Einde inhoudsopgave
Misleidende beursberichten (IVOR nr. 124) 2022/1.3.3.2
1.3.3.2 Aard van de aansprakelijkheid
mr. drs. A.C.W. Pijls, datum 01-07-2022
- Datum
01-07-2022
- Auteur
mr. drs. A.C.W. Pijls
- JCDI
JCDI:ADS655901:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 65 onder verwijzing naar Brunner 1981a, p. 214-215.
Ik wijs erop dat de toerekeningsfactor strekking van de geschonden norm overlap vertoont met de relativiteitseis van art. 6:163 BW.
HR 9 juni 1972, NJ 1972/360, m.nt. G.J. Scholten; HR 21 maart 1975, NJ 1975/372, m.nt. G.J. Scholten; HR 8 februari 1985, NJ 1986/136, m.nt. C.J.H. Brunner; HR 4 november 1988, NJ 1989/751, m.nt. C.J. H. Brunner; HR 13 januari 1995, NJ 1997/175, m.nt. C.J.H. Brunner; HR 6 oktober 1995, NJ 1998/190, m.nt. C.J.H. Brunner; HR 25 november 2005, NJ 2007/141, m.nt. C.J.H. Brunner; en minder expliciet HR 11 juni 2010, NJ 2010/332.
Schadevergoeding (Boonekamp), art. 6:98 BW, aant. 4.4.3.1.
Asser/Sieburgh 2021 (6-II), nr. 65; Schadevergoeding (Boonekamp), art. 6:98 BW, aant. 4.4.3.1.
Idem.
In gelijke zin De Jong 2010, p. 52.
Naar aanleiding van het bekende Amercentrale-arrest (HR 13 juni 1975, NJ 1975/509, m.nt. G.J. Scholten) werd in de literatuur in dit verband nogal eens betoogd dat wanneer de aansprakelijkheid van de aangesproken partij berust op risicoaansprakelijkheid, dit op zichzelf een reden is om de schade beperkt toe te rekenen. Sinds het Frieslandhal-arrest (HR 25 april 2008, NJ 2008/262 (Boekema/Ouders), r.o. 3.4.3) lijken de meeste auteurs deze opvatting echter te hebben verlaten en lijkt de communis opinio te zijn dat de strekking van de regeling waarop de desbetreffende risicoaansprakelijkheid is gebaseerd steeds bepalend is voor het antwoord op de vraag of de schade ruim dan wel beperkt moet worden toegerekend. Zie over het laatstgenoemde arrest onder meer Giesen 2008.
Zie in dit verband onder meer de arresten HR 19 december 2003, NJ 2004/348 (S./Staat), r.o. 4.4.3 en HR 25 maart 2011, NJ 2011/139 (Bremer/Hoogheemraadschap Rijnland), r.o. 3.6.5-3.6.6.
Zie in dit verband ook de betekenis die aan de mate van schuld toekomt in het kader van voordeelsverrekening ex art. 6:100BW (zie onder meer het arrest HR 1 oktober 2010,NJ 2013/81, m.nt. T. Hartlief (Verhaeg/Jenniskens)) en in het kader van schadebegroting ten bedrage van de door de aansprakelijke partij behaalde winst exart. 6:104BW (zie onder meer het arrest HR 18 juni 2010, NJ 2015/33, m.nt. T. Hartlief (Doerga/Ymere)).
Schadevergoeding (Boonekamp), art. 6:98 BW, aant. 4.4.4.
Vgl. in het kader van de aansprakelijkheid van een vermogensbeheerder Rb. Amsterdam 21 december 2011, JOR 2012/81 (X Holding BV/Wealth Management Partners NV), r.o. 4.16, waar de rechtbank in het kader van de toerekening ex art. 6:98 BW meeweegt de aard en de ernst van het aan de vermogensbeheerder te maken verwijt.
De eerste te bespreken toerekeningsfactor betreft de aard van de aansprakelijkheid.1 Voor deze toerekeningsfactor hanteer ik zoals ik al opmerkte de onderverdeling van Brunner in drie subfactoren: strekking van de geschonden norm (sub a), schuldgraad (sub b) en aard van de schadeveroorzakende activiteit (sub c).
a. Strekking van de geschonden norm
In algemene zin geldt dat het doel waarmee de geschonden norm in het leven is geroepen en ā in het verlengde daarvan ā de strekking die aan de geschonden norm wordt toegekend, de beschermingsomvang van de desbetreffende norm bepalen en daarmee of toerekening van de in concreto geleden schade gerechtvaardigd is.2,3 Een belangrijk onderscheid dat in dit verband vaak wordt gemaakt, is het onderscheid tussen verkeers- en/of veiligheidsnormen en andersoortige normen. Hierbij kan als stelregel worden gehanteerd dat bij overtreding van de eerstgenoemde normen in beginsel veel ruimer wordt toegerekend dan bij overtreding van bijvoorbeeld normen die strekken tot voorkoming van zuivere vermogensschade.4 Zo is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat bij schending van verkeers- en/of veiligheidsnormen ook de schadelijke gevolgen die ā zoals de Hoge Raad dat pleegt te formuleren ā ābuiten de lijn der normale verwachtingen liggenā (hierbij gaat het meestal om letsel- of overlijdensschade), aan de aansprakelijke persoon kunnen worden toegerekend.5 Het feit dat deze gevolgen niet voorzienbaar of onwaarschijnlijk waren, staat dan dus niet aan toerekening in de weg.6 De ratio van deze (jurisprudentiĆ«le) regel is dat verkeers- en veiligheidsnormen juist met het oog op de voorkoming van ongevallen zijn opgesteld en zij derhalve strekken tot bescherming van lijf en leden.7 Bij het schenden van dergelijke normen dient daarom in algemene zin rekening te worden gehouden met letsel of dood, hoe onwaarschijnlijk en/ of onvoorzienbaar het in het concrete geval ook was dat dit gevolg zou intreden.8
Bij aansprakelijkheid wegens misleiding van het beleggende publiek hebben we niet te maken met schending van verkeers- en/of veiligheidsnormen.9 De toerekeningsfactor strekking van de geschonden norm pleit in het onderhavige onderzoek op zichzelf dus niet voor een ruime toerekening.
b. Schuldgraad
In het kader van de aard van de aansprakelijkheid kan ook de mate van schuld die de aansprakelijke persoon kan worden verweten (geen schuld (bij risicoaansprakelijkheid), lichte schuld, grove schuld of (voorwaardelijk) opzet) van belang zijn voor de schadetoerekening ex art. 6:98 BW.10, 11 Algemeen is aanvaard dat naarmate de schuld aan de schadeveroorzakende gedraging groter is, de hierdoor veroorzaakte schade soepeler aan de dader kan worden toegerekend.12,13 Bij opzet geldt zelfs dat in beginsel alle gevolgen waarop het opzet gericht was aan de dader kunnen worden toegerekend, ongeacht hoe uitzonderlijk de gevolgen in concreto waren.14
Over de relevantie van deze toerekeningsfactor voor het onderhavige onderzoek is in het algemeen niet zoveel te zeggen. Het enige wat men zou kunnen zeggen, is dat naarmate de vennootschap (of een nauw bij de misleiding betrokken derde) een groter verwijt van de misleiding is te maken, de daardoor veroorzaakte koersschade wellicht soepeler aan de vennootschap (of die derde) kan worden toegerekend.15
c. Aard van de schadeveroorzakende activiteit
In het kader van de aard van de aansprakelijkheid kan verder nog betekenis toekomen aan de aard van de activiteit waaruit de aansprakelijkheid voortvloeit.16 Algemeen wordt aangenomen dat schade die bedrijfsmatig is toegebracht ruimer dient te worden toegerekend dan schade die is veroorzaakt door een beroepsfout of een particulier. De gedachte is dat het oogmerk van het maken van winst een ruimere toerekening rechtvaardigt.
De schade(soort) die in het onderhavige onderzoek over misleiding van het beleggende publiek centraal staat, betreft schade die bedrijfsmatig is toegebracht. De toerekeningsfactor aard van de schadeveroorzakende activiteit pleit hier dus op zichzelf voor een ruime toerekening.