Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.7.1.1
9.7.1.1 Inleiding
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977422:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Bartels 1963, p. 64, 108.
Vgl. A. de Wilde, De persoon. Over de grondslagen van het personalistisch denken, Assen: Van Gorcum 1950 en Bouman 1889.
Vgl. J. Koonings, Leerboek der Paedagogiek voor aankomende onderwijzers, dl 2, 2e druk, Zutphen: Thieme 1894. De index bevat in hoofdstuk I. De leervakken van de LO-wet, waaronder par. 6 De vaderlandsche geschiedenis (p. 74-80): ‘In het bijzonder heeft geschiedenis tot taak, bij het kind vaderlandsliefde aan te kweeken […] Men late over het algemeen bijzonderheden over de staatsregeling of de wetgeving van vroeger tijden achterwege’ (p. 74).
Ph. Kohnstamm, ´Rechtsstaat en volksopvoeding´, Volksontwikkeling, 1938-1939, 20, p. 33.
Gielen 1969.
B. Levering, ´Van fenomenologie naar hermeneutiek: met een accent op de Utrechtse school’ in: Smeyers & Levering 2001, p. 73-90; Bos 2011, p. 25 en Deweer & Van Hecke 2017.
Vgl. E. Husserl, Ideen zu einer reinen Phänomenologie und phänomenologischen Philosophie, Den Haag 1950 en Stein 1980.
Dewey 1916; Rombouts 1927, p. 241-243 en Wijte, ´Onderwijs in 2032, een katholieke visie’, in: VKO 2015, p. 5.
Biesta & Miedema, ´Pragmatisme´, p. 130-146, K. Boeke 1974 en De Winter 1995, p. 135.
Wijte 2015, p. 7.
Alle Maatschappelijke en Christelijke deugden
In de negentiende en twintigste eeuw richt opvoeding zich op de leerling als toekomstig participerend burger in een opkomende democratie. De negentiende eeuw kenmerkt zich door de politieke strijd (schoolstrijd en kiesrecht-kwestie) over de vrije invulling van de maatschappelijke en godsdienstige opvoeding en de bevordering van het algemeen kiesrecht. De staatsburgerlijke opvoeding staat dan primair ten dienste van de natievorming. In de Lageronderwijswet-ten van 1801,1803 en 1806 is toerusting van leerlingen met ‘alle Maatschappelijke (staatsburgerlijke. W) en Christelijke deugden’ vastgelegd. Als in par. 3.7.3 besproken had Thorbecke nuttige vorming voor nijverheid en handel voor ogen bij de codificatie van de MO-wet in 1862. Het hieruit voortvloeiende curriculum bevat de staats- en handelswetenschappen, waaronder handelsrecht. De inrichting van de Staat en de decentrale overheden, de staatshuishouding en handelsbetrekkingen staan centraal. De vorming in vaardigheden en houdingen is geen exameneis. Op zijn best valt staatsburgerlijke vorming tot vaderlandslievende burgers uit de algemene doelstelling te destilleren.1
Algemene vorming
Van meer op de persoonsvorming gerichte opvoeding is eerst sprake vanaf het begin van de twintigste eeuw. Deze opvoeding heeft als doel leerlingen op te voeden tot goed burger.2 De opvoedingsdoelen benadrukken daardoor het leren dragen van een politieke en maatschappelijke verantwoordelijkheid.3 Met de pacificatie van 1917 staat de staatkundige opvoeding van de leerlingen in het teken van de uitoefening van de rechten (kiesrecht) en het nakomen van de plichten. Bij de opvoeding tot goed burger is er aandacht voor een groeiend aantal rechten en plichten. In het interbellum en na de Tweede Wereldoorlog staat de democratische vorming voorop. In de nieuwe tijd vraagt de democratische samenleving om opbouwende burgers. Na de opbouw en voltooiing van de verzorgingsstaat en de politieke emancipatie treedt het tijdperk van de zelfredzame burger in. De participatiemaatschappij is geboren.
Parallel aan deze maatschappelijke en staatkundige ontwikkelingen voorzien pedagogen het onderwijs en de burgerij van opvoedingstheorieën en praktijken met het oog op de participatie in de democratische rechtsstaat en de politiek-/etnisch-religieuze pluriforme samenleving.4 In de bespreking hierna van de opvoedingsdoelen van burgerschapsvorming zijn de sociale theorieën van historische en hedendaagse pedagogen als een kenbron betrokken.
Voor de historisch-pedagogische invulling van de staatsburgerlijke en maatschappelijke opvoeding put ik uit de sociaalpedagogische theorieën van de fenomenologen Kohnstamm, Langeveld, Gielen5 en Strasser. Deze theorieën vormen een inleiding voor de beschrijving van de hedendaagse opvoedings- en onderwijsdoelen van burgerschapsvorming. Verder komen de denkbeelden en praktijken van de pragmatische pedagogen Dewey en Boeke aan bod. Bij de formulering van opvoedingsdoelen van burgerschapsvorming zijn de opvattingen van de contemporaine sociaalpedagogen De Winter en Van Achteren van politicoloog Putnam mede tot richtsnoer genomen. Gedrieën zijn ze bij uitstek voorstander van de vorming van leerlingen tot verbindend empathische democratische burgers die voorzien zijn van kwalificaties ten behoeve van de bestendiging en ontwikkeling van de democratische rechtsstaat en plurale samenleving.
In het midden van de twintigste eeuw zijn het de Utrechtse personalistische pedagogen Kohnstamm en Langeveld6 en de Nijmeegse Husserlianen Gielen en Strasser die de fenomenologie tot de theoretische grondslag nemen voor hun opvoedingsleer.7 De fenomenologie gaat uit van de directe, intuitieve ervaring van fenomenen, en probeert hieruit de essentiële eigenschappen van ervaringen en de essentie van wat men ervaart, af te leiden. Op geheel eigen wijze verkrijgen de democratische denkbeelden en -praktijken van Dewey8 en Boeke betekenis voor de schoolopvoeding.9 En in onze dagen verwoorden De Winter, Van Achter en Veugelers het belang van een veilige schoolcultuur en van de school als oefenplaats van en voor democratie. Zij houden leerlingen medeverantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van de democratische rechtsstaat, waarvoor zij dan ook de beste opvoeding moeten genieten. Het gaat om onderwijs dat bijdraagt aan de bevordering van de verdelende rechtvaardigheid, zuiverder maatschappelijke verhoudingen en de ontdekking van de diepere zin van het bestaan.10