Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.8.4
3.8.4 Gezamenlijke beoordeling van onafhankelijkheid en onpartijdigheid
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS499835:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Zie ook De Waard 1987, p. 331, Kuijer 2004, p. 261-262 en Smits 2008, p. 304.
Kuijer p. 261: ‘The Court deals with most of the problems between a judge and one of the parties within the framework of the requirement of impartiality, since a situation which is generally unacceptable will also be unacceptable in the specific case.’
Aanvankelijk beoordelen de Straatsburgse instanties de onafhankelijkheid en onpartijdigheid nog afzonderlijk: Le Compte, van Leuven & De Meyere, EHRM 23 juni 1981; Albert & Le Compte, EHRM 10 februari 1983 (in beide zaken geen schending van onafhankelijkheid, noch van onpartijdigheid); Langborger ECRM 8 oktober 1987 (geen schending onafhankelijkheid, wel schending onpartijdigheid). Later gaan zij over op gezamenlijke beoordeling van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid: Bramelid & Malmström, ECRM 12 december 1983 (schending); Langborger EHRM 23 mei 1989 (schending); Debled, EHRM 22 september 1994 (geen schending); Hortolomei, ECRM 16 april 1998 (schending); Stechauner, EHRM 28 januari 2010, appl. no. 20087/06; Puchstein, EHRM 28 januari 2010, appl. no. 20089/06 (geen schending).
ECRM 12 december 1983, D&R 38, p. 39-40, § 36-40.
EHRM 23 juni 1981, Serie A, 43; NJ 1982, 602.
EHRM 10 februari 1983, Serie A, 58; NJ 1987, 315.
EHRM 22 september 1994, Serie A, 292-B.
EHRM 23 juni 1981, Serie A, 43, § 57.
Zie ook K. Loontjes, ‘Het recht op een onafhankelijke en onpartijdige rechter: stand van zaken’, TBP december 1995, p. 10.
EHRM 23 juni 1981, Serie A, 43, § 58.
EHRM 10 februari 1983, Serie A, 58, § 31.
EHRM 10 februari 1983, Serie A, 58, § 32.
De huurwet uit 1978 omschrijft die als ‘A provision in a lease whereby the tenant agrees to be bound by the terms of the lease, in particular regarding the rent, as accepted by the association conducting the negotiations.’ Zie EHRM 23 mei 1989, Serie A, 155, § 16.
EHRM 23 mei 1989, Serie A, 155, § 35. De Commissie had daarentegen geoordeeld dat het gerecht wel onafhankelijk was, maar niet onpartijdig (respectievelijk § 128 en § 143).
Hortolomei, ECRM 16 april 1998, appl. no. 17291/90, § 46.
Zie § 3.4.1.
B. Maes merkt op (onder verwijzing naar Dommering, Handelingen der NJV 1983, p. 212-213) dat onafhankelijkheid en onpartijdigheid verwante begrippen zijn, aangezien sommige vormen van partijdigheid kunnen worden gelijkgesteld met gevallen van afhankelijkheid (‘De onpartijdige rechter’, Rechtskundig Weekblad 10 maart 1984, kolom 1874-1875). K.J. Partsch (Die Rechte und Freiheiten der europäischen Menschenrechtskonvention 1966, p. 155) gebruikt in dat opzicht de volgende termen: Gesellschaftsunabhängigkeit en Parteienunabhängigkeit (in de zin van belangenloosheid, onpartijdigheid) tegenover Staatsunabhängigkeit. Kortom, onafhankelijkheid ten opzichte van partijen en de maatschappij (zoals in de besproken zaken over lekenrechters aan de orde was) is iets anders dan onafhankelijkheid ten opzichte van de staat (staatsmachten). Het ligt er dus maar net aan welk etiket men er op plakt: onafhankelijkheid of onpartijdigheid. Dat geeft niet, zolang men maar voor ogen houdt, dat dit verschillende vormen zijn.
In de vorige paragraaf besprak ik voorbeelden van jurisprudentie waarin de Straatsburgse instanties de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een rechterlijke instantie afzonderlijk beoordeelden. Die zaken zijn ondertussen sterk in de minderheid. In het leeuwendeel van de jurisprudentie beslist het Hof om beide begrippen samen te bezien. Soms lijkt het gemakzucht, soms vallen de begrippen samen als gevolg van de hoedanigheid van partijen, soms is er sprake van een oorzakelijk verband. Maar er is nog een andere oorzaak, die is gelegen in het gebruik van de term ‘onafhankelijkheid van partijen’. Daarmee doelt het Hof op de verhouding tussen rechter en partijen in het algemeen en niet op de relatie tussen een rechter en een partij in een specifiek geval (ergo de onpartijdigheid).1 Dit criterium is echter amper uitgewerkt in de jurisprudentie.2 Is (of lijkt) de rechter ondergeschikt aan een partij in de zaak, mede gelet op de wijze van benoeming en ontslag, dan is sprake van afhankelijkheid van partijen. Is de rechter bevooroordeeld ten aanzien van één van de partijen of het onderwerp van de zaak dan is sprake van partijdigheid. Beoordeling van de onafhankelijkheid van rechters ten opzichte van partijen doet zich met name voor in zaken waar geklaagd wordt over administratieve rechters, lekenrechters of arbiters, zoals blijkt uit de hierna te bespreken voorbeelden. Het is mijn indruk dat de wijze van benoeming van die rechters vaak de directe aanleiding vormt. De benoemingswijze wordt door het Hof immers standaard beschouwd als een element van onafhankelijkheid. Dat heeft tot gevolg dat ook de benoeming van lekenrechters door partijen (bijv. beroepsorganisaties of vakverenigingen) wordt beoordeeld onder die vlag. Ik zie het theoretische onderscheid tussen enerzijds onafhankelijkheid van partijen en anderzijds onpartijdigheid wel, maar het lijkt mij niet erg zinvol omdat het in hoge mate verwarrend is. In alle gevallen waarin er een te nauwe band is met één van de procespartijen (ongeacht op welke grond) lijkt het mij beter om te spreken over partijdigheid in plaats van afhankelijkheid (van partijen).
Dan nu de voorbeelden. Het Hof oordeelt met enige regelmaat dat er een schijn van afhankelijkheid en partijdigheid is, terwijl er mijns inziens enkel sprake is van een schijn van partijdigheid.3 De onafhankelijkheid kan er in die gevallen beter helemaal buiten worden gelaten, ook al wordt daar over geklaagd. Dat onderdeel van de klacht kan worden afgedaan op eenzelfde manier als in Piersack, waar het Hof kort naar enkele (grond)wettelijke waarborgen van onafhankelijkheid verwees. De meest zuivere oplossing is mijns inziens die van de Commissie in de zaak Langborger, die beide aspecten apart onderzoekt en tot de conclusie komt dat er alleen sprake is van partijdigheid.
In Bramelid & Malmström spreekt de Commissie bewust over de onafhankelijkheid van de uitvoerende macht en de onafhankelijkheid van partijen. Beide worden beoordeeld in het licht van de benoemingsprocedure van de arbiters:
§ 36 ‘Whether a body qualifies as a court is a question to examine from two angles: independence of the executive and of the parties to the case. In the opinion of the Commission, the arbitrators may be regarded in this case as being independent of the executive, since the law allows them complete freedom to assess the evidence in the cases referred to them.
§ 37 The Commission further notes that in this case there is no tangible evidence that the arbitrators may have failed to act independently of the parties to the case. However (…), it is inevitable that the Arbitration Board’s independence of one of the parties cannot always be guaranteed. In regard to their relationship with the arbitrators they have themselves appointed, the parties may not always be on an equal footing.
§ 39 The above considerations show the importance of pre-established courts to which are appointed judges who are totally unconnected with the case they are to hear. (…) The Commission does not rule out the possibility of exceptions in specific procedures. On this assumption it considers that there must be rigorous guarantee of equality between the parties in regard to the influence they exercise on the composition of the court. Examination of the facts reveals that such equality did not prevail in this case.
§ 40 Consequently, the independence and impartiality required by Article 6 (1) was not fulfilled.’4 (niet-curs. PvdE)
De Commissie spreekt over arbiters die ‘onafhankelijk zijn van de uitvoerende macht’ (omdat zij geheel vrij zijn in de waardering van het bewijs in de behandeling van zaken), en over arbiters die ‘onafhankelijk optreden van partijen’. In de bewoordingen zit een subtiel verschil. Arbiters moeten zich onafhankelijk opstellen tegenover partijen. Dit verschil geeft precies aan hoe ontzettend nauw onafhankelijkheid van partijen raakt aan de onpartijdigheid en waarom het in mijn ogen een onwenselijk onderscheid is.
In Le Compte, van Leuven en de Meyere,5Albert en Le Compte6 en Debled7 stond de samenstelling van de Raad van Beroep van de Belgische Orde van geneesheren, een beroepsvereniging van artsen, ter discussie. Dat is een medisch tuchtcollege. De raad is samengesteld uit een gelijk aantal artsen en leden van de rechterlijke macht. Eén van de rechters, benoemd door de Koning, fungeert als voorzitter en heeft een beslissende stem. Volgens het Hof kon er daarom geen twijfel bestaan aan de onafhankelijkheid van de raad. De duur van de zittingstermijn van de leden (zes jaar) vormt in dit opzicht een aanvullende waarborg.8 De vraag rijst of pariteit in de samenstelling van de instantie een noodzakelijke voorwaarde is om te kunnen spreken van een onafhankelijk tuchtcollege.9 Dat is onduidelijk, omdat het Hof meerdere factoren noemt ter motivering van zijn conclusie dat de raad onafhankelijk is. Het Hof meent voorts dat de aanwezigheid van rechters die de helft van de zetels innemen, waaronder de voorzitter met beslissende stem, blijk geeft van onpartijdigheid en de verkiezingswijze van de artsen door de provinciale raad een klacht over partijdigheid niet kan staven.10 De wijze van benoeming (verkiezing door vakgenoten) heeft hier dus betekenis voor de onpartijdigheid van het gerecht. In Albert and le Compte acht het Hof het niet noodzakelijk om de elementen ‘rechterlijke instantie’, ‘ingesteld bij wet’ en ‘onafhankelijkheid’ te onderzoeken, omdat op die punten reeds de conclusie was bereikt dat artikel 6 EVRM niet was geschonden.11 Het beoordeelt de overgebleven klacht inzake onpartijdigheid. Persoonlijke partijdigheid van de leden is niet bewezen. Le Compte had getracht de arts-leden in hun geheel te wraken, zonder specifieke klachten jegens een of meer van hen op te werpen. De raad was volgens hem niet onafhankelijk en onpartijdig op grond van het enkele feit dat de helft van de leden arts was. Die redenering achtte het Hof kennelijk ongegrond. Ook doet niets in het dossier het Hof twijfelen aan de objectieve onpartijdigheid. In het bijzonder geeft de wijze van benoeming van de medische leden van de raad geen aanleiding om hen vooringenomen te noemen: hoewel zij worden gekozen door de provinciale raden handelen zij niet als vertegenwoordigers van de Orde van geneesheren, maar – evenals de rechterlijke leden – in hun persoonlijke hoedanigheid.12 De zaak Debled brengt niets nieuws ten opzichte van Le Compte e.a. en Albert en Le Compte, afgezien van het feit dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid daarin samen worden beoordeeld.
In Langborger gaat het om een huurovereenkomst met onderhandelingsclausule,13 op grond waarvan de vereniging van huurders een percentage krijgt van de huurprijs voor de gevoerde onderhandelingen met de vereniging van verhuurders. Beide verenigingen ontlenen hun bestaansrecht grotendeels aan deelname in deze onderhandelingen. Langborger, die verplicht wordt vertegenwoordigd door de vereniging van huurders, is ontevreden over de hoogte van de huurprijs en betwist de onderhandelingsclausule, die in het belang is van beide verenigingen. Het gerecht dat hierover in laatste instantie moet oordelen bestaat uit twee beroepsrechters en twee lekenrechters. De betreffende verenigingen hebben elk één lid als lekenrechter voorgedragen, die zijn benoemd door de regering. Alleen de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de lekenrechters wordt betwist. De lekenrechters zitten in persoonlijke hoedanigheid en niet als vertegenwoordiger van de verenigingen. Toch acht het Hof artikel 6 EVRM geschonden wegens een gebrek aan objectieve onpartijdigheid en een schijn van afhankelijkheid:
‘As regards their objective impartiality and the question whether they presented an appearance of independence (…) the Court notes that they had been nominated by, and had close links with, two associations which both had an interest in the continued existence of the negotiation clause. As the applicant sought the deletion from the lease of this clause, he could legitimately fear that the lay assessors had a common interest contrary to his own and therefore that the balance of interests, inherent in the Housing and Tenancy Court’s composition in other cases, was liable to be upset when the court came to decide his own claim.’14
Terwijl de feiten van deze zaak behoorlijk lijken op die in de Belgische zaken (nominatie van lekenrechters door partijen, benoeming door de regering, geen zitting als vertegenwoordigers) is artikel 6 EVRM hier dus wel geschonden. Dat hangt evenwel samen met het belang van partijen in de zaak. Schending van de onpartijdigheid lag dus voor de hand. Een schijn van afhankelijkheid bestaat slechts ten opzichte van partijen.
De zaak van de Oostenrijker Hortolomei werd beoordeeld door een regionale beroepsraad (van de sociale gezondheidszorg), die was samengesteld uit een beroepsrechter en vier lekenrechters:
‘As regards the four assessors' objective impartiality and the question whether they presented an appearance of independence, however, the Commission notes that they had been nominated by, and had close links with, the bodies which had adopted the Guidelines in 1985, providing for fixed term contracts. As the applicant was challenging the effects of those Guidelines, he could legitimately fear that the assessors – notwithstanding their five year terms of office and formal independence of the executive – had a common interest contrary to his own and therefore that the balance of interests, inherent in the sending of representatives of the medical profession and the Health Insurance Boards in other cases, was liable to be upset in his case.’15
De Commissie verbindt hieraan de conclusie dat de regionale beroepsraad niet beschikte over de noodzakelijke ‘appearance of independence and impartiality’. Mijns inziens had de Commissie zich hier kunnen beperken tot de conclusie dat er een schijn van partijdigheid was, omdat de rechters tegengestelde belangen aan die van de klager hadden. Wat nu precies een schijn van afhankelijkheid heeft kunnen oproepen is niet duidelijk. De rechters waren benoemd voor vijf jaar en formeel onafhankelijk van de uitvoerende macht. Het enige element dat volgens de standaardoverweging uit de jurisprudentie voor de onafhankelijkheid van belang is, betreft de wijze van benoeming van de vier leden van het gerecht, namelijk door de organen die een belang hadden bij de uitkomst van het geschil, twee door de medische vereniging en twee door de verzekeringsmaatschappij (art. 345 Allgemeines Sozialversicherungsgesetz). De samenstelling van de Oostenrijkse regionale beroepsraden is sindsdien nog enkele malen door het Hof beoordeeld.16 Pas na de inwerkingtreding van een wetswijziging in 2002 werden rechters niet langer benoemd door de beroepsverenigingen en – belangrijker – konden werknemers van die verenigingen, die partij zij bij de algemene overeenkomst waarop het individuele contract in het geschil is gebaseerd, geen assessor (lekenrechter) zijn in de betreffende regionale beroepsraad.
Uit bovengenoemde zaken blijkt dat de wijze van benoeming zowel van belang is voor de onafhankelijkheid, als een rol speelt bij de beoordeling van de objectieve onpartijdigheid van de rechterlijke instantie. Dit hebben wij ook al gezien bij de benoeming van rechters door het parlement; daar was de vraag: maakt een ‘politieke kleur’ rechters bevooroordeeld?17 Hier was de vraag: maakt het feit dat lekenrechters tot dezelfde beroepsgroep behoren als één van de procespartijen hen bevooroordeeld? Die verwantschap met een politieke stroming of met een beroepsgroep is ontstaan door de wijze van benoeming. Het feit dat de benoemingswijze volgens de standaardoverweging van het Hof wordt beschouwd als een aspect van onafhankelijkheid, is volgens mij de bron van verwarring in deze zaken. De vraag rijst echter of benoeming van lekenrechters door particuliere vakverenigingen wel onder rechterlijke onafhankelijkheid moet worden geschaard. In het staatsrecht ziet de rechterlijke onafhankelijkheid enkel op de verhouding van de rechter ten opzichte van de uitvoerende macht en de wetgever, dus wat dit punt betreft op rechterlijke benoemingen door organen van één van beide overheidsmachten. Wel zal men bij benoeming van rechters door vakverenigingen inderdaad de onpartijdigheid van die rechters nauwgezet in het oog moeten houden.18
Een vergelijkbare redenering als in voornoemde zaken over lekenrechters komt terug in Holm, waar de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van juryleden ter discussie stond. Zweden kent sinds 1812 een systeem van juryrechtspraak bij de arrondissementsrechtbanken in zaken over persvrijheid. Holm was een smaadprocedure gestart over een bepaalde publicatie. Er waren vermeende banden tussen vijf leden van de jury (actieve leden van de Zweedse Sociaal Democratische Arbeiderspartij) en de verweerders in die procedure. De subjectieve onpartijdigheid van de juryleden werd niet betwist (onmogelijk in verband met de geheime stemming). Het Hof achtte de twijfels aan hun onafhankelijkheid en objectieve onpartijdigheid gerechtvaardigd. Ook deze zaak gaat mijns inziens in wezen enkel over de onpartijdigheid. Zowel de Commissie als het Hof benadrukken in eerste instantie bepaalde waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid:
§ 31. It is undisputed that the jurors in question were elected in the prescribed manner by the competent elective body, in conformity with the legal conditions for eligibility: namely that the persons concerned be known to be independent and fair-minded and to have sound judgment and also that different social groups and currents of opinion as well as geographical areas be represented among the jurors. The jury was constituted by the drawing of lots after each party to the proceedings had had an opportunity to express its views on the existence of grounds for disqualification of any of the jurors on the list and to exclude an equal number of jurors. It was also possible for the parties to appeal to the Court of Appeal against decisions by the District Court on requests for disqualification, and the applicant, albeit unsuccessfully, availed himself of this remedy. Before participating in the trial, each juror had to take an oath to the effect that he or she was to carry out the tasks to the best of his or her abilities and in a judicial manner.
Furthermore, jurors are in several respects viewed under Swedish law as affording the same guarantees of independence and impartiality as judges; in particular, the provisions in the Instrument of Government that aim at safeguarding the independence and impartiality of the judiciary cover juries and the statutory rules on disqualification of judges also extend to jurors, which forms part of the Swedish Constitution, provides that neither a public authority nor Parliament may determine how a court should adjudicate or apply the law in a particular case. Moreover, all public power must be exercised subject to the law; courts and public authorities shall, in the performance of their functions, ensure the equality of all persons before the law and remain objective and impartial (Chapter 1, sections 1 and 9). These fundamental principles apply also to a jury sitting in a trial under the Freedom of the Press Act.)
Daarna volgen de feiten die in deze concrete zaak toch wantrouwen konden oproepen ten aanzien van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid:
§ 32. (…) Nevertheless, it is to be noted that there were links between the defendants and the five jurors who had been challenged by the applicant which could give rise to misgivings as to the jurors' independence and impartiality. The jurors in question were active members of the SAP who held or had held offices in or on behalf of the SAP. One of the defendants, the publishing house Tidens förlag AB, had been directly owned by the SAP until 1 January 1985 – the year when the book was published; after that date, it was owned by the SAP indirectly through two companies. The other defendant, the author, was employed by the publishing house at the time of the book's publication and had served as an ideological adviser to the SAP.
Furthermore, Tidens förlag AB was known for publishing articles portraying opinions shared by the SAP. The impugned passages of the book were clearly of a political nature and undoubtedly raised matters of concern to the SAP in that they involved criticism of the applicant and Contra, an organisation which had been set up to scrutinise the SAP.
§ 33. Having regard to the foregoing, the Court considers that the independence and impartiality of the District Court were open to doubt and that the applicant's fears in this respect were objectively justified.
De genoemde feiten in § 32 zien allemaal op de partijdigheid en gaan niet in op de relatie van de juryleden tot de uitvoerende of wetgevende macht. Gezien de eerder aangehaalde waarborgen was een oordeel met de strekking dat het gerecht wel onafhankelijk was, maar niet onpartijdig, logischer geweest.