Einde inhoudsopgave
Het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel (FM nr. 170) 2021/4.5
4.5 Alles binnen één lidstaat
Anneke Els Keulemans, datum 01-08-2021
- Datum
01-08-2021
- Auteur
Anneke Els Keulemans
- JCDI
JCDI:ADS362973:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal procesrecht / Beroepsfase
Fiscaal procesrecht / Procesorde
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Fiscaal bestuursrecht / Bezwaarfase
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ 15 november 2016, zaak C-268/15, (Ullens de Schooten); zie ook de annotatie van M. Fierstra bij dit arrest in SEW 2017/5; zie ook: Bogaert, van den, e.a., 2017, onder 1.4.
HvJ 15 november 2016, zaak C-268/15, (Ullens de Schooten), punt 50; HvJ 5 december 2013, zaken C-159/12 tot en met C-161/12, (Venturini), punten 25 en 26; HvJ 1 juni 2010, zaken C-570/07 en 571/07, (Pérez), punt 40; HvJ 18 juli 2013, zaak C-265/12, (Citroën Belux), punt 32 e.v.
HvJ 1 juni 2010, zaken C-570/07 en 571/07, (Pérez), punt 40.
HvJ 18 juli 2013, zaak C-265/12, (Citroën Belux), punt 32 e.v.
HvJ 15 november 2016, zaak C-268/15, (Ullens de Schooten), punt 51.
HvJ 8 mei 2013, zaak C-197/11 en C-203/11, (Libert), punt 35.
HvJ 15 november 2016, zaak C-268/15, (Ullens de Schooten), punt 52.
HvJ 5 december 2000, zaak C-448/98, (Guimont), punt 23.
HvJ 21 februari 2013, zaak C-111/12, (Ordine degli Ingegneri di Verona e Provincia), punt 35; Zie ook: HvJ 21 juni 2012, zaak C-84/11, (Susisalo), punt 20 en Snell 2015, onder 2.
HvJ 15 november 2016, zaak C-268/15, (Ullens de Schooten), punt 53.
HvJ 17 juli 1997, zaak C-28/95, (Leur-Bloem), punten 27 en 32; Zie ook: HvJ 18 oktober 1990, zaken C-297/88 en C-197/89, (Dzodzi), punten 36, 37 en 41.
De overweging van het HvJ betrof richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende Lid-Staten (PB 1990, L 225).
HvJ 14 maart 2013, zaak C-32/11, (Allianz Hungária Biztosító), punt 20.
In een aantal situaties is het denkbaar dat alle aspecten van een zaak zich afspelen binnen één lidstaat en toch sprake is van het ten uitvoer brengen van het Unierecht. Het Hof van Justitie laat in de zaak Ullens de Schooten zien in welke vier situaties daarvan sprake is.1
1) Uitlegging van fundamentele vrijheden, waarvan de gevolgen wellicht niet beperkt zijn tot één lidstaat
De eerste situatie betreft de uitlegging van fundamentele vrijheden in een zaak waarbij alle elementen zich binnen één lidstaat afspelen, maar waarvan de gevolgen van deze uitleg zich niet beperken tot één lidstaat.2 Van een dergelijke situatie is bijvoorbeeld sprake in de zaak Pérez.3 In deze zaak wilden verschillende gediplomeerde Spaanse apothekers een nieuwe apotheek vestigen in de autonome Spaanse regio Asturië. Alle aspecten vonden daarmee plaats in één lidstaat, Spanje. Het decreet dat de mogelijkheid van vestiging bepaalde, was zonder onderscheid van toepassing op zowel Spaanse onderdanen als op burgers uit andere lidstaten. Aangezien de situatie verband hield met het handelsverkeer tussen de lidstaten en het niet ondenkbaar is dat ook burgers uit andere lidstaten in deze regio van Spanje een apotheek willen exploiteren, valt de zaak onder de gewaarborgde fundamentele vrijheden. Zo ook de zaak Citroën Belux.4 De belanghebbende is hier de invoerder van voertuigen van het merk Citroën in België. Eind 2010 lanceerde belanghebbende een reclamecampagne waarin een gratis verzekering voor zes maanden werd aangeboden. Een gezamenlijk aanbod van een verzekering en tegelijk de aankoop van een auto is in België verboden. Een dergelijk verbod is strenger dan richtlijn 2005/29. Deze nationale regeling is van toepassing op nationale marktdeelnemers en op marktdeelnemers uit andere lidstaten. Het Hof van Justitie plaatst deze zaak in het kader van het vrije verkeer van diensten. Het overweegt vervolgens dat niet kon worden uitgesloten dat in andere lidstaten dan het Koninkrijk België gevestigde ondernemingen belangstelling tonen in laatstbedoelde lidstaat om gezamenlijke aanbiedingen te doen als die in het hoofdgeding aan de orde zijn. Daarom moet worden onderzocht of het verbod op gezamenlijke aanbiedingen zoals aan de orde, in overeenstemming is met artikel 56 van het VWEU.
2) Uitlegging van bepalingen die de fundamentele vrijheden raken en die niet alleen van toepassing zijn op nationale burgers, maar ook op burgers van andere lidstaten
De tweede situatie waarbij alle elementen in een zaak zich binnen één lidstaat afspelen, maar toch sprake is van het ten uitvoer brengen van het Unierecht, betreft de uitlegging van de bepalingen, die de fundamentele vrijheden raken en die niet alleen van toepassing zijn op de eigen burgers, maar ook op de burgers van andere lidstaten.5 Een voorbeeld betreft de zaak Libert.6 Deze Belgische belanghebbende (woonachtig in België) verzocht het grondwettelijk Hof een decreet te vernietigen op grond waarvan het recht onroerende zaken te kopen of te verkopen is beperkt. Aangezien de regeling niet alleen van toepassing is op Belgische burgers, maar de beslissing ook ten aanzien van burgers uit andere lidstaten effect zal sorteren, wordt het Unierecht ten uitvoer gebracht.
3) Uitlegging van de fundamentele vrijheden wanneer aan een burger van die lidstaat dezelfde rechten worden toegekend als die een burger van een andere lidstaat in diezelfde situatie aan het Unierecht zou ontlenen
De derde situatie ziet op zaken waarin alle elementen zich in één lidstaat afspelen, maar uitlegging van de fundamentele vrijheden noodzakelijk is en waarbij de burgers van die lidstaat dezelfde rechten krijgen als die een burger uit een andere lidstaat aan het Unierecht kan ontlenen.7 Van een dergelijke situatie is sprake in bijvoorbeeld de zaak Guimont.8 Guimont krijgt in Frankrijk op basis van een Frans decreet een boete voor het voor de verkoop aanwezig hebben van een levensmiddel met misleidende etikettering: ‘Emmentaler’. Discussie ontstond of het decreet verenigbaar was met de artikelen 3 en 30 e.v. van het EG-Verdrag. Deze nationale regeling zorgde ervoor dat het gebruik van de algemeen gangbare soortnaam van een product voor de desbetreffende producten uit andere lidstaten afhankelijk is van bepaalde voorwaarden. Hiermee wordt de invoer van uit andere lidstaten afkomstige producten in de betrokken lidstaat niet volledig uitgebannen, maar kan niettemin de verkoop van die producten worden bemoeilijkt en bijgevolg de handel tussen de lidstaten worden belemmerd. De regeling is bedoeld voor de burgers uit de andere lidstaten maar ook van toepassing op burgers uit de eigen lidstaat. Een vergelijkbare situatie deed zich voor in de zaak Ordine degli Ingegneri di Verona e Provincia.9 Op grond van een nationale Italiaanse bepaling werden twee Italiaanse ingenieurs, die hun titel in Italië hebben behaald, uitgesloten van bouwwerkzaamheden die een duidelijk artistiek belang hadden of die verband hielden met de restauratie en de renovatie van gebouwen van cultureel belang. Ingenieurs uit andere lidstaten konden op grond van richtlijn 85/384 niet voor dergelijke werkzaamheden worden geweigerd. Alhoewel hier sprake is van een interne situatie waarop de richtlijn niet van toepassing is, kan het Hof van Justitie de richtlijn uitleggen als het nationale recht voorschrijft dat de eigen burgers over dezelfde rechten dienen te beschikken als de burgers uit andere lidstaten.
4) Interne situaties waarbij gekozen is voor dezelfde aanpak als in het Unierecht
Ten slotte de vierde en laatste situatie. De elementen spelen zich weer allemaal af in één lidstaat, maar de lidstaat heeft voor interne situaties voor eenzelfde aanpak gekozen als het Unierecht.10 Een voorbeeld van een dergelijke situatie is de zaak Leur-Bloem.11 Leur-Bloem was enig aandeelhouder en directeur van twee Nederlandse BV’s en voornemens de aandelen in een derde BV te verkrijgen door een ruil met de aandelen in de eerste twee BV’s. Leur-Bloem verzocht de Nederlandse belastingdienst de ruil aan te merken als aandelenfusie, zodat zij kon profiteren van een belastingvrijstelling. Discussie ontstond over het begrip aandelenfusie. Het Hof van Justitie overwoog dat het begrip ‘aandelenfusie’ is overgenomen in de nationale wetgeving tot omzetting van de richtlijn en dat het mede van toepassing is verklaard op vergelijkbare zuiver interne situaties.12 Wanneer een nationale wettelijke regeling zich voor haar oplossingen voor zuiver interne situaties conformeert aan de in het Gemeenschapsrecht gekozen oplossingen heeft de Europese Unie belang bij het eenduidig uitleggen van de overgenomen bepalingen of begrippen van het Unierecht ter vermijding van uiteenlopende uitleggingen in de toekomst. Een vergelijkbare zaak is de zaak Allianz Hungária Biztosító.13 Allianz is een verzekeringsmaatschappij die eenmaal per jaar afspraken maakt over voorwaarden en tarieven met reparatiebedrijven voor de reparatie van auto’s. De dealers die zowel als tussenpersoon optraden voor de verzekeraar als ook degenen waren die reparaties uitvoerden, waren in overtreding van de nationale wetgeving. De nationale wetgeving was echter nagenoeg gelijkluidend aan artikel 101, eerste lid, van het VWEU. Met dezelfde overweging als in de zaak Leur-Bloem acht het Hof van Justitie zich bevoegd.