Einde inhoudsopgave
Het EVRM en het materiële omgevingsrecht (SteR nr. 22) 2015/12.5.3
12.5.3 Artikel 4:126 Awb en overdracht van de grond en daarmee verbonden objecten
D.G.J. Sanderink, datum 01-03-2015
- Datum
01-03-2015
- Auteur
D.G.J. Sanderink
- JCDI
JCDI:ADS446289:1
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Omgevingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Door de overdracht van de eigendom aan de overheid niet als een verplichting van de eigenaar aan te merken maar als een voorwaarde voor het recht op vergoeding jegens de overheid, behoudt de eigenaar zijn vrijheid om af te zien van de vergoeding en eigenaar te blijven. Het is niet uitgesloten dat hij eigenaar wenst te blijven, bijvoorbeeld omdat hij de bij beschikking vastgestelde vergoeding voor zijn eigendom te laag vindt.
Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 621, nr. 3, p. 26 en Kamerstukken I, 2012/13, 32 621, C, p. 3.
Anders zou de eigenaar verrijkt worden. Hij zou zijn grond en daarmee verbonden objecten mogen behouden en daarnaast een nieuw stuk grond krijgen. Dat zou niet in overeenstemming zijn met de ratio van art. 4:126 Awb. Die ratio is dat schade vergoed wordt en niet dat de benadeelde een voordeel verkrijgt (vergelijk ook de plicht tot voordeelverrekening in art. 4:126 lid 3 Awb).
In het voorgaande is bepleit dat artikel 1ep in bepaalde situaties een recht op onteigening of schadevergoeding vereist. De vraag is of het toekennen van schadevergoeding en het onteigenen van grond en daarmee verbonden objecten gebaseerd kunnen worden op artikel 4:126 Awb. De vraag is, met andere woorden, of dat artikel een wettelijke basis kan vormen voor de toekenning van schadevergoeding en onteigening. Het lijdt geen twijfel dat het toekennen van schadevergoeding op artikel 4:126 Awb gebaseerd kan worden. Die bepaling spreekt immers van het toekennen van een vergoeding voor schade. Minder evident is dat een onteigening ook op deze bepaling gebaseerd kan worden. Van belang is echter wat hier onder (een recht op) onteigening wordt verstaan. Bij onteigening in de gebruikelijke betekenis gaat het om een door de overheid op grond van haar openbare gezag afgedwongen eigendomsoverdracht tegen een schadevergoeding voor de eigenaar. Bij het recht op onteigening dat hier aan de orde is gaat het evenwel niet om een door de overheid afgedwongen eigendomsoverdracht, maar om een overdracht die door de eigenaar wordt afgedwongen. Het gaat om een regeling op grond waarvan de eigenaar de overheid kan dwingen ofwel zijn schaduwschade te vergoeden ofwel zijn grond en daarmee verbonden objecten in eigendom te verwerven tegen de marktwaarde of een daaraan gerelateerd lager bedrag. De vraag is dus meer specifiek of artikel 4:126 Awb een wettelijke basis vormt op grond waarvan de overheid grond en daarmee verbonden objecten in eigendom kan verwerven tegen betaling van de marktwaarde of een daaraan gerelateerd lager bedrag. Mijns inziens is dat het geval. De prestatie van de overheid, de betaling van de marktwaarde of een daaraan gerelateerd lager bedrag, is het toekennen van schadevergoeding en kan derhalve gebaseerd worden op art. 4:126 Awb. Uit deze bepaling volgt evenwel niet dat de eigenaar verplicht is tot overdracht van zijn eigendomsrecht (de tegenprestatie) en die verplichting kan naar mijn oordeel ook niet opgelegd worden door de op basis van die bepaling te geven beschikking. Wel kan mijns inziens in deze beschikking aan het recht op vergoeding van de marktwaarde of het daaraan gerelateerde lagere bedrag de voorwaarde worden verbonden dat de eigenaar zijn eigendomsrecht overdraagt aan de overheid.1 Dat de overheid (als voorwaarde) kan verlangen dat de eigenaar zijn eigendomsrecht overdraagt lijkt bevestiging te vinden in de wetsgeschiedenis van artikel 4:126 lid 4 Awb. In dit artikellid is bepaald dat een vergoeding toegekend kan worden in een andere vorm dan de betaling van een geldsom. Volgens de parlementaire geschiedenis kan de vergoeding in een andere vorm dan de betaling van een geldsom onder meer inhouden dat de overheid de benadeelde een alternatieve bedrijfslocatie aanbiedt.2 Het ligt in de rede dat hier bedoeld is dat de overheid de alternatieve locatie (grond) aan de eigenaar overdraagt tegen overdracht van de grond en daarmee verbonden objecten door de benadeelde eigenaar aan de overheid.3 Als een dergelijke ruil op grond van artikel 4:126 Awb mogelijk is, moet het op basis van die bepaling ook mogelijk zijn dat de overheid de grond en daarmee verbonden objecten in eigendom verwerft tegen betaling van de marktwaarde of een daaraan gerelateerd lager bedrag.