Einde inhoudsopgave
Naar een Nederlandse political question-doctrine? (SteR nr. 50) 2020/4.2.2
4.2.2 Het steunen van een militaire staatsgreep
mr. drs. R. van der Hulle, datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. drs. R. van der Hulle
- JCDI
JCDI:ADS233725:1
- Vakgebied(en)
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
U.S. Court of Appeals (D.C. Circuit) 28 juni 2005, 412 F.3d 190 (Schneider v. Kissinger).
Idem, p. 191-192.
Idem, p. 192-193.
Idem, p. 194.
Idem, p. 194-195.
Idem, p. 197.
Idem.
Idem, p. 198: ‘For the reasons set forth above, we conclude that at least the first four of the six Baker factors compel a determination that this case raises political questions committed to the political branches and therefore is beyond the jurisdiction of the courts.’
Idem.
U.S. Court of Appeals (D.C. Circuit) 9 juni 2006, 449 F.3d 1260 (Gonzalez-Vera v. Kissinger).
Idem, p. 1262.
Idem, p. 1263-1264.
Idem, p. 1264.
Bij de bespreking van de relevante rechtspraak van lagere federale rechters kan de zaak Schneider v. Kissinger (hierna: Schneider) als vertrekpunt worden genomen. Zoals hierna zal blijken, vormt deze zaak een belangrijk precedent voor andere zaken.1 Concreet ging het in Schneider om het optreden van de CIA na de verkiezing van de Salvador Allende als president van Chili in 1970. De verkiezing van de socialist Allende werd door toenmalig President Nixon en zijn adviseurs, onder wie Henry Kissinger, aanvankelijk nationaal veiligheidsadviseur en later minister van Buitenlandse Zaken, onwenselijk geacht. Daarop werd besloten om met hulp van de CIA een militaire staatsgreep op touw te zetten die generaal Pinochet uiteindelijk aan de macht zou helpen.2
Bij de voorbereiding van deze staatsgreep was een andere Chileense generaal, die als een bedreiging werd gezien voor het welslagen daarvan, op gewelddadige wijze om het leven gekomen. De nabestaanden van de generaal daagden de Amerikaanse Staat en verschillende overheidsfunctionarissen, onder wie Kissinger, voor de Amerikaanse rechter. Dat deden zij eerst enkele decennia later, na openbaarmaking van documenten waaruit het handelen van CIA en de daaraan voorafgaande politieke besluitvorming naar voren komt. Voor de rechter betoogden zij dat de generaal door marteling om het leven was gekomen en dat niet alleen de Staat, maar ook Kissinger en de andere functionarissen daarvoor verantwoordelijk waren.3
De lagere rechter ging hier niet in mee en concludeerde dat de rechtmatigheid van de beslissing om een staatsgreep in Chili op touw te zetten een political question is waarover de rechter zich niet behoort uit te spreken. Daarbij stelde hij voorop dat de aanwezigheid van één van de Baker-factoren reeds voldoende kan zijn voor het oordeel dat een political question aanwezig is:
‘To find a political question, we need only conclude that one factor is present, not all.’4
Vervolgens stelde hij vast dat dit geschil raakte aan de vormgeving van het buitenlands beleid en dat dit een beleidsterrein betreft dat grondwettelijk door de President en het Congres moet worden vormgegeven. De eerste Baker-factor was daarom van toepassing.5
Ook aan de tweede Baker-factor was volgens de lagere rechter voldaan. Bij deze factor is het van belang of er duidelijke en objectieve criteria voorhanden zijn om het voorliggende geschil te beoordelen. In dit geval hadden de nabestaanden van de generaal een algemeen beroep gedaan op het Amerikaanse leerstuk van de onrechtmatige daad. Volgens de lagere rechter is een dergelijk algemeen beroep, zonder de daaruit voortvloeiende rechtsnormen te concretiseren, echter onvoldoende:
‘We agree […] that recasting foreign policy and national security questions in tort terms does not provide standards for making or reviewing foreign policy judgments.’6
Volgens de lagere rechter was de derde Baker-factor eveneens van toepassing. In dat kader overwoog hij dat de beslissing om een staatsgreep in een ander land op touw te zetten een ingrijpende maatregel is. Of een dergelijke maatregel noodzakelijk is, vergt eerst en vooral politieke afwegingen en daarmee beleidsbeslissingen met een politiek en niet zozeer een juridisch karakter:
‘To determine whether drastic measures should be taken in matters of foreign policy and national security is not the stuff of adjudication, but of policymaking.’7
Om dezelfde redenen was volgens de lagere rechter ook aan de vierde Bakerfactor voldaan. Zoals beschreven, gaat het er bij die factor om of de rechter met een inhoudelijk oordeel niet langer de binnen de trias vereiste afstand ten opzichte van de andere staatsmachten in acht zou nemen. Volgens de lagere rechter zou hij, door een inhoudelijk oordeel van de beslissing van President Nixon en zijn naaste adviseurs om een militaire staatsgreep op touw te zetten, zich te veel op het terrein van het Congres en de President begeven.8
De lagere rechter voegde hier nog een belangrijke overweging aan toe. Hij benadrukte dat de achterliggende, politieke beslissing van de President om een militaire staatsgreep in Chili op touw te zetten en het optreden van de CIA ter uitvoering van die beslissing zodanig met elkaar verbonden waren, dat zij niet van elkaar konden worden gescheiden. Omdat een beoordeling van de rechtmatigheid van deze achterliggende beslissing een political question betreft, had hetzelfde te gelden voor de uitvoeringshandelingen van de CIA.9
Het zojuist beschreven oordeel van de lagere rechter in Schneider zou ook in andere zaken een belangrijke rol spelen. Een voorbeeld van een dergelijke zaak is Gonzalez-Vera v. Kissinger.10 Ook daarin was de door de Amerikaanse regering op touw gezette staatsgreep in Chili na de verkiezing van Salvador Allende als president aan de orde. Diverse betrokkenen voerden aan dat tijdens deze staatsgreep met medeweten en goedkeuring van de regering op grote schaal martelingen hadden plaatsgevonden. Daarbij maakten zij in het bijzonder een verwijt aan Henry Kissinger. Als nationaal veiligheidsadviseur en minister van Buitenlandse Zaken zou hij de staatsgreep hebben aangestuurd buiten het toezicht van het Congres om.11
Onder verwijzing naar Schneider concludeerde de lagere rechter dat de beslissing van de regering om een militaire staatsgreep in Chili op touw te zetten en het optreden van de CIA ter uitvoering van deze beslissing political questions waren. Daarbij benadrukte hij dat Kissinger had gehandeld in de hoedanigheid van nationaal veiligheidsadviseur en later als minister van Buitenlandse Zaken, en uit dien hoofde verantwoording schuldig was geweest aan President Nixon.12 Het betoog van eisers dat op grote schaal martelingen hadden plaatsgevonden, stelde de doctrine volgens de lagere rechter niet buiten werking en was daarom geen reden om alsnog tot een inhoudelijke beoordeling over te gaan:
‘We need not quarrel with the plaintiffs’ assertion that certain claims for torture may be adjudicated in the federal courts […]. We simply observe that such a claim, like any other, may not be heard if it presents a political question.’13
Deze redenering gaat bijzonder ver en is mijns inziens, zoals ik later in dit hoofdstuk zal betogen, voor discussie vatbaar.