Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.5.4.1
16.5.4.1 Matiging bij bestaande onzekerheden (Hoge Raad)
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940248:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
HR 18 januari 2008, V-N 2008/6.4, BNB 2008/165, NTFR 2008/157, r.o. 3.6.5 en 3.6.8. Zie ook paragraaf 9.3.3.3.1.
HR 18 januari 2008, V-N 2008/6.4, BNB 2008/165, NTFR 2008/157, r.o. 3.6.8. Hof Amsterdam 14 februari 2005, V-N 2005/33.8 had enige tijd voor het wijzen van dat arrest al eens fors gematigd wegens vaststelling van de grondslag met toepassing van de omkering. Zie ook HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.11.5.
Zie paragraaf 14.4.4.3.3.
HR 17 februari 2012, V-N 2012/12.5, BNB 2012/119. Het is dus geen zelfstandige grond voor vermindering van de boete, zoals de overschrijding van de redelijke termijn van art. 6 EVRM dat wél is (zie HR 5 december 2008, BNB 2009/177, V-N 2008/59.9).
HR 24 oktober 2008, V-N 2008/54.9, BNB 2008/308, NTFR 2008/2099, r.o. 3.3, HR 20 februari 2009, BNB 2009/118, r.o. 3.1.2. Zie voor enkele voorbeelden waarin de feitenrechter dat doet Rb Den Haag 18 september 2012, r.o. 27, kenbaar uit Hof Den Haag 24 januari 2014, V-N 2014/19.5, alsmede Hof 's-Hertogenbosch 21 september 2018, V-N 2019/6.29.7, r.o. 4.10 (geen matiging omdat de grondslag ook zonder omkering aannemelijk is) en in dezelfde zin Hof Amsterdam 16 mei 2019, V-N 2019/38.17, r.o. 4.11 (geen matiging omdat de onzekerheid gering is).
HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945 en HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946. Zie met name paragraaf 9.3.3.3.2 en voorts paragraaf 16.6.2 hierna.
Zie over de achtergrond en opzet van de modelmatige benadering r.o. 4.4.2 tot en met 4.4.8 uit HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.6.1.
Dat is naar mijn mening in beginsel evenzeer het geval als de rechter een niet-redelijke schatting van de inspecteur vervangt door zijn eigen, wél redelijke schatting (zie paragraaf 7.4.5.2).
Vgl. in dit verband de vele andere mogelijke gevallen waarin er onzekerheid bestaat omtrent de exacte omvang van de materiële belastingschuld, behandeld in paragraaf 14.4.4.3.3.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.6.3.
Zie over het gebruik van een aan het zwijgen van de boeteling ontleend vermoeden paragraaf 10.2.4.
Zie paragraaf 9.3.1 en paragraaf 11.2.4.1. Uit een eerdere overweging blijkt dat de Hoge Raad dit ook erkent: de omstandigheid dat een belastingplichtige inzage weigert, levert als zodanig geen bewijs op van een beboetbaar feit, HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.5.2. Zie daaromtrent nader paragraaf 10.2.4.2.
Mede in het licht van het principiële onderscheid dat de Hoge Raad in BNB 2008/165 maakte tussen het kale beboetbare feit enerzijds en de strafmaat anderzijds was een toelichting van de Hoge Raad welkom geweest.
Feteris 2007, p. 317 stipte dit reeds aan nadat in de feitenrechtspraak van vóór BNB 2008/165 een matiging wegens omkering had plaatsgevonden.
HR 16 september 2005, BNB 2006/111, r.o. 3.4. Zie omtrent dit opvallende oordeel nader paragraaf 11.2.4.1.
Als de schatting van de inspecteur niet redelijk is, zal de rechter een vervangende schatting doen (zie paragraaf 7.4.5.2).
Hof Arnhem 22 maart 2011, NTFR 2011/1149, Hof Arnhem 23 oktober 2012, V-N 2013/6.10, Rb ’s-Gravenhage 30 november 2012, V-N 2013/8.9. Ook A-G IJzerman achtte een dergelijke aanpak aanvaardbaar, zie Conclusie A-G IJzerman 28 oktober 2009, NTFR 2010/198. Vgl. ook Hof Den Haag 24 januari 2014, V-N 2014/19.5 (de correcties waren reeds op grond van de reguliere bewijslastverdeling terecht opgelegd).
Hof Amsterdam 3 maart 2011, NTFR 2011/1020.
De Hoge Raad greep in een vergelijkbaar geval niet in. In de casus die leidde tot het richtlijnenarrest voor beboeting in KBLux-zaken (HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, zie paragraaf 10.4) had de rechtbank, onder verwijzing naar BNB 2008/165, de boetes met 15 % gematigd. Het Hof draaide die matiging terug vanwege de geringe kans op bestaande onzekerheden in die grondslag (zie r.o. 4.6.7 en 4.6.8 van de Hofuitspraak van (eveneens) Hof Amsterdam van 11 augustus 2011). Zie cassatiemiddel VIII.
De grondslag voor de boete is, overeenkomstig de bedoeling van de wetgever, gelijk aan de feitelijk geheven belasting. Dat geldt naar het oordeel van de Hoge Raad ook als die feitelijk geheven belasting is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast.1 Toch gaf de Hoge Raad daarbij aan dat van een één-op-één doorwerking niet altijd sprake hoeft te zijn. De rechter dient namelijk steeds te beoordelen of een opgelegde vergrijpboete, gelet op de omstandigheden van het geval, een passende en ook geboden sanctie is voor het vergrijp dat is begaan. Tot de daarbij in aanmerking te nemen omstandigheden behoort ‘de wijze waarop de hoogte van de verschuldigde belasting is komen vast te staan’, waaronder ook valt dat die hoogte is vastgesteld met toepassing van de omkering van de bewijslast.2 De wijze van vaststelling weegt dus mee bij de volle rechterlijke toetsing van de hoogte van boete.3 In een later gewezen arrest heeft de Hoge Raad bevestigd dat de omkering van de bewijslast niet in alle gevallen moet leiden tot vermindering van de boete.4 De feitenrechter is wel verplicht om de omstandigheid dat de grondslag is vastgesteld met toepassing van de omkering kenbaar te laten meewegen bij zijn passend en geboden-oordeel.5
In de eerder besproken KBLux-arresten uit 2011 heeft de Hoge Raad de rechtsgrond voor matiging bij toepassing van de omkering toegelicht.6 In de betreffende casus was de redelijke schatting van de inkomsten en vermogens van zogeheten weigeraars (die geen informatie hadden gegeven) via een modelmatige benadering gebaseerd op gegevens van zogenoemde meewerkers (die wél inzage in hun inkomsten en vermogens hadden gegeven).7 Het Hof hield er bij de straftoemeting ten aanzien van de weigeraars vervolgens rekening mee, dat de grondslag voor de boete gebaseerd was op gegevens van derden en dat daarbij een grote onzekerheidsmarge (in het voordeel van de Belastingdienst) was aangehouden. Daarom verminderde het Hof de boete met 20 %. Het tegen die vermindering gerichte cassatiemiddel, dat inhield dat de belastingplichtige door open kaart te spelen toch eenvoudig een eind zou kunnen maken aan de bestaande onzekerheden, vond bij de Hoge Raad geen genade.8 Doorslaggevend was dát er door de redelijke schatting nu eenmaal onzekerheden in de boetegrondslag waren begrepen.9 De onwil om mee te werken is in dat licht niet van belang: de bestaande onzekerheden worden daardoor immers niet minder groot.10
De Hoge Raad overwoog in dit verband dat bij de beoordeling van de hoogte van de boete aan het gebrek aan medewerking van de boeteling geen betekenis kan worden toegekend.11 Ik vermoed dat de Hoge Raad zich hierbij heeft laten leiden door het nemo tenetur-beginsel.12 De bescherming van dat beginsel geldt echter slechts voor de elementen van de delictsomschrijving (de vraag óf de boeteling het beboetbare feit heeft begaan),13 maar strekt zich niet uit naar de strafmaat (de vraag hoe hoog zijn straf zou moeten zijn).14 Ook in de literatuur is daar op gewezen.15 Wel heeft de Hoge Raad eerder in vergelijkbare zin geoordeeld, en wel binnen het kader van het nemo tenetur-beginsel zelf: eigen verklaringen van de boeteling mochten volgens de Hoge Raad (ook) niet worden gebruikt voor de onderbouwing van de strafmaat.16 Het oordeel uit de KBLux-arresten is dus op zichzelf wel consistent en, omdat het verder gaat dan het EVRM vereist, niet problematisch.
Het bestaan van onzekerheden in de boetegrondslag is dus essentieel voor een eventuele matiging. Het omgekeerde gaat ook op: zonder onzekerheden in de grondslag is er geen aanleiding om te matigen. De onzekerheden kunnen bijvoorbeeld reeds zijn gereduceerd doordat de inspecteur (of de rechter17) ruimhartige, neerwaartse correcties heeft toegepast in het kader van zijn redelijke schatting, zodat aannemelijk is dat de boetegrondslag eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. In dergelijke gevallen is er geen aanleiding om de boete te matigen wegens toepassing van de omkering.18 In een KBLux-zaak oordeelde Hof Amsterdam dat de mogelijkheid dat een schatting aan de hand van in de markt gehanteerde rentepercentages en feitelijk gehouden tegoeden te hoog is, zo gering was dat matiging van de boete niet nodig was.19 Als er slechts een betrekkelijk geringe onzekerheid in de boetegrondslag schuilt, kan matiging dus achterwege blijven.20