Niet-betaling in de btw
Einde inhoudsopgave
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.2.2:4.3.2.2 De éénjaarstermijn
Niet-betaling in de btw (FM nr. 152) 2018/4.3.2.2
4.3.2.2 De éénjaarstermijn
Documentgegevens:
dr. mr. B.G.A. Heijnen, datum 01-03-2018
- Datum
01-03-2018
- Auteur
dr. mr. B.G.A. Heijnen
- JCDI
JCDI:ADS499426:1
- Vakgebied(en)
Invordering / Algemeen
Omzetbelasting / Algemeen
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De meest opvallende wijziging ten aanzien van het ontstaansmoment van het recht op teruggaaf betreft de introductie van een (nieuw) bewijsvermoeden. Als de niet-betaling – met inachtneming van het redelijkheidscriterium – niet reeds eerder is komen vast te staan, wordt de btw-correctie geacht te ontstaan bij het verstrijken van één jaar na het tijdstip waarop de vergoeding opeisbaar is geworden. Deze fictie strekt zich (logischerwijs) niet uit tot de overige in art. 29 lid 1 en 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) genoemde categorieën. Art. 29 lid 2 Wet OB 1968 (vanaf 2017) spreekt immers ook over het geacht worden te zijn ontstaan van het recht op teruggaaf als gevolg van de éénjaarstermijn ‘in geval van gehele of gedeeltelijke niet-betaling van de in rekening gebrachte vergoeding’.
4.3.2.2.1 Fataal karakter4.3.2.2.2 Opeisbaarheid van de vordering