Einde inhoudsopgave
Bestuurdersaansprakelijkheid in theorie (IVOR nr. 108) 2017/10.5.4.2
10.5.4.2 Aansprakelijkheid van de vertegenwoordiger (2004)
mr. W.A. Westenbroek, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. W.A. Westenbroek
- JCDI
JCDI:ADS347335:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Ook ambtenaren blijven persoonlijk aansprakelijk voor hun eigen fouten. Een wettelijke uitzondering daarop is geregeld voor gerechtelijke ambtenaren (in opleiding). Zie art. 42 lid 1 t/m lid 4 Wrra en hierna par. 10.5.6.
Vgl. Assink & Slagter 2013, Compendium Ondernemingsrecht, p. 2265 die in het kader van aandeelhoudersaansprakelijkheid ook met behulp van een peildatum laten zien dat een onderscheid bestaat tussen de aansprakelijkheid van de rechtspersoon als het ene rechtssubject en de aansprakelijkheid van de aandeelhouder als het andere rechtssubject.
Van een situatie als deze was in feite sprake in HR 31 januari 1958, NJ 1958, 251 (Van Dullemen/Sala) dat een zaak van externe bestuurdersaansprakelijkheid betrof waar het evenwel niet ging om een eigendomsrecht, maar om een gebruiksrecht op grond van een huurovereenkomst. Dit arrest waarnaar expliciet wordt verwezen in HR 18 februari 2000,NJ 2000, 295 m.nt. J.M.M. Maeijer (New Holland Belgium/Oosterhof) lag aan de basis van het arrest HR 8 december 2006, NJ 2006, 659 (Ontvanger/Roelofsen) waarin op zijn beurt expliciet werd verwezen naar New Holland Belgium/Oosterhof.
Kortmann zette in 2004 een denkbeeldige casus uiteen aan de hand waarvan werd betoogd dat voor de vertegenwoordiger een hogere drempel voor aansprakelijkheid zou moeten gelden in de vorm van opzet, grove schuld of bewuste roekeloosheid:
“Voor de aansprakelijkheid van de handelende wiens daad aan een ander wordt toegerekend, is vereist dat de derde hem onbehoorlijk persoonlijk gedrag kan verwijten. Voor zulk een verwijt bestaat onvoldoende grond indien in geval van een niet onredelijke pretentie van een recht, bijvoorbeeld een recht van eigendom, het recht wordt gehandhaafd, doch de handhaving onrechtmatig wordt geoordeeld. (…) Nodig is dat aan de dader opzet, grove schuld of bewuste roekeloosheid kan worden verweten. Het gaat in deze over een secundaire aansprakelijkheid, over de persoonlijke aansprakelijkheid van een functionaris die in de uitoefening van zijn functie handelt.”1
De nuance die in het voorbeeld naar mijn mening uit het oog wordt verloren is de volgende. De handhaving van het eigendomsrecht kan worden toegerekend aan de vertegenwoordigde, waardoor de vertegenwoordigde onrechtmatig handelt. De vertegenwoordiger zelf handelt echter niet onrechtmatig omdat – in het genoemde voorbeeld – sprake was van een “niet onredelijke pretentie” van het eigendomsrecht. Anders gezegd, de vertegenwoordiger maakte in dit voorbeeld bij zijn feitelijk handelen namens de vertegenwoordigde inbreuk op het eigendomsrecht van een derde. Als rechtssubject maakte hij echter geen inbreuk op het eigendomsrecht van de derde, noch schond hij een maatschappelijke betamelijkheidsnorm. Hij is per definitie niet aansprakelijk, ook niet ‘secundair’. Het vereist stellen van opzet, grove schuld of bewuste roekeloosheid is voor die conclusie niet nodig.
Stel echter dat in het genoemde voorbeeld de vertegenwoordiger zich op een moment twee jaar later (het peilmoment)2 ten volle bewust is geworden van het feit dat de vertegenwoordigde (een rechtspersoon) geen eigendomsrecht heeft. Stel voorts dat de vertegenwoordiger toch, tegen beter weten in, de eigendomspretentie blijft handhaven namens de vertegenwoordigde. Vanaf dit peilmoment zal hij nog immer geen inbreuk maken op het eigendomsrecht van de derde, maar onder omstandigheden zal hij wel een andere verplichting schenden, namelijk een maatschappelijke betamelijkheidsnorm, doordat hij feitelijk de eigendomspretentie van de vertegenwoordigde blijft handhaven. De situatie ligt dan anders in die zin dat hij zelf ‘primair’ aansprakelijk is, omdat hem gewone schuld treft van schending van een maatschappelijke betamelijkheidsnorm.3 De derde kan in dat geval:
op grond van art. 6:162 BW de vertegenwoordiger aanspreken omdat de vertegenwoordiger primair aansprakelijk is voor de schending van die maatschappelijke betamelijkheidsnorm;
op grond van art. 6:162 BW de vertegenwoordigde aanspreken voor de inbreuk op het eigendomsrecht;
op grond van art. 6:172 BW de vertegenwoordigde hoofdelijk aanspreken voor schending van de maatschappelijke betamelijkheidsnorm door de vertegenwoordiger; én
op grond van art. 6:162 BW de vertegenwoordigde aanspreken voor de schending van de maatschappelijke betamelijkheidsnorm door de vertegenwoordiger, omdat de gedraging van de vertegenwoordiger op grond van het toerekeningsleerstuk aan de vertegenwoordigde is toe te rekenen.4
De schade die de derde lijdt door de schending van de maatschappelijke betamelijkheidsnorm, is echter een andere schade dan de schade als gevolg van de inbreuk op diens eigendomsrecht door de vertegenwoordigde, al was het maar omdat het peilmoment waarop en de tijdsduur waarin de maatschappelijke betamelijkheidsnorm werd geschonden een andere is dan die van de inbreuk op het eigendomsrecht. De vertegenwoordiger zal nimmer ‘primair’ noch ‘secundair’ aansprakelijk zijn voor de schade als gevolg van de inbreuk op het eigendomsrecht, maar uitsluitend primair voor de schade als gevolg van de schending van een maatschappelijke betamelijkheidsnorm.