Einde inhoudsopgave
Achtergestelde vorderingen (O&R nr. 114) 2019/7.3.2.4
7.3.2.4 Bedrog
mr. drs. N.B. Pannevis, datum 01-04-2019
- Datum
01-04-2019
- Auteur
mr. drs. N.B. Pannevis
- JCDI
JCDI:ADS186919:1
- Vakgebied(en)
Insolventierecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Algemeen
Vermogensrecht / Rechtsvorderingen
Verbintenissenrecht / Algemeen
Verbintenissenrecht / Overeenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Art. 121 lid 4 Fw.
Art. 3:44 BW, TM, Parl. Gesch. BW Boek 3 1981, p. 210, MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 909, zie ook Asser/Sieburgh 6-III 2018/252. Zie over de plicht om de achterstelling te melden par. 7.3.2.2-7.3.2.4.
Vgl. MvA II Inv., Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3, p. 1148.
HR 2 mei 1969, NJ 1969/344 (Beukinga/Van der Linde). Vgl. Asser/Sieburgh 6-III 2018/252.
Zie art. 121 lid 4 Fw.
Zie HR 12 januari 1909, W 8803 (Houthandel J.G.B. & Co).
Eindverslag I, Parl. Gesch. BW Boek 3, p. 240, MvA II, Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 914 en Nota II Inv., Parl. Gesch. BW Inv. 3, 5 en 6 Boek 3, p. 1170-1171. Zie over analoge toepassing van art. 3:54 BW op bedrog verder GS Vermogensrecht, art. 3:44 BW aant. 1.4.7.2 en art. 3:54 BW, aant. 21.2 met verdere verwijzingen.
Zie par. 7.3.2.4 en HR 2 april 1993, NJ 1995/94 (Cattier/Waanders), r.o. 3.6.4.
433. Als de junior bij het indienen van zijn vordering de achterstelling verzwijgt kan er verder in civielrechtelijke zin sprake zijn van bedrog. In dat geval kan de curator zelfs na sluiting van de verificatievergadering en ondanks de kracht van gewijsde van de erkenning van de vordering toch nog vernietiging vorderen van de erkenning van de vordering waarbij geen rekening is gehouden met de achterstelling.1
De junior pleegt bedrog als hij opzettelijk onjuiste mededelingen doet of de achterstelling verzwijgt terwijl er een plicht bestaat om die te melden en daardoor de juniorvordering wordt erkend zonder achterstelling.2 Net als in strafrechtelijke zin levert dit in civielrechtelijke zin echter geen probleem op als de curator of een van de schuldeisers door eigen onderzoek tot een betwisting komt en de vordering daardoor toch slechts als achtergestelde vordering wordt erkend. Dan zijn de overige schuldeisers niet in een slechtere positie gekomen door de verzwijging van de achtergestelde schuldeiser.3 Er is dan geen sprake van bedrog, althans er treedt geen nadeel op.
De junior pleegt ook geen bedrog als hij zijn achtergestelde vordering indient als concurrente vordering omdat hij daadwerkelijk meent en redelijkerwijs kan menen dat het geen achtergestelde vordering is. In die situatie is er immers geen plicht om de achterstelling te melden en ook geen oogmerk om te misleiden. Ook bij onopzettelijk vergeten kan geen sprake zijn van bedrog.4
Voor bedrog in civielrechtelijke zin is, net als voor strafbare schuldeisersbenadeling, voorwaardelijke opzet voldoende.5 De schuldeiser pleegt dus wel bedrog als hij een aanmerkelijke kans op foutieve verificatie en daaropvolgende benadeling voor lief neemt. Dat kan het geval zijn als hij redelijke gronden heeft om aan te nemen dat hij een achtergestelde vordering heeft en dat bewust verzwijgt bij het aanmelden van zijn vordering.
Als de junior bedrog heeft gepleegd door verzwijging van zijn achterstelling, dan kan de curator vernietiging vorderen van de erkenning van die vordering.6 De schuldeisers kunnen dat niet.7
Na vernietiging van de erkenning zonder de achterstelling is het een passende oplossing om de achtergestelde vordering alsnog als achtergestelde vordering te erkennen. Anders dan bij vernietiging op grond van misbruik van omstandigheden heeft de wetgever een dergelijke reparatiebevoegdheid bij bedrog niet opengesteld.8 De wetgever gaf daarvoor als reden dat niemand gedwongen moet kunnen worden om aan een overeenkomst met een bedrieger gebonden te blijven.9 Die reden gaat echter niet op bij de erkenning van een vordering, omdat die erkenning de failliet niet aan een overeenkomst bindt en de afwikkeling van het faillissement hoe dan ook een aflopende zaak is. De aanpassing van de erkenning is mijns inziens een passende remedie en vraagt geen onredelijke inspanning van de failliet of van de curator.
Als de junior bedrog pleegt door zijn vordering in te dienen zonder de achterstelling te melden dan pleegt hij bovendien een onrechtmatige daad. De andere schuldeisers kunnen hun schade op de bedrieger verhalen voor zover die niet wordt weggenomen door de vernietiging.10 De curator kan ook ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers een schadevergoedingsvordering instellen, zij het dat de bedrieger slechts gehouden is de schade eenmaal te vergoeden.