Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/7.3.8.3.2
7.3.8.3.2 Uitzonderingen: verlaging van de gradatiedrempel
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940329:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 7.3.5.4.2.
HR 25 oktober 2002, V-N 2002/57.7, BNB 2003/14, r.o. 3.2.4, HR 15 december 2006, V-N 2006/65.5, BNB 2007/112, NTFR 2006/1781 en HR 11 mei 2012, V-N 2012/31.7, BNB 2012/233. Dat niet altijd wordt onderkend dat ‘aannemelijk maken’ niet nodig is, blijkt bijvoorbeeld uit Hof Amsterdam 30 juni 2015, V-N 2015/52.8, waarin het Hof de rechtbank op dit punt terecht corrigeerde. De Hoge Raad heeft in HR 29 juni 2018, V-N 2018/38.19, BNB 2018/156, r.o. 4.3.1, bijgedragen aan dit misverstand, door op te merken dat een gerezen vermoeden bijvoorbeeld kan worden ontzenuwd door aannemelijk te maken. De Hoge Raad deed dat opnieuw door in HR 10 januari 2020, V-N 2020/4.8 te overwegen dat de belastingplichtige het vermoeden kan ontzenuwen ‘door feiten te stellen, en zo nodig aannemelijk te maken’, r.o. 2.6.7 (deze formulering kwam ook al voor in HR 28 juni 2013, V-N 2013/32.7, BNB 2013/207, r.o. 3.5.3). Ook de wetgever maakt zich hier schuldig aan, zie de redactie van art. 7 lid 2 Kostenwet invordering rijksbelastingen (‘aannemelijk maakt dat (…) redelijkerwijs moet worden betwijfeld’.
Zie voor een geslaagd voorbeeld Hof Amsterdam 30 juni 2015, V-N 2015/52.8 (r.o. 4.5 e.v.).
Zie HR 29 juni 2018, V-N 2018/38.19, BNB 2018/156, r.o. 4.3.1. Anders: Redactie Vakstudie-Nieuws in de Aantekeningen bij Hof Den Haag 13 december 2022, V-N 2023/14.21 en bij Hof ’s-Hertogenbosch 10 februari 2017, V-N 2017/24.6, die meent dat bewijs door middel van vermoedens ‘een lichtere vorm van bewijslevering dan aannemelijk maken’ behelst. Met de term ‘bewijzen’ acht de Redactie beide gradaties gedekt.
Zie omtrent het ‘begin van bewijs’ nader paragraaf 7.3.7.4.2.
HR 6 april 2018, V-N 2018/21.10, BNB 2018/115, r.o. 2.4.
Hof ‘s-Gravenhage 17 december 2002, NTFR 2003/379 vereiste van de belastingplichtige nog slechts een ‘zeer lichte vorm van bewijs’. Zie ook het op het cassatieberoep van belanghebbende gewezen arrest HR 9 april 2004, NTFR 2004/625. Dit uitgangspunt komt ook voor in het algemene bestuursrecht, zie paragraaf 4.3.8. Zie voor een alternatieve benadering voorts Hof ’s-Hertogenbosch 19 oktober 2017, kenbaar uit HR 8 februari 2019, V-N 2019/11.26.3, waarin het Hof oordeelde dat de belastingplichtige niet aannemelijk had gemaakt dat door het tijdsverloop belangrijke bewijsmiddelen verloren waren gegaan. In dezelfde zin: Hof Amsterdam 12 maart 2019, V-N 2019/24.11, r.o. 4.8.
HR 19 april 2019, V-N 2019/21.11, r.o. 2.4.2. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 30 juni 2020, V-N 2020/55.16, r.o. 4.11, dat overwoog dat hoe langer de verstreken termijn is, hoe lastiger de bewijslast zal zijn.
In deze casus stonden de door art. 3.123 Wet IB 2001 aangewezen bewijsmiddelen (schriftelijke bescheiden) centraal, waarover nader in paragraaf 7.3.5.3.
Zie over deze tweede subregel nader paragraaf 7.3.4.3.
Voor enkele voorbeelden zie HR 16 januari 2015, V-N 2015/12.1.3 en Hof ’s-Hertogenbosch 23 juli 2020, V-N 2020/57.28, r.o. 4.3.
Feteris 2007, p. 78 (noot 121).
Vgl. het beroep dat een in het buitenland gevestigd beleggingslichaam op deze bewijsregel deed, omdat het lichaam de identiteit van zijn aandeelhouders (die hij moest bewijzen) vanwege het gehanteerde handelssysteem eenvoudigweg niet kon kennen (Rb Zeeland-West-Brabant 1 augustus 2016, V-N 2016/43.13, r.o. 4.4.6 en 4.10.3 (zie ook de tweede prejudiciële vraag aan de Hoge Raad en – voor de beantwoording – HR 23 oktober 2020, V-N 2020/54.14, BNB 2021/73).
Vgl. HR 27 december 1956, BNB 1957/40, HR 26 mei 1982, BNB 1982/213. Zie voorts het commentaar van Niessen-Cobben bij Hof ‘s-Gravenhage 17 december 2002, NTFR 2003/379.
Hof ’s-Hertogenbosch 30 augustus 2019, V-N 2020/2.14.
Zie paragraaf 7.3.7.3.1 voor de situaties waarin het EU-recht van toepassing is.
HR 11 september 2020, V-N 2020/44.12, r.o. 3.3.2. Ik lees deze rechtsoverweging zo, dat de Hoge Raad de bewijslastverdeling in tact laat, maar neerwaarts corrigeert wat betreft de overtuigingskracht.
Zie daarover nader paragraaf 7.4.5.2.
Zie paragraaf 7.4.5.1.
Zie paragraaf 7.3.7.4.2.
Vgl. HR 13 oktober 2023, V-N 2023/47.17, r.o. 3.2.2.
Vereiste gradatie bij ontzenuwing van vermoedens
In het voorgaande is besproken dat feitelijke vermoedens als een zelfstandig bewijsmiddel kunnen bijdragen aan het bewijs.1 Voor deze categorie bewijsmiddelen geldt een bijzonderheid. Specifiek voor de bestrijding (‘ontzenuwing’) van vermoedens heeft de Hoge Raad namelijk een afzonderlijke bewijsgradatie geïntroduceerd. Volgens de Hoge Raad is niet vereist dat de onjuistheid van een vermoeden aannemelijk wordt gemaakt. Voldoende is dat ‘redelijkerwijs moet worden betwijfeld’ of het vermoeden juist is.2
Het is goed om te beseffen dat hiermee in wezen een derde bewijsgradatie wordt gedefinieerd. Naast de lichte gradatie van ‘aannemelijk maken’ en de zware gradatie van ‘doen blijken’, bestaat er dus nóg een gradatie, die weer lichter is dan ‘aannemelijk maken’. Er is bovendien sprake van (alleen) een tegenbewijsgradatie, omdat deze gradatie alleen bij het bestrijden van een reeds gerezen vermoeden van toepassing is.3 Dat vermoeden werkt als bewijsmiddel van degene op wie de primaire bewijslast rust.4 Door de ontzenuwing wordt het vermoeden als bewijsmiddel uitgeschakeld: het telt eenvoudigweg niet meer mee in de totale bewijspositie. Een eenmaal ontzenuwd vermoeden is geen bewijsmiddel meer.
Het voorgaande lijdt uitzondering als de wet een eigen (tegen)bewijsregeling kent. Sinds 2012 is dat het geval met betrekking tot de zogeheten ‘verklaring uitsluitend zakelijk gebruik’.5 Enerzijds bepaalt de wet expliciet dat een feitelijk vermoeden (van een rit voor privédoeleinden) voldoende is voor de inspecteur om tegenbewijs te vragen van de belastingplichtige, maar dat tegenbewijs moet vervolgens voldoen aan de zware gradatie van ‘doen blijken’. Het evenwicht in vereiste gradatie is daar dus uitdrukkelijk losgelaten.
Invulling van de stelplicht
Strikt genomen bestaat er nog een gradatie van bewijskracht. Deze gradatie komt louter aan de orde bij de invulling van de stelplicht: bij het innemen van een stelling zal – om deze te kunnen onderscheiden van een blote bewering – ten minste een begin van bewijs moeten worden gepresenteerd.6 Dat begin van bewijs kan nog (zeer) mager zijn; de wettelijk vereiste gradatie speelt in dit stadium nog geen rol. Het bewerkstelligt slechts dat op de wederpartij de plicht komt te rusten om de stelling (enigszins gemotiveerd) te weerspreken. Doet hij dat niet, dan komt de stelling (als niet of onvoldoende weersproken) vast te staan.7
Verlaging van benodigde overtuigingskracht
Onder omstandigheden verlaagt de rechter de minimumdrempel aan geloofwaardigheid die benodigd is om een bepaalde gradatie (doorgaans aannemelijk maken) te halen. De redelijkheid kan bijvoorbeeld meebrengen dat bij een groot tijdsverloop sinds de feiten zich hebben voorgedaan, met (veel) minder genoegen wordt genomen dan normaliter het geval zou zijn geweest.8
De Hoge Raad heeft in dit verband uitdrukkelijk geoordeeld dat de bewijslast als zodanig niet door tijdsverloop vervalt.9 Hof ’s-Hertogenbosch had in een dergelijke zaak overwogen dat de inspecteur het recht had verwerkt om (de volgens de wet vereiste) schriftelijke bewijsstukken ter zake van de verhoging van een eigenwoningschuld te vragen, omdat de inspecteur dat pas had gedaan nadat de navorderingstermijn over het jaar van die verhoging was verstreken en de aangiften sindsdien steeds waren gevolgd.10 Dat ging volgens de Hoge Raad te ver. De veronderstelling dat een bepaald tijdsverloop (zoals de navorderingstermijn) meebrengt dat aan de belastingplichtige niet meer zou kunnen worden tegengeworpen dat hij niet aan zijn bewijslast heeft voldaan, berustte op een onjuiste rechtsopvatting, aldus de Hoge Raad. De inspecteur is dan ook niet gehouden om dergelijke bewijsstukken binnen de navorderingstermijn op te vragen.
Dat laat naar mijn mening onverlet dat de rechter rekening zou kunnen houden met een groot tijdsverloop, niet zozeer door de bewijslast anders te verdelen, maar door die bewijslast als zodanig te verlichten en dus de benodigde bewijsgradatie te verlagen. Te denken valt aan het stellen van minder hoge eisen aan de aard en inhoud van de bewijsstukken, door bijvoorbeeld ook indirect bewijs van de verhoging van de eigenwoningschuld te accepteren. Voor het geval schriftelijke bewijsstukken redelijkerwijs niet meer zijn te produceren, kan de rechter wellicht toch genoegen nemen met andersoortig bewijs.
Hieruit leid ik toch een sterke verwevenheid met het vraagstuk van de bewijslastverdeling af: in wezen gaat het om een variant op de subregel dat degene die de bewijspositie van de ander frustreert (bijvoorbeeld vanwege de zeer trage behandeling van het bezwaarschrift), daarvoor bewijstechnisch verantwoordelijk wordt gehouden.11 De verlaging van de benodigde bewijsgradatie kan dan zo ver gaan, dat die gradatie negatief wordt, zodat de bewijslast (van het tegendeel) effectief bij de andere partij komt te liggen.12 Ook Feteris noemt deze correctiemethoden (bewijslast verschuiven en ‘bewijsdrempel’ verlagen) in één adem.13
Ook in bredere zin kunnen praktische (on)mogelijkheden van bewijsgaring en bewijsvoering in dit verband een rol spelen.14 Bewijs van het negatieve (dat iets niet gebeurd is) is bijvoorbeeld moeilijker te leveren dan bewijs van het positieve; uit de redelijkheidsnorm volgt dat het onmogelijke bewijs niet kan worden gevraagd.15 Dat betekent dat de eisen aan de ontkenning van de ontvangst van een aanslag of een ander stuk niet te hoog kunnen zijn: het is immers vrijwel onmogelijk om aannemelijk te maken dat een niet per aangetekend post verzonden stuk niet is ontvangen.16
Ten slotte merk ik op, dat het Unierecht onder omstandigheden kan meebrengen dat voor feiten die de belastingplichtige moet bewijzen, een minder zware bewijsgradatie geldt.17 De uitoefening van de door het Unierecht verleende rechten mag door het nationale bewijsrecht in de praktijk namelijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk worden gemaakt. De Hoge Raad heeft in het verlengde daarvan geoordeeld dat de belastingplichtige niet in een onmogelijke of onredelijk bezwarende bewijspositie terecht mag komen. Onder omstandigheden betekent dat volgens de Hoge Raad dat aan het bewijs ‘geen zware eisen mogen worden gesteld’.18
Redelijke schatting en gemotiveerde schatting
De redelijke schatting die de inspecteur in het kader van de omkering van de bewijslast maakt, is wat gradatie betreft zwakker dan aannemelijk maken.19 Naar mijn mening is er echter geen sprake van een afzonderlijke, verlaagde bewijsgradatie. Eerst moet de inspecteur immers volgens de reguliere regels van bewijslastverdeling aannemelijk maken dat er gronden zijn voor de omkering van de bewijslast.20 Het gevolg van die omkering is de redelijke schatting. De redelijkheid komt vervolgens tot uitdrukking door van de inspecteur niet meer te vragen dan dat de schatting niet willekeurig is.
Ook ten aanzien van de ‘gemotiveerde schatting’ die de inspecteur kan hanteren in gevallen waarin de administratie niet kan dienen als grondslag voor de winst- of omzetberekening,21 is er geen sprake van een afzonderlijke bewijsgradatie. Sterker nog: de gemotiveerde schatting is een bewijsmiddel, waarmee de inspecteur de volgens hem behaalde winst of omzet aannemelijk maakt.22