Einde inhoudsopgave
De systematiek van de vermogensdelicten 2017/3.4.2.1
3.4.2.1 Afpersing
mr. V.M.A. Sinnige, datum 02-01-2017
- Datum
02-01-2017
- Auteur
mr. V.M.A. Sinnige
- Vakgebied(en)
Materieel strafrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Notulen Staatscommissie I, p. 402.
Notulen Staatscommissie III, p. 286.
Notulen Staatscommissie I, p. 404 en Notulen Staatscommissie I, p. 422.
De Wal 1875, p. 51.
Smidt II, p. 530.
Smidt II, p. 530-532. Deze uitdrukking is deels ruimer dan “oogmerk van wederregtelijke bevoordeling” omdat zij ook “het aangaan van een schuld enz” beheerst. Zij is deels ook enger, omdat hier de lucri animus (d.i. oogmerk van bevoordeling) wordt geëist. De Minister heeft er met nadruk op gewezen dat ook discussies in buitenlandse wetgevende vergaderingen, te weten in Duitsland, Zürich en Hongarije, hebben geleid tot het eisen van het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening bij diefstal met geweld en het oogmerk om zichzelf of een ander wederrechtelijk te bevoordelen bij afpersing. Groot voordeel hiervan is, aldus de Minister, dat op dit punt in Nederland ook buitenlandse jurisprudentie zal kunnen worden geraadpleegd, zie H.J.Smidt, II, p. 530-532.
De Commissie De Wal wilde aanvankelijk diefstal met geweld en afpersing in dezelfde afdeling behandelen1 , maar kwam daar later op terug. De samenvoeging met diefstal, waartoe onwillekeurig in navolging van de Code Pénal en het Duitse wetboek was gekomen, was wetenschappelijk niet aan te bevelen, al constateerde de Commissie wel dat de bewuste feiten in de praktijk vaak nauw aan elkaar grenzen. De Commissie was van mening dat door de scheiding ook het begrip van wegnemen als vereiste voor diefstal duidelijker zal uitkomen. Aldus werd voorgesteld van ‘afpersing en afzetterij’ een afzonderlijke titel te maken.2 Afpersing is aanwezig, zodra de dwang (geweld of bedreiging) strekt tot verkrijging van de afgifte van een zaak, het aangaan van een schuld of het kwijten van een inschuld.3 Over de vraag wat precies onder ‘afgifte’ moet worden verstaan heeft de Commissie zich niet uitgelaten.
De Commissie stelde zich in art. 350 van het ontwerp de strafbaarstelling van afpersing aldus voor:
“Hij die door geweld of bedreiging met geweld iemand dwingt hetzij tot de afgifte van eenig goed dat geheel of ten deele aan dezen of aan een derde toebehoort, met het oogmerk om het zich wederregtelijk toe te eigenen, hetzij tot het aangaan van eene schuld of het te niet doen van eene inschuld, wordt, als schuldig aan afpersing, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zeven jaren en zes maanden.”4
In art. 344 van het O.R.O. werd dit voorstel ongewijzigd overgenomen. Blijkens de memorie van toelichting was de regering van mening dat vergelijking van het afpersingsartikel met art. 312 Sr (diefstal met geweld) het onderscheid tussen geweldpleging en afpersing duidelijk doet uitkomen. In art. 312 Sr wordt gevorderd dat enig goed is weggenomen, hier daarentegen dat dwang tot afgifte heeft plaatsgehad. In het ene geval is de wegneming vergezeld of voorafgegaan door het geweld of bedreiging met geweld; in het andere is geweld het middel waardoor de afgifte wordt verkregen.5 Maar over de vraag wat precies onder ‘afgifte van eenig goed’ moet worden verstaan, geeft de wetsgeschiedenis geen duidelijkheid. In het ontwerp van de Commissie De Wal en het O.R.O. werden nog een aantal strafverzwarende omstandigheden genoemd. Deze hebben de uiteindelijke wet niet gehaald. Volstaan is met een verwijzing naar de strafverzwarende omstandigheden van art. 312 Sr en het verhogen van het strafmaximum tot negen jaren.
Opmerking verdient nog dat anders dan bij diefstal (met geweld) voor afpersing geen oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening is vereist. Na kennisneming van het Verslag van de Tweede Kamer heeft de regering dat oogmerk vervangen door ‘het oogmerk om zich of een ander wederregtelijk te bevoordeelen’, zodat het oogmerk ook het tweede gedeelte van het artikel (‘hetzij tot het aangaan van eene schuld of het te niet doen van eene inschuld’) kon omvatten.6