Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.8.3
3.8.3 Afzonderlijke beoordeling van onafhankelijkheid en onpartijdigheid
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS501022:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Sutter, ECRM 1 maart 1979, D&R 16, p. 166; Piersack, EHRM 1 oktober 1982, Serie A, 53; Campbell en Fell, EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80; Langborger, ECRM 9 oktober 1987, Serie A, 155; Debled, ECRM 16 februari 1993, Serie A, 292-B; Procola EHRM 28 september 1995, Serie A, 326.
Sutter, ECRM 1 maart 1979, D&R 16, p. 173, § 2, derde alinea.
Piersack, EHRM 1 oktober 1982, Serie A, 53. Zie over de instelling en samenstelling van een Belgisch Hof van Assisen de artikelen 114-127 Gerechtelijk Wetboek.
Het Belgische Hof van Cassatie meende dat Van de Walle zich feitelijk niet met de zaak had bemoeid als magistraat van het openbaar ministerie en artikel 127 Gerechtelijk Wetboek derhalve niet was geschonden. Het EHRM overwoog dat de daadwerkelijke omvang van zijn feitelijke rol niet ter zake deed.
EHRM 1 oktober 1982, Serie A, 53, § 20-21.
ECRM, 13 mei 1981, Serie B, 47, § 55.
EHRM 1 oktober 1982, Serie A, 53, § 27.
In de huidige Belgische Grondwet (1994) is artikel 99 enkel teruggekeerd als overgangsbepaling. Na de installatie van de Hoge Raad voor de Justitie op 1 maart 1999 (zie de artikelen 259 bis 1 t/m 259 bis 22 van het Gerechtelijk Wetboek) is de benoemingsprocedure van rechters veranderd (zie artikel 151 Grondwet). Zij worden nog wel benoemd door de Koning, maar op gemotiveerde voordracht dan wel advies van de bevoegde benoemings- en aanwijzingscommissie van de Hoge Raad voor de Justitie. Artikel 100 is vernummerd tot artikel 152 Grondwet, maar heeft dezelfde inhoud behouden.
EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80, § 83-85.
ECRM 8 oktober 1987, annex bij Serie A, 155.
Langborger (EHRM 1989), Holm (ECRM 1992, EHRM 1993), Debled (EHRM 1994), Mitap (ECRM 1994), Findlay (EHRM 1997), Incal (EHRM 1998), Yakis (EHRM 2001), Morris (EHRM 2002) Kleyn (EHRM 2003), Cooper (EHRM 2003), Pabla Ky (EHRM 2004), Brudnicka (EHRM 2005).
Procola, EHRM 28 september 1995, Serie A, 326, § 43-44.
Er zijn zaken waarin de Straatsburgse instanties het onderscheid tussen onafhankelijkheid en onpartijdigheid wel duidelijk hebben gemaakt,1 aanvankelijk zelfs door beide begrippen onder aparte kopjes te bespreken. Een aantal van deze zaken –‘best practices’ te noemen – licht ik hieronder kort toe. Het ziet er naar uit dat de Commissie consequenter onderscheid heeft gemaakt tussen onafhankelijkheid en onpartijdigheid dan het Hof.
De klacht in Sutter strekte zich uit tot de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid, maar de Commissie oordeelt:
‘The applicant does not say in what way the court might have failed in its duty to be impartial; on the other hand he submits that it was not independent because of the manner in which the judges are appointed and their hierarchical dependence.’2
De Commissie weerlegt de argumenten op grond waarvan het gerecht niet onafhankelijk zou zijn en gaat niet verder in op de onpartijdigheid.
De Belg Piersack klaagde over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het Brabantse Hof van Assisen, dat strafzaken behandelt. Elk Hof van Assisen bestaat uit een voorzitter (een lid van het beroepshof), twee andere rechters (assessoren) en een jury van twaalf leden.3 De klacht was gebaseerd op het feit dat de voorzitter (Van de Walle) reeds in een eerdere fase bij dezelfde zaak betrokken was geweest als lid van het openbaar ministerie. Inhoudelijk gezien ligt het probleem van deze zaak enkel bij de objectieve onpartijdigheid. Niettemin besteedt het Hof naar aanleiding van de klacht ook apart aandacht aan de onafhankelijkheid van de instantie. Volgens het Hof is het gerecht wel onafhankelijk, maar niet onpartijdig. De feiten zijn als volgt. Van de Walle was hoofd van de sectie van het openbaar ministerie die belast was met de vervolging van Piersack. In feite had hij zich nauwelijks met de zaak bemoeid, maar hij was daartoe wel bevoegd in zijn hoedanigheid.4 Terwijl het onderzoek tegen Piersack nog liep werd Van de Walle benoemd tot rechter in het Brusselse beroepshof. De taak van de voorzitter in een assisenproces omvat onder meer het leiding geven aan de juryleden, het samenvatten van de zaak en de vragen waarover zij moeten delibereren, en het leiden van de gehele procedure. De juryleden beraadslagen zelfstandig over de schuldvraag, dus zonder de voorzitter en de assessoren. Het oordeel van de absolute meerderheid geldt. Als de stemmen staken, volgt vrijspraak. Indien een verdachte schuldig wordt bevonden door een krappe meerderheid van zeven tegen vijf, zoals in het geval van Piersack, dan moeten de voorzitter en assessoren alsnog hun oordeel over de schuldvraag geven. Als een meerderheid van hen het niet eens is met de meerderheid van de jury, wordt de verdachte vrijgesproken. Indien een verdachte schuldig is bevonden, delibereren de rechters samen met de juryleden, onder leiding van de voorzitter, over de strafmaat.5 De voorzitter heeft dus invloed op de procesvoering en het vonnis. Hoe wordt de opeenvolging van functies in casu beoordeeld? Zowel de Commissie als het Hof achtte de objectieve onpartijdigheid geschonden. Ten aanzien van de onafhankelijkheid merkt de Commissie kortweg op dat de eerdere betrokkenheid van de voorzitter bij de zaak het rechterlijke college niet afhankelijk maakt van de uitvoerende macht of één der partijen.6 Volgens het Hof ontbrak bewijs voor de stelling dat het Hof van Assisen niet onafhankelijk was. Het voegt daar ambtshalve aan toe dat ingevolge de Belgische Grondwet (art. 99-100) en statuten de drie rechters van het Hof van Assisen uitgebreide waarborgen genieten, die er op zijn gericht om hen te beschermen tegen druk van buitenaf, en dat hetzelfde doel ten grondslag ligt aan enkele van de strikte regels inzake de benoeming van juryleden (art. 217-253 Gerechtelijk Wetboek).7 Hoewel het Hof slechts summier ingaat op de onafhankelijkheid, kan uit de aangehaalde artikelen, die immers ‘uitgebreide waarborgen’ bieden, wel iets worden afgeleid. Artikel 99 Grondwet bepaalt dat rechters door de Koning worden benoemd. Artikel 100 Grondwet bepaalt dat de rechters voor het leven worden benoemd; dat geen enkele rechter anders dan door een vonnis mag worden ontslagen of geschorst; en dat overplaatsing van een rechter alleen kan geschieden door een nieuwe benoeming en met zijn toestemming. Niemand zal ontkennen dat artikel 100 Grondwet inderdaad een uitgebreide rechtspositionele bescherming biedt voor onafhankelijkheid.8 De benoeming van juryleden geschiedt op basis van een loting van kiesgerechtigde personen tussen de dertig en zestig jaar. Op grond van artikel 223 Gerechtelijk Wetboek wordt een onderzoek ingesteld naar iedereen die na de loting op de voorbereidende lijst is geplaatst. Dit onderzoek strekt zich uit tot lees- en schrijfvaardigheid, het spreken van een bepaalde taal, beroep, diploma’s, gewezen lidmaatschap van de wetgevende kamers, provincieraden of gemeenteraden, (gewezen) lidmaatschap van enige adviesraad, en enig beletsel tot het uitvoeren van het ambt van gezworene. Artikel 224 Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat onder meer van de lijst worden geschrapt: parlementariërs en bestuurders op internationaal, nationaal en decentraal niveau, leden van een aantal openbare lichamen, hoge ambtenaren, bedienaars van een eredienst en actieve militairen. Deze regeling van incompatibiliteiten is duidelijk gericht op de onafhankelijkheid van de juryleden: personen in dienst van een andere overheidsmacht kunnen geen jurylid worden. Hierna belandt een provinciale lijst van gezworenen bij de rechtbanken van eerste aanleg. Een van de oudst benoemde rechters heeft tot taak om een definitieve lijst op te maken na een laatste selectie aan de hand van objectieve criteria en loting. Dit alles met het idee een evenwichtig samengestelde lijst te krijgen (diversiteit van personen). Uit die definitieve lijst wordt voor iedere zaak een jury geloot. Bij deze laatste loting mogen zowel de verdachte als de procureur-generaal ieder een gelijk aantal gezworenen wraken. In het geheel van deze procedure ziet het Hof dus uitgebreide waarborgen tegen druk van buitenaf op de juryleden met het oog op hun onafhankelijkheid, hoewel deze ook waarborgen omvat die meer zien op de onpartijdigheid, zoals de mogelijkheid tot wraking van juryleden.
In Campbell en Fell oordeelt het Hof onder aparte kopjes, dat niet alleen op het punt van de onafhankelijkheid de vrees van de gevangenen niet objectief gerechtvaardigd was, maar dat er evenmin gerede twijfel kon bestaan aan de onpartijdigheid van het gevangeniscomité.9 Hooguit opmerkelijk is dat het Hof het feit dat het gevangeniscomité zowel een rechtsprekende functie, als een ‘onafhankelijke adviserende rol’ inzake het bestuur van de gevangenis heeft, bespreekt onder het kopje van de onafhankelijkheid in plaats van de onpartijdigheid. Wat die dubbelrol betreft, acht het Hof de angst van de gevangenen dat de comités nauwe banden hebben met de uitvoerende macht en het gevangenisbestuur niet objectief gerechtvaardigd. Zij hebben in de uitoefening van die adviserende functie immers net zoveel contact met de gevangenen als met de gevangenbewaarders. Naar mijn mening was het denkbaar geweest als gevolg van die adviserende rol twijfels te plaatsen bij de onpartijdigheid van het comité in zaken waarover zij eerder hebben geadviseerd binnen de gevangenis.
Tot slot maakt de Commissie in de zaak Langborger een duidelijk onderscheid tussen onafhankelijkheid en onpartijdigheid.10 De rechterlijke instantie is volgens de Commissie wel onafhankelijk, maar niet onpartijdig. Het is dan ook opmerkelijk dat het Hof in dezelfde zaak beide begrippen (voor het eerst) bewust niet los van elkaar bespreekt, maar samen beoordeelt. Daarmee lijkt een trend te zijn gezet. Steeds vaker overweegt het Hof dat de begrippen onafhankelijkheid en onpartijdigheid nauw samenhangen en daarom samen worden bezien.11 Een positieve uitzondering daarop vormt Procola, waarin het Hof de onafhankelijkheid en onpartijdigheid wel onderscheidt (al lijkt dat vooral te zijn ingegeven doordat de klacht beperkt was tot de partijdigheid):
‘The Court considers that in the instant case it is not necessary to determine whether the Judicial Committee was an independent tribunal. The applicant association did not put in doubt the method of appointing the Conseil d’Etat’s members and the length of their terms of office or question that there were safeguards against extrane-ous pressures. The only issue to be determined is whether the Judicial Committee sat-isfied the impartiality requirement of Article 6 of the Convention, regard being had to the fact that four of its five members had to rule on the lawfulness of a regulation which they had previously scrutinised in their advisory capacity.’12
Het is opvallend dat het Hof in deze overweging de schijn van afhankelijkheid (appearance of independence) niet noemt, terwijl daar in het licht van de dubbelfunctie juist de meeste vraagtekens bij te plaatsen zijn.