling in Frankrijk.3 Ten aanzien van de staatkundige ontwikkeling in Frankrijk was het meest opmerkelijk dat het parlement – de États Généraux – buitenspel waren gezet door Lodewijk XIV.4 Hoewel de laatste vergadering van de États Généraux had plaatsgevonden in 1614, was het parlement juridisch echter niet afgeschaft. Meteen na de Vrede van Westfalen in 1648 vond de Fonde plaats; dit was een serie opstanden die werd geleid door de parlementen en de edelen.5 De parlementen,6 in het bijzonder het parlement van Parijs, drong in 1648 erop aan om bepaalde edicten inconstitutioneel te verklaren. Het gevolg hiervan was dat rellen uitbraken in Parijs en dat ter ondersteuning van de opstand de edelen hulp zochten bij Spanje.7 Dit zorgde voor het terugtrekken van de parlementen en van de burgerlijke bevolking uit de opstand.8 De rellen als gevolg van de Fonde zorgden ervoor dat de burgerij, teneinde de eigen veiligheid te waarborgen, zich uitsprak voor een sterke macht bij de koning.9 In 1661, na de dood van kardinaal Jules Mazarin, legde de 23-jarige Lodewijk XIV een plechtige verklaring – een daad van zelfacclamatie – af dat hij zelf de macht ging uitoefenen in Frankrijk. Voorheen was hij immers al koning. Lodewijk XIV bewerkstelligde een sterke centralisatie binnen de staat, met als gevolg dat er geen ruimte overbleef voor de feodale praktijk die ervoor had gezorgd dat private actoren de rol aannamen van publieke instituten en instellingen. De terminologie aangaande de verhouding tussen de burger en de staat veranderde in die zin dat de burger ‘onderdaan’ werd van de alleenheerser. Het ‘uitroeien’ van de feodale praktijk zorgde er echter niet voor dat de burger een vergelijkbare band kreeg met de alleenheerser, zoals deze gebruikelijk was in de eeuwen voor de Middeleeuwen tussen de burger en bijvoorbeeld de polis of de Italiaanse stadstaten. In de praktijk leek het burgerschapsbegrip nagenoeg verdwenen tot de Franse Revolutie. Dat wil echter niet zeggen dat in de politiek-filosofische literatuur dit begrip geen rol speelde. Integendeel; zoals in het navolgende zal blijken, hebben meerdere auteurs al dan niet zijdelings aandacht besteed aan de verhouding tussen de burger en zijn rechtsorde.
In deze paragraaf zal de rol van burgerschap gedurende (de eeuwen voor en de jaren na) de Franse Revolutie worden beschouwd. Hierbij staat, net als in de voorgaande paragrafen, de vraag centraal welke kenmerken werden toegevoegd of juist gewijzigd in het denken aangaande burgerschap. Ook wordt in dat kader aandacht besteed aan de wisselwerking tussen dit denken en de codificering ervan in het positieve recht.
2.5.1 De verzoening van soevereiniteit en burgerschap2.5.2 Politieke representatie, kiesrecht en vrij mandaat