Einde inhoudsopgave
Op zoek naar de heilige graal (FM nr. 174) 2022/6.2.4
6.2.4 Kwantitatieve toets: 90%-criterium
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef, datum 01-12-2021
- Datum
01-12-2021
- Auteur
Dr. mr. M. Tydeman-Yousef
- JCDI
JCDI:ADS633580:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting / Persoonsgebonden aftrek
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 2011/12, 33006, nr. 6, p. 10; zie ook de toelichting bij de Wijziging van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001, de Uitvoeringsregeling schenk- en erfbelasting, de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 en de Uitvoeringsregeling Belastingdienst 2003, Stcrt. 2012, 12737, p. 10.
Rechtbank Den Haag 30 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:16600, r.o. 11. Tegen deze uitspraak is zowel hoger beroep als cassatie ingesteld, maar het hof noch de Hoge Raad is op dit punt ingegaan.
Rechtbank Den Haag 30 december 2016, ECLI:NL:RBDHA:2016:16600, r.o. 13.
Besluit van 19 december 2014, Stcrt. 2014, 36877, onderdeel 2.4.
Rechtbank Den Haag 18 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4165, r.o. 6, 17.
Annotatie Molenaar bij Rechtbank Den Haag 18 april 2017, in NTFR 2017/1515.
Zie r.o. 1, 6, 9 en 17 van Rechtbank Den Haag 18 april 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:4165. De inspecteur heeft beroep aangetekend tegen deze uitspraak maar Hof Den Haag verklaarde het beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang (Hof Den Haag 24 november 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3459, r.o. 4.3 en 4.4).
Wanneer een instelling de kwalitatieve toets doorstaat, moet aan de hand van de kwantitatieve toets worden beoordeeld of de instelling het algemeen belang in voldoende mate dient. Sinds 2010 moet een anbi uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogen, waarbij ‘uitsluitend of nagenoeg uitsluitend’ minstens negentig procent betekent (art. 5b, lid 1, onderdeel a, onder 1e AWR). Voor 2010 werd in de rechtspraak een percentage van ten minste vijftig procent gehanteerd.1 De voorwaarde dat een instelling voor ten minste negentig procent het algemeen belang moet dienen, slaat zowel op de regelgeving als de feitelijke werkzaamheden van de instelling (art. 1a, lid 1, onderdeel b Uitv.reg. AWR 1994).
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat bij de beoordeling van dit 90%-criterium met ingang van 2012 de nadruk ligt op de uitgaven of bestedingen van een instelling.2 Zo is de hoogte van de omzet uit commerciële activiteiten in relatie tot de totale omzet niet relevant voor de beantwoording van de vraag of een instelling aan het 90%-criterium voldoet. Het 90%-criterium moet dus niet als een inkomenstoets worden uitgelegd, zoals blijkt uit de parlementaire behandeling.3 Als een instelling met haar uitgaven voor minstens negentig procent een algemeen belang dient, is in de regel voldaan aan het 90%-criterium. Streeft een instelling het algemeenbelangdoel niet door middel van financiële uitkeringen na maar in de vorm van activiteiten, dan ligt de nadruk op de toets of minstens negentig procent van de uitgaven worden aangewend voor die activiteiten. Uit de parlementaire geschiedenis blijkt dat de beoordeling van het 90%-criterium zeer casuïstisch is en afhankelijk van de feiten en omstandigheden.4
Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever als uitgangspunt hanteert dat een instelling uitsluitend (dat wil zeggen honderd procent) het algemeen belang moet dienen.5 Om te voorkomen dat incidentele, kleinschalige activiteiten tot het verlies van de anbi-status zouden leiden, staat de wetgever echter een afwijkende marge van tien procent toe. Dit heeft tot gevolg dat ook het permanent dienen van particuliere belangen binnen de marge van tien procent niet in de weg staat aan de toepassing van de anbi-regeling.6
In de praktijk komt het weleens voor dat de Belastingdienst van een rsli eist dat ze honderd procent van haar bestedingen in het algemeen belang verricht om haar anbi-status te kunnen verkrijgen of te behouden. Dit was het geval bij een islamitische stichting met als doel om in derdewereldlanden onder andere medische hulp en zorg voor gehandicapten en weeskinderen te verschaffen en weduwen te ondersteunen en te begeleiden. Bij de inspecteur was argwaan ontstaan over de mate waarin de activiteiten in het algemeen belang waren verricht nadat de instelling bepaalde imams als gastsprekers op een benefietbijeenkomst had uitgenodigd. Volgens Rechtbank Den Haag voerde de 100%-voorwaarde echter te ver omdat de wet die niet stelt.7 Dat een instelling gastsprekers uitnodigt met dezelfde geloofsovertuiging als die van haar meeste donateurs, maakt niet dat de instelling met haar activiteiten niet nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt, aldus de rechtbank. Bovendien wees de rechter erop dat de instelling de uitnodiging had ingetrokken nadat ze had vastgesteld dat de commotie over hun komst geen bijdrage zou leveren aan de realisatie van haar doel. Ook beklemtoonde de rechtbank dat het feit dat de activiteiten van een instelling samenhangen met een bepaalde geloofsovertuiging niet met zich brengt dat ze deze activiteiten niet in het algemeen belang heeft verricht.8
De kwantitatieve toets speelt ook een belangrijke rol bij zogenoemde loketinstellingen. In de praktijk komt het voor dat donateurs een gift aan een anbi doen met de opdracht om de gift of daaruit vloeiende uitkeringen door te betalen aan een door de donateur aan te wijzen derdebegunstigde. Als de instelling de ontvangen giften niet vanuit haar eigen algemeen nuttige doelstelling besteedt, maar uitsluitend in opdracht van de donateur, dan fungeert ze volgens de staatssecretaris in zoverre als loketinstelling.9 In die visie kan een loketinstelling, waarvan het feitelijke doel is om – net als een bank – in opdracht geld door te betalen aan derdebegunstigden, niet als anbi worden aangemerkt.
Zo moest Rechtbank Den Haag oordelen over de anbi-status van een stichting die op allerlei manieren zendelingen faciliteerde. Deze stichting ontving giften en legaten die op naam van specifiek genoemde vrijwilligers/bestuurders van de instelling waren gedaan. Hoewel de stichting de kwalitatieve toets doorstond, was dat naar het oordeel van de rechtbank niet het geval voor de kwantitatieve toets.10 Met de doorstoot van de geoormerkte giften, die meer dan tien procent van haar uitgaven uitmaakten en waarover de stichting niet vrijelijk kon beschikken, diende de instelling volgens de rechtbank het particuliere belang van haar vrijwilligers en bestuurders en beoogde ze niet het algemeen nut. Op deze uitspraak uit Molenaar als kritiek dat als het zendingswerk in het algemeen belang is, hij niet begrijpt waarom een geoormerkte gift aan een zendeling dat niet zou zijn.11 De ondersteuning van deze zendelingen zou dan in zijn visie niet in hun particuliere belang zijn maar juist in het algemeen belang omdat de zendelingen algemeen nuttig werk doen. Hij gaat er volgens mij echter ten onrechte van uit dat de bestuurders en vrijwilligers ook zendelingen waren, want uit de overwegingen van de rechtbank maak ik op dat de bestuurders en vrijwilligers voor wie de geoormerkte giften waren bestemd, niet per definitie zendelingen waren maar juist de zendelingen hulpverlening boden.12
6.2.4.1 Conclusie kwantitatieve toets