Startinformatie in het strafproces
Einde inhoudsopgave
Startinformatie in het strafproces 2014/3.4.3.6:3.4.3.6 Toetsen van de betrouwbaarheid van de informatie
Startinformatie in het strafproces 2014/3.4.3.6
3.4.3.6 Toetsen van de betrouwbaarheid van de informatie
Documentgegevens:
mr. dr. S. Brinkhoff, datum 29-09-2014
- Datum
29-09-2014
- Auteur
mr. dr. S. Brinkhoff
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 12 juli 1988, NJ 1988, 851 m.nt. EAA (Schenk v. Zwitserland).
Hof ‘s-Hertogenbosch 5 juni 2008, LJN BD3318.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Naast het toetsen van de rechtmatigheid van (het gebruik van) de door een opsporende burger verkregen informatie, dient de rechter ook de betrouwbaarheid van deze gegevens te verifiëren. In de gepubliceerde jurisprudentie is deze uit te voeren toets nauwelijks zichtbaar. Oorzaak hiervan kan zijn dat de verdediging hieromtrent geen verweer voert. Het arrest van het EHRM in de zaak Schenk is een van de weinige voorbeelden waarin de genoemde toets naar voren komt.1 In casu benadert Schenk een persoon met het verzoek zijn vrouw te doden. Deze persoon benadert vervolgens Schenk’s vrouw en samen stappen zij naar de onderzoeksrechter. De man overhandigt dan een op een bandje opgenomen telefoongesprek waarin Schenk het bewuste verzoek doet. Het opgenomen telefoongesprek wordt door de rechter voor het bewijs gebruikt. Het EHRM overweegt dat dit geen schending van art. 6 EVRM oplevert, nu de verdediging de authenticiteit van het bewijs heeft kunnen aanvechten en in staat is gesteld de maker van de opname en de politiechef dienaangaande te horen. Van belang is in de ogen van het EHRM voorts dat het opgenomen telefoongesprek niet het enige bewijsmiddel is.
Een voorbeeld uit de Nederlandse jurisprudentie waarin de verdediging de betrouwbaarheid ter sprake brengt, is te vinden in een arrest van het Hof ‘s-Hertogenbosch.2 In casu laat een, al dan niet vermeend, incestslachtoffer opnameapparatuur inbouwen in haar schooltas. Met deze schooltas gaat zij naar de latere verdachte en confronteert hem met het misbruik. Het slachtoffer werkt vervolgens het gesprek tussen hen uit en overhandigt deze uitwerking aan de politie tijdens het doen van aangifte. De verdediging stelt vervolgens dat de uitwerking van het gesprek van het bewijs moet worden uitgesloten, nu niet zeker is dat er stukken zijn weggelaten uit de opname of de uitwerking daarvan. Het hof verwerpt dit verweer en overweegt dat de verdachte niet concreet heeft kunnen maken dat de opname is gemanipuleerd. Bovendien overweegt het hof uit eigen waarneming vast te hebben gesteld dat de uitwerking van het gesprek een getrouwe weergave is van de inhoud van de opname. Het hof oordeelt dat de uitwerking en de gespreksopname dan ook betrouwbaar zijn en gebruikt de uitwerking voor het bewijs.
Uit de schaarse gepubliceerde jurisprudentie op dit punt lijkt het volgende te kunnen worden gedestilleerd. In het geval het door een opsporende burger verkregen materiaal voor het bewijs wordt gebruikt, dient dit materiaal te worden getoetst zoals elk ander bewijsmiddel. De vraag op welke wijze de betrouwbaarheid moet worden geverifieerd wanneer deze informatie alleen als startinformatie wordt gebruikt, blijft echter onbeantwoord. Dit terwijl ook dergelijk gebruik risico’s met zich kan brengen. De opsporende burger kan immers bewust of onbewust valse (gemanipuleerde) informatie verstrekken aan politie en OM. Mocht deze valse informatie vervolgens niet op betrouwbaarheid worden getoetst, dan kan dat ertoe leiden dat onschuldige burgers ten onrechte te maken krijgen met ingrijpend overheidsoptreden. Om het risico hierop te verkleinen dienen politie en OM dergelijke startinformatie altijd te verifiëren middels nader onderzoek alvorens een dwangmiddel wordt toegepast. De verplichting tot het verrichten van dit onderzoek vloeit evenzeer voort uit het in het tweede lid van art. 8 EVRM besloten liggende subsidiariteitsbeginsel. De resultaten van dit nadere onderzoek dienen in een proces-verbaal te worden vastgelegd. De zittingsrechter vervult in deze achteraf een belangrijke toetsende rol. Hij is immers degene die achteraf een oordeel uitspreekt over het feit of de informatie van een opsporende burger en de resultaten van aanvullend onderzoek het aanwenden van een dwangmiddel rechtvaardigt en die bij een negatief oordeel op dit punt over dient te gaan tot strafprocessuele sanctionering.