Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context
Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.5.1:7.5.1 Casuspositie: 1 Autokosten (BNB 1979/311)
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/7.5.1
7.5.1 Casuspositie: 1 Autokosten (BNB 1979/311)
Documentgegevens:
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661597:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Overigens had de inspecteur aan belanghebbende voor een gedeelte aftrek verleend (fl. 1.645), terwijl belanghebbende rechtens gezien geen recht had op aftrek. Volgens belanghebbende had hij op grond van de mededeling recht op (een hogere) aftrek (fl. 2.800).
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Toepassing van het afwegingskader laat in dit geval een genuanceerdere uitkomst zien dan onder de huidige koers. In de onderhavige casus bleken de vertrouwenwekkende mededelingen van de ambtenaar van de Belastingdienst over de aftrekbaarheid van autokosten achteraf onjuist (stap I). Op basis van de tekst (hetgeen was gezegd) en de context is verklaarbaar dat de man het gegeven advies opvolgde bij het berekenen van de aftrekpost. Wel was bij de uiting een slag om de arm gehouden (de post zou bij de aanslagregeling nog worden beoordeeld). Dat was een aanwijzing die de bij de burger gewekte verwachting over de juistheid van de uiting, althans de mate waarin de Belastingdienst daarvoor wilde instaan, had kunnen temperen. Toch bleek dat niet effectief; de burger heeft tot aan de Hoge Raad geprocedeerd.
Verklaringen voor een verondersteld commitment aan de gedane mededelingen liggen communicatief bezien in het instructiekarakter (‘doe het maar zo’), de context (de man had zijn situatie toegelicht, hij had actief contact gezocht) en de omstandigheden (zoals de voorgaande contacten), niettegenstaande de spontaniteit van het mondeling verstrekte advies. Zijn verwachtingen zijn dus weliswaar verklaarbaar en verdedigbaar, maar gegeven het specifieke voorbehoud kan niet worden gezegd dat de man ongeclausuleerd kon rekenen op een bepaalde handelswijze van de inspecteur bij het opleggen van de aanslag (stap I). Gezien de redelijkheid van de verwachtingen moeten aan het gewekte vertrouwen rechtsgevolgen worden verbonden (stap II). Echter, gezien de omstandigheden doet in de huidige ‘alles of niets’-benadering noch ‘alles’ noch ‘niets’ aan die verwachtingen recht. De huidige uitkomst – inhoudende ‘niets’ – schiet te kort, want zijn verwachtingen zijn immers niet onredelijk of ongegrond1, maar de uitkomst ‘alles’ – gehele nakoming van het gewekte vertrouwen – gaat verder dan nodig in het licht van het specifieke voorbehoud.
Kortom, deze casus is niet zwart-wit. Ik acht het juist dat toepassing van het afwegingskader hier tot een ruimere bescherming zou moeten leiden, zij het niet meer dan nodig om recht te doen aan de redelijke verwachtingen. Dat kan betekenen dat een proportionele benadering (ergens tussen ‘alles en niets’ in) in dit geval een passende oplossing zou kunnen bieden, waardoor de autobezitter bij de belastingrechter voor een (groter) gedeelte alsnog aftrek moeten worden toegekend, zij het dat de vraag is hoe dat juridisch kan worden vormgegeven (paragraaf 7.6.2.l).