Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/9.15.5
9.15.5 Verantwoordelijkheid
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS196980:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. het opmaken van de jaarrekening (art. 2:101 BW/2:210 BW) en het verschaffen van inlichtingen aan de algemene vergadering (art. 2:107 lid 2 BW/2:217 lid 2 BW). Zie voor andere verantwoordingsplichten van het bestuur Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/238. Daar wordt er ook op gewezen dat het bestuur in een enquêteprocedure ter verantwoording kan worden geroepen door de verzoekers in enquête. Zie ook Hanegraaf, Ondernemingsrecht 2019/63, 4.
Voor de verhouding tussen verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid, zie Asser/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-IIb 2019/238, g.
Van Schilfgaarde/Winter, Wezeman & Schoonbrood, 2017/47; Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/446. Anders: Blanco Fernández, Ondernemingsrecht 2000, p. 474.
HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7011 (Berghuizer Papierfabriek).
HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243 (Staleman/Van de Ven); HR 20 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC4959 (Willemsen Beheer/NOM). De uitgebreide en genuanceerde jurisprudentie die is opgebouwd over het thema (interne) bestuurdersaansprakelijkheid is hiermee slechts uiterst summier weergegeven. Zie Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/446 over het criterium ernstig verwijtbaarheid en Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/447 voor meer voorbeelden uit de jurisprudentie van omstandigheden die een rol kunnen spelen.
Uitspraken van de burgerlijke rechter over dat punt zijn betrekkelijk zeldzaam; zie ook Van Solinge 2017/23.10. Het oordeel van de Ondernemingskamer wordt niet vanzelfsprekend overgenomen, zie Rb. Zwolle 27 juni 2012, ECLI:NL:RBZLY:2012:BX1222 (Meepo Holding), r.o. 2.6. In dat vonnis werd als beletsel vermeld, dat de Ondernemingskamer ‘op grond van aannemelijkheden beslissingen neemt’.
Zie 5.3.
HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010, ARO 2005/68 (Laurus). Zie ook Hof Amsterdam 24 juni 2014, ECLI:NL:GHAMS:2014:2444 (Equity Trust/Cancun), r.o. 2.6.
Van Solinge en Nieuwe Weme beschrijven de (problematische) consequenties voor bestuurders van de keuze tussen verschijnen in de tweede fase enquêteprocedure (wat hen aan het oordeel wanbeleid bindt in de aansprakelijkheidsprocedure, waarin bovendien mogelijk onbehoorlijke taakvervulling voorshands bewezen wordt geacht) en verstek laten gaan (wat hen berooft van verweer tegen het oordeel wanbeleid) (Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2-II* 2009/443).
HR 8 april 2005 (Laurus), r.o. 3.8. Van Solinge merkt op dat dit oordeel de interne aansprakelijkheid op de voet van art. 2:9 BW betreft (G. van Solinge, annotatie bij HR 8 april 2005, NJ 2006/443, 7). Zie Van Solinge 2017/23.4 over bewijsrechtelijke aspecten.
Waarbij de volgorde is: 1) onmiddellijke voorziening (eerste fase), 2) tweede fase oordeel, 3) bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure.
De rechtspersoon is in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure eiser; zijn beroep op de onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurder vormt de grondslag van de vordering. In de schadevergoedingsprocedure wegens tekortschieten ten gevolge van de onmiddellijke voorziening is de rechtspersoon verweerder. Zijn beroep op onbehoorlijke taakvervulling door de bestuurder – zijn beroep op overmacht – heeft dan het karakter van verweer. De procesrechtelijke consequenties van dat verschil blijven hier onbesproken.De door de bestuurder geëntameerde schadevergoedingsprocedure vindt plaats nadat de onmiddellijke voorziening is getroffen. Of die schadevergoedingsprocedure voor, tegelijkertijd, of na de mogelijke tweede fase procedure, dan wel de mogelijke bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure gevoerd wordt, is ongewis.
Zie 9.5.
Zie 9.7.1 en 9.12.
Verwijt is niet nodig voor een bezoldigingsingreep, zie 9.14.4.
[358] De taak van het bestuur van de rechtspersoon is het besturen van de rechtspersoon.1 Besturen omvat, naast de dagelijkse leiding en de zorg voor het functioneren van de organisatie van de rechtspersoon en voor zijn deelname aan het maatschappelijk verkeer, ook beleidsvoorbereiding en -bepaling.2 Bij rechtspersonen die een onderneming in stand houden strekt het bestuur zich tot die onderneming uit. Bestuurders zijn verantwoordelijk voor de algemene gang van zaken van de rechtspersoon. De verantwoordelijkheid is in artikel 2:9 lid 2 BW neergelegd bij de formele bestuurder, die zijn taken en bevoegdheden ontleent aan de wet en de statuten. In deze bepaling wordt verantwoordelijkheid niet afhankelijk gesteld van invloed. Die verantwoordelijkheid uit zich bij naamloze en besloten vennootschappen onder meer in (interne) verantwoordingsplichten tegenover de algemene vergadering van aandeelhouders en tegenover de raad van commissarissen.3 Onvolkomenheden in de verantwoordelijkheid kunnen aansprakelijkheid meebrengen.4
[359] Ingevolge artikel 2:9 BW is de bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden tot behoorlijke vervulling van zijn taak. Schiet hij daarin tekort, dan kan hij tegenover de rechtspersoon aansprakelijk zijn. Dit wordt aangeduid met interne (bestuurders)aansprakelijkheid. Niet elke tekortkoming leidt tot interne aansprakelijkheid; er moet een onmiskenbare, duidelijke tekortkoming zijn, waarvan de bestuurder een ernstig verwijt gemaakt kan worden.5 Schending van statutaire bepalingen die bedoeld zijn de rechtspersoon te beschermen levert in beginsel een ernstig verwijt op.6 Of er ernstige verwijtbaarheid is, moet worden vastgesteld aan de hand van de omstandigheden van het geval.7
[360] De gewone burgerlijke rechter neemt kennis van vorderingen op grond van artikel 2:9 BW wegens bestuurdersaansprakelijkheid. In zo’n procedure wordt soms aangevoerd dat de enquêterechter het beleid als wanbeleid heeft gekwalificeerd.8 De vaststelling van wanbeleid is bindend voor partijen die in de tweede fase van de enquêteprocedure zijn verschenen.9 Die vaststelling impliceert niet de persoonlijke aansprakelijkheid van de leden van de betrokken organen, en de in de enquêteprocedure vastgestelde feiten staan in de aansprakelijkheidsprocedure niet op voorhand vast.10 De gewone burgerlijke rechter toetst deze zelfstandig.11 Wel kan in de aansprakelijkheidsprocedure voorshands bewezen worden geacht, mede op grond van het verslag en het debat in de enquêteprocedure, dat de bestuurder tegenover de rechtspersoon zijn taak niet behoorlijk heeft vervuld, zoals de Hoge Raad heeft geoordeeld in de zaak Laurus.12
Het feitencomplex dat aan de aansprakelijkheidsvordering ten grondslag wordt gelegd, kan in meer of in mindere mate corresponderen met het feitencomplex dat als wanbeleid is gekwalificeerd. Naarmate de overeenstemming groter is, lijkt me de kans toenemen dat het wanbeleidsoordeel voorshands bewijs oplevert van onbehoorlijke taakvervulling van de bestuurder in de aansprakelijkheidsprocedure.
[361] Een feitencomplex, dat in de enquêteprocedure tot wanbeleid is bestempeld en vervolgens in een bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure als onbehoorlijke taakvervulling is beoordeeld, kan in de eerste fase van de enquêteprocedure al aanleiding zijn geweest voor een onmiddellijke voorziening. Dat feitencomplex vervult dan drie rollen: het lokt een onmiddellijke voorziening uit, het levert wanbeleid op, en het is de basis voor een ernstig verwijt van onbehoorlijke taakvervulling.13
Als in zo’n geval de onmiddellijke voorziening uit een bezoldigingsingreep bestaat, belemmert ze de rechtspersoon zijn verbintenis jegens de bestuurder na te komen. De rechtspersoon zou dan door de bestuurder kunnen worden aangesproken tot schadevergoeding.14 Mijns inziens heeft de rechtspersoon dan in beginsel een beroep op overmacht, gebaseerd op de onbehoorlijke taakvervulling door die bestuurder. De tekortkoming hoort onder die omstandigheden niet aan de rechtspersoon te worden toegerekend. De onmiddellijke voorziening, die wordt uitgelokt door handelingen van de bestuurder, die hem in de bestuurdersaansprakelijkheidsprocedure ernstig worden verweten, behoort in een schadevergoedingsprocedure tussen dezelfde partijen niet voor rekening van de rechtspersoon te komen.15 Met andere woorden, het risico voor de voorziening verschuift dan naar de bestuurder.
Ik meen dat steun voor die gedachte te ontlenen valt aan het arrest Werknemer/Wilco en de wetgeschiedenis van de wettelijke regeling voor de arbeidsrechtelijke risicoverdeling.16 Die wijzen op een rol voor de redelijkheid bij de verdeling van het risico voor onderbreking van de loonbetaling. Dat risico kan verschuiven naar de werknemer als de oorzaak van het niet verrichten van arbeid hem zozeer te verwijten valt, dat die oorzaak redelijkerwijs niet voor rekening van de werkgever komt. Veel ruimte bieden het arrest en de wettelijke regeling niet. Wel lees ik er een indicatie in voor verkeersopvattingen over verwijtbaar gedrag. Die lijken me ook van toepassing op toerekening van een door een onmiddellijke voorziening veroorzaakte tekortkoming van een bezoldigingsverplichting.
[362] Onmiddellijke voorzieningen, waaronder schorsingsbeslissingen en bezoldigingsingrepen, worden door de Ondernemingskamer weleens terloops gemotiveerd.17 In 9.7.1 is opgemerkt dat daardoor onduidelijk kan zijn welk criterium de rechter heeft aangelegd en in hoeverre een verwijt aan de maatregel ten grondslag ligt.18 Dit kan een complicerende factor zijn bij de allocatie van het risico voor de bezoldigingsingreep: als de achtergrond van de oorzaak van de tekortkoming (de voorziening) vaag blijft, zijn de verkeersopvattingen over het risico voor zo’n oorzaak nauwelijks te concretiseren.