Einde inhoudsopgave
De rol van de paritas creditorum bij een faillissement 2023/5.6.2.1
5.6.2.1 Jurisprudentie
mr. M.J. Noteboom, datum 31-05-2022
- Datum
31-05-2022
- Auteur
mr. M.J. Noteboom
- JCDI
JCDI:ADS686152:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Wessels VI 2020, p. 1 , Polak/Pannevis 2022/16.4.1 en Leuftink 1995, p. 255. Volledigheidshalve meld ik nog dat in het kader van een surseance van betaling de toepasselijkheid van de paritas creditorum in artikel 233 Fw is neergelegd. Een dergelijke bepaling is in het kader van een faillissement niet in de Faillissementswet opgenomen. Daar geldt echter de rechtstreekse toepassing van artikel 3:277 BW (zie nader hierover paragraaf 3.1).
De in deze rechtspraak ontwikkelde norm wordt door Wessels aangehaald als de heersende maatstaf. Zie Wessels VI 2020, p. 76-77. Pannevis 2019, p. 488 stelt “de homologatie hoeft niet te worden geweigerd zolang de afwijking van de paritas creditorum niet “tot grote onbillijkheid jegens de overige schuldeisers” leidt of als daarvoor een rechtvaardiging bestaat”. Vgl. Soedira 2011, p. 104, die naar aanleiding van de door haar besproken jurisprudentie het standpunt inneemt dat de paritas creditorum in het kader van een dwangakkoord als hoofdregel in acht dient te worden genomen, tenzij een specifieke rechtvaardigingsgrond kan worden aangewezen, die een afwijking rechtvaardigt. Zie ook Vriesendorp & Salah 2021, p 44.
Naar mijn mening merkt Tollenaar terecht over deze maatstaf op: “De toets dat het akkoord niet tot “grote onbillijkheid” mag leiden, is een willekeurig toepasbaar criterium dat geen hanteerbaar beoordelingskader geeft.” Zie randnummer 8 van zijn annotatie bij het arrest van het Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5413, JOR 2015/317 (Spyker II).
Rb. Utrecht 9 augustus 1989, NJ 1990/399 (Breevast) en Hof Amsterdam 30 november 1938, NJ 1939, p. 1982. Soedira 2011, p. 18 wijst erop: “In vroegere jurisprudentie was ongelijke behandeling van gelijkgerechtigde schuldeisers binnen een akkoord, een reden voor de rechter de homologatie ervan te weigeren. Latere jurisprudentie laat echter zien dat niet elke ongelijke behandeling van schuldeisers behoeft te leiden tot weigering van de homologatie.” Zie voor een voorbeeld van de vroegere jurisprudentie: Rb. Leeuwarden 16 december 1926, NJ 1927/564. Het betrof een conceptakkoord waarbij aan de concurrente schuldeisers verschillende uitkeringspercentages werden uitgekeerd. De rechtbank overweegt in dit verband: “O. dat hiermee op het beginsel van de paritas creditorum inbreuk wordt gemaakt en de Rechtbank op dien grond deze bepaling ongeoorloofd acht en ook hierin een principieel bezwaar tegen de homologatie van het akkoord ziet.”.
Hof Arnhem-Leeuwarden, 21 juli 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:5413, JOR 2015/317, (Spyker II), onder 3.44.
Hof Amsterdam 5 november 2005, ECLI:NL:GHAMS:2005:AZ8881, JOR 2007/51, (Carrier 1). In dit arrest wordt een akkoord gehomologeerd waarbij één concurrente crediteur 5,6% van haar vordering ontvangen en de overige concurrente crediteuren 33% van hun vordering.
Hof ‘s-Hertogenbosch, 29 oktober 1997, ECLI:NL:GHSHE:1997:AD2797, JOR 1998/33, (Combifleur).
Rb. Rotterdam 18 december 2018, JOR 2019/112.
Hierna ga ik in op de relevante rechtspraak om te beoordelen in hoeverre de paritas creditorum een functie heeft in het kader van een faillissementsakkoord. Bij deze bespreking betrek ik ook de jurisprudentie die op dit vlak is gewezen in het kader van het surseance-akkoord. Er is namelijk geen aanleiding aan te nemen dat in het kader van een faillissementsakkoord anders geoordeeld moet worden voor wat betreft de rol van de paritas creditorum. De bepalingen over het akkoord in het kader van een surseance van betaling zijn ontleend aan de bepalingen over het faillissementsakkoord. In de literatuur is het daarom ook gebruikelijk om bij een bespreking van jurisprudentie in het kader van een faillissementsakkoord, het onderzoek naar de toepasselijke maatstaf bij de homologatie uit te breiden naar vergelijkbare jurisprudentie op het vlak van de surseance van betaling.1
Een richtinggevende uitspraak van de Hoge Raad waarin wordt uitgemaakt of de paritas creditorum een functie heeft (en zo ja welke functie) in het kader van een faillissementsakkoord ontbreekt. Uit de lagere rechtspraak volgt dat de paritas creditorum een rol heeft bij de rechterlijke toetsing van een akkoord in het kader van de homologatie. De rechtspraak is echter niet éénduidig voor wat betreft de maatstaf die moet worden gehanteerd.
Zo zijn er uitspraken (onder meer van de rechtbank Utrecht)2 waarin bij de beoordeling van een akkoord de maatstaf wordt aangelegd dat een inbreuk op de paritas creditorum mag worden gemaakt, tenzij deze doorbreking leidt tot grote onbillijkheid3 jegens de overige schuldeisers.4 Het Hof Arnhem-Leeuwarden lijkt een striktere maatstaf aan te leggen. Het Hof overweegt namelijk: “Het beginsel van de paritas creditorum betekent echter niet dat alle crediteuren steeds gelijk behandeld moeten worden. Als maatstaf heeft te gelden dat de doorbreking van de paritas creditorum niet tot grote onbillijkheid jegens de overige schuldeisers mag leiden en dat voor eventueel onderscheid tussen schuldeisers in ieder geval redelijke en objectieve gronden aanwezig moeten zijn”.5 Naast de omstandigheid dat de doorbreking niet tot grote onbillijkheid mag leiden jegens de overige schuldeisers, moeten volgens het Hof dus ook redelijke en objectieve gronden aanwezig zijn voor het gemaakte onderscheid. Het Hof Amsterdam hanteert als maatstaf dat in het kader van een aan te bieden akkoord slechts in bijzondere omstandigheden een ongelijke behandeling van schuldeisers gerechtvaardigd kan zijn.6 Het Hof ’s-Hertogenbosch7 homologeert een akkoord waarbij de paritas creditorum niet in acht is genomen. Er vindt echter geen toetsing plaats waarbij de paritas creditorum een rol speelt. Het Hof oordeelt dat slechts de verplichting bestond de homologatie te weigeren, wanneer de bij de wet vereiste meerderheid van stemmen was verkregen door begunstiging. De rechtbank Rotterdam8 houdt als maatstaf aan dat een doorbreking van de paritas creditorum geoorloofd is, tenzij de redelijkheid en de billijkheid hieraan in de weg staat.
De conclusie is dat uit de besproken jurisprudentie volgt dat in het kader van een akkoord als uitgangpunt de paritas creditorum in acht moet worden genomen, maar dat in mindere of in meerdere mate (een éénduidige maatstaf ontbreekt) een inbreuk op de paritas creditorum toelaatbaar is.
De aangehaalde jurisprudentie roept vragen op over de wijze waarop de paritas creditorum wordt toegepast. Het begrip: “paritas creditorum” wordt in deze maatstaf namelijk niet gebruikt in de zin van artikel 3:277 BW waarbij de paritas creditorum een verdelingsregel is die – indien van toepassing in het kader van de verdeling van de netto-opbrengst– een harde regel vormt waarop geen uitzonderingen kunnen worden toegestaan. De in de hiervoor besproken jurisprudentie aangelegde regel(s) is (zijn) immers geen harde regel(s), maar een regel(s) waarvan – weliswaar binnen een bepaalde bandbreedte – kan worden afgeweken. De paritas creditorum heeft in het kader van de homologatie van een akkoord derhalve een functie, maar dit is een andere functie dan in het kader van bijvoorbeeld de reguliere uitdelingsprocedure.
Op het eerste gezicht is het wellicht merkwaardig dat in de jurisprudentie die is gewezen in het kader van de homologatie van een akkoord, de paritas creditorum niet dezelfde functie heeft als in het kader van bijvoorbeeld de reguliere uitdelingsprocedure. Om de functie van de paritas creditorum in het kader van het akkoord beter te begrijpen, geef ik hierna een verklaring voor het verschil in werking bij een reguliere uitdelingsprocedure en bij een akkoord. Hierbij zal ik tevens aandacht besteden aan de vraag welke andere functie – ten opzichte van de verdelingsfunctie bij de reguliere uitdelingsprocedure – de paritas creditorum bij een akkoord heeft.