Onwaardigheid
Einde inhoudsopgave
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.8.3:4.8.3 Vergelijking van beide zaken
Onwaardigheid (AN nr. 182) 2023/4.8.3
4.8.3 Vergelijking van beide zaken
Documentgegevens:
mr. M. de Vries, datum 01-09-2023
- Datum
01-09-2023
- Auteur
mr. M. de Vries
- JCDI
JCDI:ADS859200:1
- Vakgebied(en)
Erfrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hoewel de argumentatie van de Rechtbank Rotterdam in de eerste zaak een iets langere aanloop kent, ligt voor zowel de rechtbank als het Hof Den Haag het zwaartepunt bij de wens tot hereniging. In het oordeel van het hof is deze omstandigheid zelfs voldoende om zelfstandig de conclusie te kunnen dragen dat van ondubbelzinnige vergeving sprake is. Het gaat dus niet zozeer om het feit dat partijen daadwerkelijk weer zijn gaan samenwonen, maar om het uitspreken van de wens zich te willen herenigen door M.
In de tweede zaak ontbreekt een dergelijke uitlating. Dit maakt dat de uitspraken op het eerste gezicht niet onverenigbaar lijken. Daar staat echter tegenover dat in de tweede zaak wel vaststaat dat V graag wilde dat M weer bij haar kwam wonen. Ik vraag mij sterk af in hoeverre een wens tot hereniging verschilt van de wens weer met de onwaardige te willen samenwonen. Weer willen samenwonen komt in mijn ogen in de kern neer op een wens tot hereniging. Daar komt bij dat het mij – in navolging van de argumentatie van de Rechtbank Rotterdam – niet aannemelijk lijkt dat V zou willen dat M weer bij haar thuis kwam wonen, terwijl zij hem de mishandelingen niet heeft vergeven.
Dat niet vaststaat of M en V ook daadwerkelijk weer zijn gaan samenwonen, staat niet aan het aannemen van ondubbelzinnige vergeving in de weg. Gelet op de uitspraak van het Hof Den Haag betreft dit enkel een omstandigheid die het oordeel kan versterken, maar het is geen noodzakelijke voorwaarde om tot vergeving te komen. Evenmin vormt een belemmering dat V niet nadrukkelijk te kennen heeft gegeven M te vergeven. In paragraaf 4.4 is immers gebleken dat ondubbelzinnige vergeving niet inhoudt dat de vergeving expliciet moet geschieden. Gelet hierop had naar mijn mening de conclusie dat in deze zaak sprake is van ondubbelzinnige vergeving niet misstaan.
Wel ben ik met het Hof Arnhem-Leeuwarden van mening dat de omstandigheid dat het slachtoffer heeft verklaard dat beide partijen schuld hebben onvoldoende is voor ondubbelzinnige vergeving. Het bekennen van (een deel eigen) schuld en het schenken van vergiffenis zijn geen communicerende vaten.
Volgens Vandenbogaerde volgt uit de rechtspraak dat kenmerken van vergeving die voortvloeien uit een feitelijke toestand – en dus niet uitdrukkelijk is – zich laten samenvatten als afwijkingen van het verwachte normale gedragspatroon van het slachtoffer ten opzichte van de dader. Bijvoorbeeld de bereidheid van het slachtoffer om opnieuw met de dader samen te wonen, zoals in de zaak van het Hof Den Haag. Het normale verwachtingspatroon in het geval van onrecht is dat het slachtoffer de dader de gedraging verwijt en dat het onrecht de oorspronkelijke verhouding tussen de erflater en de onwaardige verstoort. De vergeving doorbreekt deze verwachting. Vandenbogaerde vervolgt dat niet elke doorbreking volstaat. De verandering in het gedragspatroon moet consequent, of in de woorden van artikel 4:3 lid 3 BW ondubbelzinnig, zijn. De betekenis hiervan mag niet worden onderschat, aldus Vandenbogaerde. Een erflater die uitdrukkelijk vergeeft bijvoorbeeld in de aanwezigheid van getuigen of schriftelijk de vergeving bevestigt, doet dat evenwel niet ondubbelzinnig als hij later toch nog nadelige gevolgen aan het onrecht wil verbinden. Het Hof Arnhem-Leeuwarden zou het voorgaande bevestigen.1
Aan de hand van dit kader verklaart Vandenbogaerde de verschillende uitkomsten in beide zaken. In de zaak van het Hof Arnhem-Leeuwarden is het willen voortzetten van de relatie tegen het verwachte gedragspatroon na onrecht en anderzijds dat zij dacht/schreef over echtscheiding conform het verwachte gedragspatroon. Van ondubbelzinnigheid is dan geen sprake.2 De verklaring die Vandenbogaerde geeft voor het verschil in uitkomst, overtuigt niet. Het Hof Arnhem-Leeuwarden merkt immers nadrukkelijk op dat twijfel over het voortbestaan van de relatie vergeving niet in de weg hoeft te staan. Wel kan de vraag of sprake is van een afwijking van het verwachte gedragspatroon behulpzaam zijn bij de beoordeling of van ondubbelzinnige vergeving sprake is. De Rechtbank Rotterdam past dit in zoverre ook toe door te bepalen dat het niet aannemelijk is dat M zich zou willen herenigen met V, terwijl hij haar de steekpartij niet heeft vergeven.