Betrouwbaar getuigenbewijs
Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.4.2:9.4.2 Praktijk na het De auditu-arrest
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.4.2
9.4.2 Praktijk na het De auditu-arrest
Documentgegevens:
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Toon alle voetnoten
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Los van de precieze bedoelingen van de wetgever van 1926 ten aanzien van het gebruik van verklaringen uit het vooronderzoek voor het bewijs, moet worden geconstateerd dat na het wijzen van het De auditu-arrest van een onmiddellijke procedure weinig terechtkwam. Van een zelfstandig onderzoek ter terechtzitting zoals de wetgever dat aanvankelijk voor ogen lijkt te hebben gestaan, was namelijk al spoedig geen sprake meer. De onbelemmerde toelating van de auditu-verklaringen voor het bewijs, ook in die gevallen waarin de oorspronkelijke zegspersoon niet ter terechtzitting was gehoord, maakte het mogelijk om recht te spreken uitsluitend op basis van schriftelijke stukken verzameld in het vooronderzoek. In plaats van dat getuigen op terechtzitting werden ondervraagd, kon de rechter volstaan met het voorlezen of voorhouden van de verklaringen zoals deze waren neergelegd in het dossier. Tot aan het midden van de vorige eeuw was de praktijk dat de beslissende rechter op de terechtzitting niet veel meer deed dan het verifiëren van de stukken in het dossier. Een wijze van proces voeren die weliswaar heel efficiënt en zuinig was, maar waar – vanuit een oogpunt van waarheidsvinding en tegenspraak – de nodige vraagtekens bij konden worden gezet.
De Hoge Raad bleef na 1926 een formele lijn hanteren waarbij alleen de overbrengende verklaring de status van bewijsmiddel toekwam, waarop de eisen neergelegd in de artikelen 338-344 Sv van toepassing waren. Door alleen de overbrengende verklaring als bewijsmiddel aan te merken, werd de mogelijkheid geschapen om de bestaande waarborgen omtrent het getuigenbewijs buiten toepassing te laten, hetgeen ook zo geschiedde. Het toelaten van de auditu-verklaringen voor de bewijsvoering had daarmee niet alleen consequenties voor de wijze van proces voeren, maar was tevens van betekenis voor het bewijsgebruik zelf. De Hoge Raad huldigde langere tijd het standpunt dat aan de overgebrachte verklaring geen nadere eisen konden worden gesteld.1
De opstelling van de Hoge Raad was onder meer van betekenis voor het ondervragingsrecht van de verdachte, dat in het vooronderzoek slechts in beperkte mate kon worden uitgeoefend, en de eedaflegging door getuigen. De overgebrachte verklaring werd immers niet onder ede afgelegd, terwijl voor het gebruik van een ter terechtzitting afgelegde verklaring wel de eis van beëdiging gold. Ook de eisen voor wat betreft de eigen waarneming en ondervinding golden niet voor de overgebrachte verklaring. Bijzondere meningen en gissingen die tot dat moment in de rechtspraak werden geweerd, konden via de verklaring neergelegd in een proces-verbaal wel voor het bewijs worden gebruikt. Met de zienswijze van de Hoge Raad werden veel van de door de wetgever geschapen waarborgen ondermijnd.2 Röling stelde in dit verband het volgende. ‘In haar streven zich te ontdoen van al te knellende bewijsvoorschriften, heeft de rechtspraak zich lange tijd bediend van een zó strikt formalistisch standpunt, dat menig formalistisch voorschrift daardoor niet toepasselijk werd.’3