Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/16.5.4.2
16.5.4.2 Bepaling van de omvang van de matiging
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940665:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.6.1, waarin het Hofoordeel in stand werd gelaten.
Aldus ook De Bont zijn noot bij HR 18 januari 2008, BNB 2008/165 (punt 3 (viii)). Hij merkt op dat de aanwijzing van de Hoge Raad niet eenvoudig toepasbaar zal zijn. In dezelfde zin: Van Suilen in zijn Commentaar bij HR 24 oktober 2008, NTFR 2008/2099.
Vgl. Koopman 1996, p. 204-205, die ook een dergelijke herberekeningssystematiek voorstond, alsmede het voorbeeld dat Albert hanteert in Albert 2005, p. 174.
In paragraaf 16.4.2 kwam een dergelijke herberekeningsmethodiek overigens reeds aan de orde: daar ging het om gevallen waarin het nemo tenetur-beginsel de doorwerking van de omkering verhindert.
Zie Albert 2005, p. 174-175, Koopman, Poelmann & Rosier 2008, p. 28, Van Suilen 2008-II, par. 6, en A-G Wattel in zijn Conclusie van 16 mei 2008, NTFR 2008/1201. Zie voorts Van Suilen in zijn Commentaar bij HR 24 oktober 2008, NTFR 2008/2099. In haar aantekening bij HR 17 februari 2012, V-N 2012/12.5 huldigt de Redactie Vakstudie-Nieuws een andersluidende opvatting: volgens de Redactie heeft de Hoge Raad bedoeld te zeggen dat de toepassing van de omkering niet hoeft te leiden tot een lagere boete dan de boete die passend en geboden zou zijn geweest ingeval er geen omkering had plaatsgevonden. Naar mijn mening berust deze opvatting op een verkeerde lezing van het arrest.
Zie daaromtrent nader paragraaf 16.6.2.
HR 15 maart 2013, V-N 2013/16.4, BNB 2013/140, FED 2013/44. Zie het cassatieberoepschrift (middel III).
De alternatieve berekeningswijze die het Hof had gehanteerd, was gebaseerd op het geschatte minimaal aanwezige saldo. Thomas kan slechts gissen naar de beweegredenen van het Hof, zie zijn noot bij HR 15 maart 2013, FED 2013/44. Uit annotaties bij oudere arresten (dus voordat de Hoge Raad de door de staatssecretaris voorgestane methode had afgewezen) komt een voorzichtige houding naar voren. Vgl. de opvatting van Van Elk in zijn noot bij HR 18 januari 2008, NTFR 2008/157, die dicht bij die van de staatssecretaris bleef. Ook volgens Van de Merwe ging een herberekening ‘misschien wel erg ver’, zie zijn noot bij HR 25 april 2008, NTFR 2008/871.
In deze zin overwoog ook Hof Amsterdam 5 januari 2009 (kenbaar uit HR 15 oktober 2010, BNB 2011/9), r.o. 2.5.21 (zie ook r.o. 2.5.22-2.5.24). Overigens meen ik dat de boeteling het tegenbewijs niet per se aannemelijk hoeft te maken. Het niveau van geloofwaardigheid dat de inspecteur bij positieve heffingscomponenten heeft behaald (aannemelijk maken) kan immers ook onderuit worden gehaald door stellingen die zelf niet aan die gradatie voldoen, zie paragraaf 7.3.7.4.2.
Als de inspecteur in het kader van het bewijs van de toepasselijkheid van de omkering een lager bedrag aannemelijk heeft gemaakt dat (in relatieve en absolute zin) voldoende groot is om de omkering te rechtvaardigen, kan voor de boetegrondslag naar mijn mening worden aangesloten bij dat lagere bedrag.
Zie paragraaf 7.4.3.
HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946, r.o. 4.6.3. Zie paragraaf 16.5.4.1 hiervoor.
Ook in dat kader wordt de boete zoals die oorspronkelijk (zonder matiging) zou zijn opgelegd met een vast percentage verminderd (bijvoorbeeld 10 % van de oorspronkelijk opgelegde boete). Zie HR 19 december 2008, V-N 2008/62.7, en voorts Feteris 2007, p. 380.
Aldus ook de redactie van Vakstudie-Nieuws in haar aantekening bij HR 17 februari 2012, V-N 2012/12.5. Zie bijvoorbeeld de matiging van 20 % (van de oorspronkelijke 100 %, dus in dit geval tevens 20 %-punten), toegepast door het Hof in HR 15 april 2011, BNB 2011/206, NTFR 2011/945 en HR 15 april 2011, V-N 2011/20.4, BNB 2011/207, NTFR 2011/946.
Zie bijvoorbeeld Hof Den Haag 13 april 2016, V-N 2016/38.5 (inkomsten uit cocaïnesmokkel), waarin de matiging 10 %-punt betrof (20 % van het uitgangspunt van 50 %, uiteindelijk dus 40 % boete), alsmede Rb Den Haag 24 november 2016, V-N 2017/7.5, r.o. 26 en 29 (inzake verzwegen inkomsten uit hennepkweek, na een strafrechtelijke veroordeling terzake), Hof Amsterdam 22 mei 2018, V-N 2018/56.19, r.o. 6.3 (verzwegen omzet coffeeshop) en Hof ‘s-Hertogenbosch 4 december 2020, V-N 2021/11.23.3, r.o. 4.26 (verzwegen inkomsten besteed aan ingrijpende verbouwing woonwagen). In de casus die leidde tot HR 8 juni 2018, V-N 2018/31.25, had de rechtbank een matiging van slechts 5 % toegepast (die door de boeteling begrijpelijkerwijs werd bestreden). Ook Hof ’s-Hertogenbosch 20 januari 2017, V-N 2017/22.1.2, r.o. 4.8, paste een matiging van slechts 5 % toe (zie voor de afloop HR 30 juni 2017, NTFR 2017/1667, art. 81 Wet RO).
De primaire bewijslast rustte in zulke gevallen al op de boeteling, zie daarover nader paragraaf 7.4.4.2.4.
Zie de Hofuitspraak die heeft geleid tot HR 23 december 2022, V-N 2023/2.22, BNB 2023/37 (zie r.o. 4.25.1, 4.26.1 en 4.27 van de Hofuitspraak).
Zie bijvoorbeeld Rb Zeeland-West-Brabant 6 januari 2023, V-N 2023/14.26.17, r.o. 3.25 (matiging met 25 %), Hof ’s-Hertogenbosch 26 februari 2021, V-N 2021/22.1.1, r.o. 4.17, matiging met 15 %) en Hof ’s-Hertogenbosch 17 september 2015, FutD 2015-2429, r.o. 4.17 (matiging met 10 %).
Als de toepassing van de omkering, gelet op de daardoor bestaande onzekerheden in de boetegrondslag aanleiding geeft tot matiging, rijst de vraag op welke wijze en aan de hand van welke normen die matiging moet worden bepaald. De Hoge Raad heeft zich daarover tot op heden niet uitgelaten. In verband met de volle rechterlijke toetsing van de strafmaat zal dat ook pas gebeuren wanneer de feitenrechter een onbegrijpelijke of ontoereikende motivering geeft betreffende de omvang van de vermindering.1 Dat betekent dat er geen duidelijke richtlijn voorhanden is om de omvang van de eventuele matiging te bepalen.2
Naar mijn mening is dat alleen mogelijk door een fictieve herberekening van de heffing als boetegrondslag uit te voeren.3 Hiermee bedoel ik dat, louter voor de boeteoplegging, aan de hand van de feiten en omstandigheden uit het dossier een nieuwe berekening wordt gemaakt van de alsnog verschuldigde belasting, waarbij wordt geabstraheerd van de toepassing van de omkering.4 In de literatuur wordt deze aanpak ook verdedigd.5 De Staatssecretaris van Financiën heeft getracht om deze herberekeningsmethodiek in algemene zin te bestrijden door een hierop gericht cassatiemiddel voor te stellen. In dat middel betoogde de staatssecretaris dat de rechter verplicht is om de hoogte van de boete te berekenen door als vertrekpunt een percentage van de verschuldigde belasting te nemen. Eventuele matiging wegens omkering zou pas daarna mogen plaatsvinden. De Hoge Raad heeft deze benadering, onder expliciete verwijzing naar BNB 2008/165 (en BNB 2011/2066), echter afgewezen.7 Over de vraag of de Hoge Raad daarmee de door mij voorgestane fictieve herberekening verplicht heeft gesteld, kan verschillend worden gedacht.8 Op zichzelf lijkt het de feitenrechter in ieder geval vrij te staan om de grondslag van de boete in afwijking van het bedrag aan heffing vast te stellen.
In mijn opvatting gebeurt dat door de alsnog verschuldigde belasting – in de hoedanigheid van boetegrondslag – afzonderlijk te bepalen aan de hand van de reguliere bewijslastverdeling. Voor de inspecteur blijft daarbij dus de redelijke schatting achterwege, terwijl de boeteling niet hoeft te voldoen aan de verzwaarde tegenbewijsgradatie.9 Vervolgens wordt de hoogte van de boete bepaald door het op basis van de bewezen schuldgradatie bepaalde percentage te vermenigvuldigen met de herberekende boetegrondslag.10 Deze uitkomst dient als referentiekader: hoe hoog zou de boete, gegeven de schuldgradatie, zijn geweest wanneer er geen sprake was van omkering? Samen met alle andere relevante omstandigheden van het geval, kan vervolgens worden afgewogen wat een passende en geboden boete is.
De rechter moet in gevallen waarin de omkering is toegepast (en de inspecteur het kale beboetbare feit en de aanwezigheid van opzet of grove schuld afzonderlijk heeft bewezen), dus allereerst bepalen óf de toepassing van de omkering aanleiding geeft tot matiging van de boete. Dat zal afhangen van het bestaan en de omvang van de onzekerheden die besloten liggen in de redelijke schatting. Als er reden tot matiging bestaat, moet de rechter de bestaande onzekerheden voor wat betreft de boetegrondslag naar mijn mening zoveel mogelijk wegnemen door neerwaartse aanpassing van die grondslag. Het probleem bij het maken van de fictieve herberekening van de grondslag is uiteraard dat voldoende aanknopingspunten daarvoor veelal zullen ontbreken, juist omdát de omkering is toegepast en de boeteling dus op een of andere manier bewijsnood heeft gecreëerd bij de inspecteur.11 Volgens de Hoge Raad mag het gebrek aan medewerking van de boeteling echter niet meewegen bij de strafmaat.12 Daaruit volgt dat de boetegrondslag in gevallen waarin de redelijke schatting onzekerheden van enige betekenis bevat, veelal lager zal moeten worden vastgesteld.
De feitenrechter lijkt zich te behelpen met een standaard matigingsnorm (vergelijkbaar met de in de jurisprudentie ontwikkelde norm bij de overschrijding van de redelijke termijn13). In KBLux-zaken, waarin navorderingsaanslagen onder toepassing van de omkering van de bewijslast waren opgelegd, was die norm veelal 20 %.14 Ook in andersoortige zaken waarin de omkering is gestoeld op verzwegen inkomsten, wordt deze matigingsnorm aangetroffen,15 evenals in zaken waarin er alleen sprake is van een verzwaring van de bewijslast (bij negatieve heffingscomponenten16).17 Andere matigingspercentages dan 20 % komen echter evenzeer voor.18