Einde inhoudsopgave
Het systeem van sanctionering van fiscale fraude (FM nr. 166) 2021/5.2.6.4
5.2.6.4 Art. 50 EU-Handvest
Dr. C. Hofman, datum 01-04-2021
- Datum
01-04-2021
- Auteur
Dr. C. Hofman
- JCDI
JCDI:ADS270133:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tot die tijd kon in Europese Unie verband beroep worden gedaan op art. 54 SUO, zie bijv. het arrest Van Esbroeck. Overigens komt (de uitleg van) dit artikel niet helemaal overeen. Art. 50 Handvest stelt in tegenstelling tot artikel 54 SUO geen uitvoeringsvoorwaarde én beperkt zich, eveneens in tegenstelling tot artikel 54 SUO, tot vrijspraken en veroordelingen, aldus Ouwerkerk 2012, onderdeel 4.1.
HvJ EU 26 februari 2013, ECLI:EU:2013:105, BNB 2014/15 (Åkerberg Fransson), r.o. 17.
Ouwerkerk 2012, onderdeel 3.4.
Art. 52 lid 3 EU-Handvest: “Voor zover dit EU-Handvest rechten bevat die corresponderen met rechten welke zijn gegarandeerd door het EVRM en de fundamentele vrijheden, zijn de inhoud en reikwijdte ervan dezelfde als die welke er door genoemd verdrag aan worden toegekend. Deze bepaling verhindert niet dat het recht van de Unie een ruimere bescherming biedt.”
Conclusie A-G HvJ EU Campos Sánchez-Bordona van 12 januari 2-17, nrs. C-217 en C-350/15, onderdeel 58, verwijst naar HvJ EU 26 februari 2013, ECLI:EU:2013:105, BNB 2014.15, r.o. 37 (Åkerberg Fransson).
Zie bijvoorbeeld Poelmann en Baron 2017, § 2.
Zie bijvoorbeeld HvJ EU 20 maart 2018, ECLI:EU:C:2018:197 (Luca Menci). Als sprake is van dubbele bestraffing van hetzelfde feit, moet bekeken worden in hoeverre een rechtvaardigingsgrond uitkomst kan bieden. Hiervan is sprake als een algemeen belang wordt nagestreefd, dat een cumulatie van vervolgingsmaatregelen en sancties kan rechtvaardigen, waarbij die vervolgingsmaatregelen en die sancties elkaar aanvullende doelen hebben. Verder is van belang dat voor onderlinge afstemming kan worden gezorgd, opdat de extra belasting die voor de betrokkenen uit een cumulatie van procedures voortvloeit, tot het strikt noodzakelijke wordt beperkt, en tot slot moet erop worden gelet dat de zwaarte van het geheel van de opgelegde sancties beperkt is tot het strikt noodzakelijke in verhouding tot de ernst van het delict in kwestie.
HvJ EU 26 februari 2013, ECLI:EU:2013:105, BNB 2014.15 (Åkerberg Fransson), r.o. 21.
HvJ EG 9 maart 2006, ECLI:EU:C:2006:165, NJ 2006/488 (Van Esbroeck), r.o. 35.
Artikel 54 SUO codificeert een verbod op vervolging van een persoon die ter zake van dezelfde feiten reeds bij onherroepelijk vonnis is berecht, waar ook in de Europese Unie. De SUO kwam tot stand in 1990 en werd als onderdeel van het Schengen acquis middels een protocol bij het verdrag van Amsterdam geïncorporeerd in de rechtsorde van de Europese Unie.
Ouwerkerk 2012, onderdeel 3.1, met verwijjzing naar HvJ EG 9 maart 2006, ECLI:EU:C:2006:165, NJ 2006/488 (Van Esbroeck), r.o. 35. Zie bijvoorbeeld ook p. 7 van het Eurojust overview of Case law by the Court of Justice of the European Union on the principle of ne bis in idem in criminal matters, April 2020.
Ouwerkerk 2012, onderdeel 3.1, met verwijjzing naar HvJ EG 9 maart 2006, ECLI:EU:C:2006:165, NJ 2006/488 (Van Esbroeck), r.o. 37 t/m 38 en 42.
HvJ EG 28 september 2006, ECLI:EU:C:2006:614, NJ 2007/56 (Van Straaten).
HvJ EG 28 september 2006, ECLI:EU:C:2006:614, NJ 2007/56 (Van Straaten), r.o. 49 en 50.
HvJ EG 28 september 2006, ECLI:EU:C:2006:610, NJ 2007/57 (Gasparini)., r.o. 56 en 57.
Zie HvJ EU 20 maart 2018, ECLI:EU:C:2018:193 (Garlsson Real Estate e.a.) en ECLI:EU:C:2018:192 (Puma and Consob.).
HvJ EU 20 maart 2018, ECLI:EU:C:2018:197 (Luca Menci), r.o. 17. Volgens de toelichtingen bij artikel 52 van het EU-Handvest beoogt lid 3 te zorgen voor de nodige samenhang tussen het Handvest en het EVRM, zonder dat dit evenwel de autonomie van het recht van de Unie of van het HvJ EU van de Europese Unie aantast.
Conclusie A-G HvJ EU Campos Sánchez-Bordona van 12 september 2017, ECLI:EU:C:2017:667 (Luca Menci).
HvJ EU 20 maart 2018, ECLI:EU:C:2018:197 (Luca Menci), r.o. 11 t/m 16.
HvJ EU 20 maart 2018, ECLI:EU:C:2018:197 (Luca Menci), r.o. 35 en 36.
HvJ EU 5 april 2017, ECLI:EU:C:2017:264 (Orsi en Baldetti), r.o. 9 t/m 13.
Conclusie A-G HvJ EU Campos Sánchez-Bordona van 12 januari 2017, ECLI:EU:C:2017:14 (Orsi en Baldetti).
HvJ EU 5 april 2017, ECLI:EU:C:2017:264 (Orsi en Baldetti), r.o. 21 en 22.
HvJ EU 5 april 2017, ECLI:EU:C:2017:264 (Orsi en Baldetti), r.o. 15 en 24.
Toelichting ad artikel 50 EU-Handvest, PbEU 14 december 2007, C303/17.
Sinds 1 december 2009 heeft het EU-Handvest een bindend karakter.1 Het toepassingsgebied van het EU-Handvest, wat het optreden van de lidstaten betreft, is omschreven in art. 51 lid 1 van het EU-Handvest, op grond waarvan de bepalingen van het EU-Handvest uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten zijn gericht.2 De door het EU-Handvest gewaarborgde grondrechten moeten dus worden geëerbiedigd wanneer een nationale regeling binnen het toepassingsgebied van het Unierecht valt. Ouwerkerk benadrukt:
“Artikel 50 EU-Handvest heeft dus duidelijk een bredere werkingssfeer dan Artikel 4 P7 EVRM, dat immers alleen geldt binnen de rechtsmacht van dezelfde staat.”3
Overeenkomstig art. 52 lid 3 EU-Handvest moeten de inhoud en reikwijdte van de bepalingen uit het Handvest hetzelfde zijn als die welke er aan worden toegekend door het overeenkomstige voorschrift van het EVRM.4 Het is niet zo dat het ratificatieniveau van een protocol van het EVRM gevolgen heeft voor het gebruik ervan als criterium voor de uitlegging van art. 50 EU-Handvest.5 Via de gelijke interpretatie van art. 50 EU-Handvest door het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: HvJ EU) op grond van art. 52 lid 3 Handvest, kan art. 4 7de Protocol EVRM met name in omzetbelastingzaken relevant zijn, aangezien de btw Europeesrechtelijk is geharmoniseerd.6 Het HvJ EU hanteert (in vergelijking met het EHRM) wel zijn eigen stappenplan.7
Wanneer het Unierecht toepasselijk is, impliceert dit dus dat de door het EU-Handvest gewaarborgde grondrechten – waaronder ne bis in idem, zoals vastgelegd in art. 50 – toepassing vinden.8 De bedoeling van art. 50 EU-Handvest is een verbod op meermalen vervolging en bestraffing voor hetzelfde strafbare feit:
“Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet.”
Om dit doel te bereiken zijn in art. 50 EU-Handvest drie bestanddelen opgenomen, die herkenbaar zijn in die zin dat ze ook terugkwamen in art. art. 4 lid 1 7de Protocol EVRM. In het hiernavolgende zullen de verschillende bestanddelen worden behandeld.
Hetzelfde feit in de zin van het EU-Handvest
Het eerste onderdeel betreft hetzelfde feit. Het HvJ EG oordeelde over ‘hetzelfde feit’-begrip voor het eerst in het arrest Van Esbroeck van 9 maart 2006, namelijk over het exporteren van drugs vanuit een land naar een ander land (vanuit het perspectief van dit laatste land was dus sprake van import). De vraag was of export en import samenvielen. Volgens het HvJ EU omvat de term ‘hetzelfde feit’ een geheel van feiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, ongeacht de juridische kwalificatie van de feiten of het beschermde rechtsbelang.9 Ouwerkerk schrijft op basis van dit arrest dat het voor de hand ligt om bij de beoordeling of sprake is van dezelfde feiten een feitelijk criterium aan te leggen, omdat het HvJ EU de toepassing van artikel 54 Overeenkomst ter Uitvoering van het Schengen Verdrag (hierna: SUO)10 dan niet afhankelijk maakt een voorafgaande harmonisatie van het materiële strafrecht van de lidstaten.11 Hoewel aan de nationale rechter wordt overgelaten of van een zodanige gelijkheid van de materiële feiten in een concrete zaak sprake is, geeft het HvJ EG wel aan dat dit in beginsel het geval is als het gaat om enerzijds de invoer van verdovende middelen en anderzijds de uitvoer van dezelfde verdovende middelen.12
In de arresten van het HvJ EG in de arresten Van Straaten en Gasparini van 28 september 2006 is deze lijn, waaruit blijkt dat de juridische kwalificatie van gedrag niet (zo) relevant is, bevestigd. Hieruit bleek overigens ook dat sprake is van dezelfde feiten indien het materiële feitencomplex niet volledig identiek is.13 Het ging namelijk wederom om uitvoer van 1000 gram drugs waarvoor in Nederland reeds een vervolging had plaatsgevonden en een sanctie was opgelegd, welke hoeveelheid deel uitmaakte van een hoeveelheid van 5 kilogram. Voor de invoer van die grotere hoeveelheid wilden de Italiaanse autoriteiten vervolgens vervolgen.14 In het Gasparini-arrest, wat diezelfde dag werd gewezen, en waarin het ging om de inkoop en doorverkoop van van die drugs, werd nog eens herhaald dat het gaat om de gelijktijdigheid van materiële feiten, van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn:
“Het is evenwel aan de bevoegde nationale instanties om uiteindelijk te bepalen of de in geding zijnde materiële feiten een geheel van feiten vormen die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn naar tijd en plaats en wat het voorwerp ervan betreft (zie arrest Van Esbroeck, reeds aangehaald, punt 38). Uit het voorgaande volgt dat de verhandeling van goederen in een andere lidstaat, na import daarvan in de lidstaat waar de vrijspraak is uitgesproken, een handeling vormt die deel kan uitmaken van ‘dezelfde feiten’ in de zin van artikel 54 SUO.15
Van belang in het kader van ‘hetzelfde feit’-begrip is het arrest Luca Menci van het HvJ EU van 20 maart 2018, dat volgde op het in paragraaf 7.2. te bespreken arrest A&B/Noorwegen van het EHRM. Op diezelfde dag wees het HvJ EU overigens twee vergelijkbare arresten, maar niet in de belastingsfeer (maar wel over het onderdeel ‘bis’ uit de ne bis in idem-formule).16
In de zaak Luca Menci stond de volgende hoofdvraag centraal: “Moet art. 50 EU-Handvest worden gelezen in het licht van art. 4 7de Protocol EVRM?”17 A-G HvJ EU Campos Sánchez-Bordona adviseerde het HvJ EU in deze zaak, de door het EHRM ingezette lijn uit de zaak A&B/Noorwegen niet te volgen, hij noemde deze namelijk complex en weinig inzichtelijk.18 Over dit punt meer in paragraaf 7.2.3.1.
Belanghebbende was in deze zaak administratief beboet vanwege het niet betalen van de btw van zijn eenmanszaak, en werd vervolgens strafrechtelijk vervolgd voor hetzelfde feit, aangezien het niet betalen van btw ook een strafbaar feit oplevert.19 Het HvJ EU oordeelde dat voor de beoordeling of sprake is van hetzelfde feit relevant is of de materiële feiten dezelfde zijn, in die zin dat sprake is van een geheel van concrete omstandigheden die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, waarbij de nationaalrechtelijke kwalificatie van de feiten en van het beschermde rechtsgoed irrelevant is:
“35. According to the Court’s case-law, the relevant criterion for the purposes of assessing the existence of the same offence is identity of the material facts, understood as the existence of a set of concrete circumstances which are inextricably linked together which resulted in the final acquittal or conviction of the person concerned (see, by analogy, judgments of 18 July 2007, Kraaijenbrink, C-367/05, EU:C:2007:444, paragraph 26 and the case-law cited, and of 16 November 2010, Mantello, C-261/09, EU:C:2010:683, paragraphs 39 and 40). Therefore, Article 50 of the Charter prohibits the imposition, with respect to identical facts, of several criminal penalties as a result of different proceedings brought for those purposes 36. Moreover, the legal classification, under national law, of the facts and the legal interest protected are not relevant for the purposes of establishing the existence of the same offence, in so far as the scope of the protection conferred by Article 50 of the Charter cannot vary from one Member State to another.”20
Dezelfde persoon
Het tweede bestanddeel betreft dezelfde persoon. Ook betrekkelijk recent, namelijk in 2017 speelde omtrent dit onderdeel een belangrijke zaak bij het HvJ EU inzake de uitleg van onder andere art. 50 EU-Handvest. De verzoeken om een prejudiciële beslissing zijn ingediend in het kader van twee strafzaken tegen respectievelijk Orsi en Baldetti, twee Italianen, beide wettelijke vertegenwoordigers van een Società a responsabilità limitatà (hierna: Srl). In Italië werden beiden vervolgd omdat zij als wettelijk vertegenwoordigers van de vennootschappen zouden hebben nagelaten om binnen de wettelijke termijn btw te betalen die was verschuldigd op grond van de jaarlijkse aangifte voor de aan de orde zijnde belastingtijdvakken. De strafzaken werden geopend nadat de Italiaanse Belastingdienst deze strafbare feiten had aangeklaagd bij het Italiaanse OM. Voorafgaand aan de inleiding van de strafzaken werd voor de aan de orde zijnde btw-bedragen door de Belastingdienst een aanslag opgelegd, waarin niet alleen het bedrag van de belastingschuld was vastgelegd, maar ook een belastingboete van 30% van het verschuldigde btw-bedrag werd opgelegd. De vraag die aan het HvJ EU werd gesteld was – vrij vertaald – of het was toegestaan nationale wettelijke regelingen te hanteren die toestaan dat strafrechtelijke aansprakelijkheid van een rechtssubject wordt onderzocht, terwijl voor hetzelfde feit (in casu het verzuim om btw te betalen) door de Belastingdienst reeds een definitieve aanslag is opgelegd, vermeerderd met een bestuursrechtelijke sanctie.21
Het HvJ EU ziet dat de fiscale sancties zijn opgelegd aan twee vennootschappen met rechtspersoonlijkheid (de Srl’s), terwijl de aan de orde zijnde strafzaken betrekking hebben op de natuurlijke personen Orsi en Baldetti. Derhalve blijkt, zoals A-G HvJ EU Campos Sánchez-Bordona ook opmerkte in zijn conclusie dat de fiscale boete en de strafrechtelijke vervolging betrekking hebben op verschillende personen, namelijk de rechtspersonen waaraan de boete is opgelegd en de natuurlijke personen die zijn vervolgd.22 Om deze reden is niet voldaan aan de toepassingsvoorwaarde voor het ne bis in idem beginsel, volgens welke dezelfde persoon het voorwerp moet uitmaken van de sancties en de desbetreffende vervolgingen.23
Het HvJ EU zet nog uiteen dat art. 50 EU-Handvest een recht bevat dat overeenstemt met dat van art. 4 7de Protocol bij het EVRM. Desondanks herinnert het HvJ EU de verwijzende rechter eraan dat de referentie naar art. 4 van het 7de Protocol bij het EVRM slechts in ogenschouw zal worden genomen in zoverre dat voor zover art. 50 EU-Handvest een recht bevat dat overeenstemt met dat van art. 4 7de Protocol bij beschermingsniveau. Uitgangspunt blijft dat – ofschoon de door het EVRM erkende grondrechten als algemene beginselen deel uitmaken van het Unierecht, en ofschoon art. 52 lid 3 EU-Handvest bepaalt dat rechten uit het Handvest die overeenstemmen met door het EVRM gewaarborgde rechten, dezelfde inhoud en reikwijdte hebben als die welke er door dat verdrag aan worden toegekend – dat verdrag, zolang de Unie er geen partij bij is, geen formeel in de rechtsorde opgenomen rechtsinstrument is.24 Kortom: het HvJ EU onderzoekt de vraag uitsluitend in het licht van de door het EU-Handvest gewaarborgde grondrechten.
Het HvJ EU lijkt recapitulerend tot (soort)gelijke oordelen als het EHRM te komen, zowel als het gaat om de uitleg van het begrip hetzelfde feit, als het begrip dezelfde persoon. Dit is niet vreemd, gezien de toelichting bij art. 50 EU-Handvest:
“Wat de in artikel 4 van het Zevende Protocol bedoelde situaties betreft, namelijk de toepassing van het beginsel binnen de rechtsmacht van dezelfde staat, heeft het gewaarborgde recht dezelfde inhoud en reikwijdte als het overeenkomstige recht van het EVRM”.25
Het derde element betreft een dubbele straf(vervolging). Hierop wordt ingegaan in paragraaf 7.2.4. (toetskader met betrekking tot de toelaatbaarheid van dubbele bestraffende procedures) en 7.3.4. (toetsing van eventuele mogelijkheden tot dubbele bestraffende procedures naar nationaal recht).