Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.5.7
7.6.5.7 De bedrijfsmatige gebruiker heeft het gebrek op andere wijze veroorzaakt
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS303970:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
R.o. 5.3.2, herhaald in r.o. 5.3.3.
Treffend is overigens dat Foekens – en niet eigenaar Metals BV die haar loods ter beschikking had gesteld – ex art. 6:181 jo. 174 aansprakelijk werd geacht zónder dat (kenbare) aandacht werd besteed aan de tenzij-clausule in lid 1 van art. 6:181.
R.o. 3.5.
In dit perspectief past ook Hof Arnhem-Leeuwarden 6 februari 2018, ECLI:NL:GHARL:2018:1182 (Bierfeest), over de gebrekkigheid van een opstal die als partycentrum werd geëxploiteerd (r.o. 4.19): ‘De slotsom is dat de aanwezigheid van een muurtje op deze hoogte en op deze plaats in een zaal die gebruikt wordt als danszaal naar het oordeel van het hof een gevaarlijke situatie in het leven roept, te weten de situatie dat een ‘feestganger’ het muurtje niet in de gaten heeft en erover valt.’ (curs. AK). Zie tevens Hof Den Bosch 2 juli 2013, JA 2013/159 (Bierfusten), waarin een huurder in een pand uit 1930 een cafébedrijf exploiteert. Een bezorger van bierfusten viel van de trap toen hij deze in de kelderruimte van het pand wilde plaatsen. Geoordeeld werd dat de trap geschikt was als trap c.q. om zonder gevaar naar de kelder te lopen, maar dat deze ongeschikt was voor het vervoer van zware fusten. Een gebrek dat volgens het hof opgeheven zou kunnen worden door het plaatsen van een transportglijbaan. In Rb. Utrecht 16 januari 2008, JA 2008/38 (Ontbreken traptrede) ging het daarentegen om een trap die niet geschikt was als trap. Alsdan is sprake van een ‘eigen’ gebrek van de opstal en behoort de eigenaar de kwalitatief aansprakelijke te zijn.
Naast de gevallen van ‘fysieke’ veroorzaking, kan de bedrijfsmatige gebruiker van een opstal deze ook ‘op andere wijze’ gebrekkig doen zijn. Een sprekend geval betreft de situatie waarin de bedrijfsmatige gebruiker in verband met zijn bedrijfsvoering aan de opstal een andere bestemming dan voorheen geeft en de opstal vanwege de veranderde bestemming niet meer aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Hiervan biedt het arrest Schavemaker/Planet c.s. een voorbeeld. Een bedrijfsunit zónder brandwerende voorzieningen is niet gebrekkig wanneer de daarin verrichte activiteiten bestaan uit de opslag en handel in ‘onschuldige’ goederen als kleding, terwijl diezelfde unit niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet wanneer daarin brandgevaarlijke activiteiten worden verricht. Alleen in het laatste geval is de unit ‘in de gegeven omstandigheden’, namelijk vanwege het specifieke (gevaarzettende) gebruik dat daarvan werd gemaakt, ondeugdelijk en wel omdat deze (alleen) in dát geval een te geringe bescherming bood tegen de gevaren van brand. De Hoge Raad overwoog in het arrest Schavemaker/Planet c.s. in algemene zin dat onder de ‘in de gegeven omstandigheden aan de opstal te stellen eisen’ ook valt het gebruik dat van de opstal wordt gemaakt, zodat de gebrekkigheid van een opstal ook gelegen kan zijn in eigenschappen die deze gezien het gebruik dat ervan wordt gemaakt onveilig doet zijn.1 Zo werd ook in HR 20 oktober 2000, NJ 2000/700 (Foekens/Naim) een op zich deugdelijke loods gebrekkig geacht, omdat deze was voorzien van een soort isolatiemateriaal dat vanwege de in de opstal verrichte brandgevaarlijke werkzaamheden als te brandbaar had te gelden. De loods was ‘in de gegeven omstandigheden’ gebrekkig, want ongeschikt voor het specifieke gebruik dat daarvan werd gemaakt.2 De Hoge Raad oordeelde in dit arrest reeds in algemene zin dat ‘gebrekkigheid’ als bedoeld in art. 6:174 aan de orde is ‘in alle gevallen’ waarin een opstal niet voldoet aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mag stellen, waaronder ook valt het (specifieke) gebruik dat van de opstal wordt gemaakt.3 Een ander voorbeeld biedt Rb. Groningen 5 september 2007, JA 2007/167 (Discotheek Bermuda), waarin een bezoeker van een bar/dancing over een 90 cm hoog hekwerk viel en terechtkwam op de 9 meter daaronder gelegen dansvloer. De bar/dancing was volgens de rechtbank gebrekkig in de zin van art. 6:174, omdat het hekwerk niet afdoende valbeveiliging bood. Stel dat deze opstal met een relatief lage reling als valbescherming normaliter door de eigenaar werd gebruikt als kantoorgebouw, maar op zeker moment aan een ander werd verhuurd die in het pand de betreffende discotheek is gaan exploiteren. Hoewel deze bedrijfsmatige gebruiker het betreffende gebrek niet fysiek heeft veroorzaakt, staat dit wel in verband met zijn specifieke gebruik van de opstal als discotheek en behoort hij aldus de aansprakelijkheid ex art. 6:174 te dragen.4
Voor de zojuist genoemde gevallen was het, zoals is geschied in het arrest Schavemaker/Planet c.s., overigens niet nodig het arrest DB/Edco te preciseren (‘het bestaan’ van het gebrek toevoegen aan ‘het ontstaan’ van het gebrek). Wanneer een bepaalde, gevaarzettende bestemming aan een opstal wordt gegeven die daardoor te onveilig wordt, kan immers aangenomen worden dat de gebrekkigheid van de opstal (pas) ‘ontstaat’ op het moment dat die betreffende activiteiten in de opstal worden verricht.