Einde inhoudsopgave
Betrouwbaar getuigenbewijs 2014/9.7.2.3
9.7.2.3 Belief perseverance en confirmation bias
Mr. Dr. M.J. Dubelaar, datum 01-12-2013
- Datum
01-12-2013
- Auteur
Mr. Dr. M.J. Dubelaar
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Malsch 2009, p. 434.
Dit is de fase tussen het vooronderzoek en het hoofdonderzoek, waarin de zaak door de rechter op haalbaarheid en rechtmatigheid wordt getoetst (De Groot 2002, p. 33).
Tak & Fiselier 2002, p. 125, De Groot 2000, p. 27.
In juryzaken beschikt de president wel over een dossier, maar de juryleden niet (Tak & Fiselier 2004, p. 46).
Zie ook Pompe 1975b, p. 41.
Wagenaar, Crombag & Israëls 2010, p. 880, Van Koppen & Malsch 2008, p. 24-25 en Crombag 2010, p. 390-392.
Crombag 2010, p. 393.
Wagenaar, Crombag & Israëls 2010, p. 882.
Vgl. Crombag 2010, p. 390.
Schünemann 1983, p. 1109 e.v. en Schüneman & Bandilla 1989, p. 181 e.v.
Zoals hiervoor reeds besproken, wordt het optreden van de zittingsrechter(s) in belangrijke mate bepaald door de inhoud van het procesdossier. Voorafgaand aan de terechtzitting wordt het dossier onder de deelnemende rechters verspreid, die (in beginsel) allen ter voorbereiding op het onderzoek ter terechtzitting kennisnemen van de inhoud. Kennisname van het dossier door het beslissend orgaan voorafgaand aan of na afloop van de terechtzitting is in andere landen geen vanzelfsprekendheid. In landen waar het strafproces lekenparticipatie kent, nemen de lekenrechters – anders dan de beroepsrechters – in beginsel geen kennis van het dossier.1 In het Anglo-Amerikaanse stelsel bijvoorbeeld krijgt de jury de processtukken niet voorafgaand aan de zitting onder ogen en mogen zij deze evenmin meenemen naar de beraadslaging. In Duitsland heeft alleen de voorzitter van de meervoudige kamer de beschikking over het dossier. Andere beroepsrechters hebben het dossier alleen kunnen lezen bij het zogenaamde Zwischenverfahren.2 De lekenrechters (Schöffen) krijgen het dossier in het geheel niet en hebben het ook vooraf niet kunnen inzien; zij moeten hun beslissing baseren op hetgeen op het onderzoek ter terechtzitting aan de orde is geweest.3 In Denemarken staat het dossier evenmin ter beschikking van de beroepsrechter. Alleen in complexe en omvangrijke zaken krijgt de voorzitter een exemplaar van het dossier en de lekenrechters een zogenaamd werkdossier.4
Het voordeel van kennisneming van het dossier is dat de rechter zich kan voorbereiden op het onderzoek ter terechtzitting en voorafgaand aan het onderzoek ter terechtzitting kan bepalen of eventueel nog nader onderzoek dient te worden verricht. Op deze manier kan hij zijn actieve rol voorafgaand aan en tijdens het onderzoek ter terechtzitting waarmaken. Echter, aan de kennisname van de stukken zijn ook risico’s verbonden in termen van vooringenomenheid. Het is immers onvermijdelijk dat rechters zich aan de hand van de stukken al een oordeel vormen over de zaak. Dit hoeft op zichzelf geen probleem te zijn, ware het niet dat het risico bestaat dat rechters zich niet meer van dat oordeel laten afbrengen op het moment dat hen informatie bereikt die met hun aanvankelijke oordeel strijdig is.5 Mensen zijn immers geneigd om als zij eenmaal een bepaald standpunt hebben ingenomen, informatie die hen nadien bereikt anders te waarderen. Zij zullen eerder actief op zoek gaan naar informatie die hun stellingname ondersteunt en deze informatie overmatig waarderen, terwijl informatie die hun aanvankelijke standpunt ontkracht, wordt ondergewaardeerd of genegeerd. Het mechanisme om vast te blijven houden aan een eenmaal gevormde opinie in weerwil van bewijs van het tegendeel, wordt in de rechtspsychologische literatuur wel aangeduid als belief perseverance. Het actief op zoek gaan naar informatie die een eerder ingenomen standpunt ondersteunt en hieraan overmatig veel gewicht toekennen, wordt aangeduid als confirmation bias. Deze twee mechanismen gaan veelal hand in hand.6 De achterliggende theorie is dat mensen het niet prettig vinden als hen informatie bereikt die in strijd is met hun overtuigingen. De onaangename spanning die dit veroorzaakt in het denken (aangeduid als cognitieve dissonantie), zorgt ervoor dat mensen een sterke drang voelen om hun gedachten zo te vormen of de werkelijkheid zo te interpreteren dat de tegenstrijdigheden (dissonanties) verminderen of worden opgeheven waardoor de als onaangenaam ervaren spanning verdwijnt.7
Als het gaat om de inrichting van het strafproces dan merken Wagenaar en collega’s in dit verband op dat ‘de bij strafzaken gebruikelijke gang van zaken er op ingericht lijkt om belief perseverance bij de rechter uit te lokken’.8 In een situatie waarin zaken in beginsel alleen op de terechtzitting worden aangebracht als er een veroordeling kan volgen en het dossier derhalve vooral belastende informatie bevat, werken dergelijke mechanismen in de regel nadelig voor de verdachte.9 Empirisch onderzoek toont dan ook aan dat dossierkennis aanmerkelijke invloed heeft op het percentage veroordelingen. Beroepsrechters die kennis hebben van het dossier, komen percentueel veel vaker tot een veroordeling, dan rechters die geen kennis hebben van de inhoud van het dossier.10 Indien er onvoldoende wordt gewaakt over de evenwichtigheid van het dossier, kan dit effect nog worden versterkt.