Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/7.6.5.0
7.6.5.0 Introductie
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS299228:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. Parl. gesch. Boek 6, p. 747, 755.
Zie ook Rb. Den Haag 4 maart 2015, JA 2015/79 (Hond Jengo), r.o. 4.9 over het relevante onderscheid tussen een opstal en een dier omdat een dier ‘per definitie een potentieel en niet door mensen te voorkomen risico van schade met zich brengt.’
Schut 1963, p. 209, met verwijzingen. Naar voren komt dat in beginsel steeds de eigenaar wordt geacht tegenover derden de verantwoordelijkheid te dragen voor de staat waarin onroerende goederen verkeren. Illustratief is ook dat de voorloper van art. 6:174 (art. 1405 OBW) als aansprakelijke persoon louter de eigenaar kende, terwijl de voorloper van art. 6:179 (art. 1404 OBW) als zodanig ofwel de eigenaar ofwel de gebruiker aanwees.
Zie art. 6:173 lid 2 jo. lid 1 sub b van art. 6:185.
Vgl. de insteek van de cassatiemiddelen, sub 9 in het Pony-arrest over de aansprakelijkheid van de eigenaar of gebruiker van de in art. 1404 OBW bedoelde dieren. De Hoge Raad oordeelde vervolgens ook dat in deze kwestie niet de (zeer) tijdelijke gebruiker van het dier maar de eigenaar de aansprakelijke persoon was.
Dit is uiteraard anders indien de professionele beheerder bij het lappen van de ramen van de opstal een met het oog op die klus van een derde gehuurde ladder gebruikt, die door een gebrek schade toebrengt aan een toevallige passant: de beheerder heeft door het feitelijk handelen met de ladder het aansprakelijkheidsrisico ex art. 6:181 jo. 173 van schade door een verborgen gebrek in de ladder aanvaard.
Voor ‘beheerders’ als een beveiligings-, portiers- of makelaarsbedrijf geldt dit niet.
In deze zin is ook Hof Amsterdam 26 oktober 2006, ECLI:NL:GHAMS:2006:AZ6089 (Allianz/SFB Diensten). Vgl. ook Schut 1963, p. 209, die aangeeft dat de ‘verantwoordelijkheid’ van de eigenaar ook blijft bestaan indien hij ‘feitelijk de zorg voor het gebouw aan een ander overdraagt’.
Vgl. de hulppersoon-constructie die in HR 22 maart 1946, NJ 1946/194 (Beijnes/Lekx) en HR 31 mei 1963, NJ 1966/338 (Ingeschaarde vaars) op het terrein van art. 1404 OBW werd aangenomen: wanneer de eige-naar de zorg voor zijn dier aan een ander overliet, kwalificeerde die ander niet als ‘gebruiker’ ex art. 1404 OBW, maar bleef de eigenaar de aansprakelijke persoon die daarbij had in te staan voor een eventueel tekortschieten in de zorg voor het dier door degene aan wie hij dit had toevertrouwd.
Vgl. Parl. gesch. Boek 6, p. 755, waaruit volgt dat art. 6:174 mede een aansprakelijkheid inhoudt voor fouten van anderen bestaande uit het creëren of laten voortbestaan van een gebrek, in die zin dat de aansprakelijkheid van art. 6:174 in beginsel geldt ongeacht de oorzaak van de gebrekkige toestand.
Art. 6:174 beschermt tegen het ‘verhoogde gevaar’ dat voortvloeit uit een gebrek in een opstal.1 Net als een roerende zaak en anders dan een gevaarlijke stof of dier wordt een opstal niet naar zijn aard gevaarlijk geacht,2 maar (pas) wanneer sprake is van een innerlijke gesteldheid die afwijkt van waaraan deze in de gegeven omstandigheden behoort te voldoen. Tegelijkertijd verschilt een opstal als gevaarsobject ook van een roerende zaak. Waar het bedrijfsmatig ‘gebruik’ van een roerende zaak (in de zin van een feitelijk handelen) het gevaar waartegen art. 6:173 beoogt te beschermen in de hand werkt of opwekt, ligt dit voor een opstal die in de uitoefening van een bedrijf wordt ingezet anders. Degene die een opstal van een ander in gebruik heeft (zoals een bedrijfsmatige huurder) handelt veelal niet feitelijk met deze zaak zelf, maar de opstal doet dienst als ‘huisvesting’ van de eigenlijke bedrijfsactiviteiten die doorgaans met de in art. 6:173, 175 en 179 bedoelde zaken worden verricht. Anders gezegd, de (‘toevallige’) gebruiker van een opstal werkt met zijn activiteiten die ‘onder het dak’ daarvan plaatsvinden in beginsel niet het in art. 6:174 bedoelde verhoogde gevaar van schade door een (verborgen) gebrek aan die opstal in de hand. Van een opstal valt te zeggen dat deze in geval van bedrijfsmatig gebruik door een ander, op andere wijze door de eigenaar ‘uit handen’ wordt gegeven dan in geval van een roerende zaak of dier. Ook als bedoeld gebruik van een opstal is overgedragen aan een ander, blijft de ‘verantwoordelijkheid’ voor de staat waarin dit gebouw of werk verkeert (onderhoud, inspectie, treffen van maatregelen) in de eerste plaats liggen bij de eigenaar. Dit vindt volgens Schut verklaring in het feit:
‘dat de eigenaar van het gebouw, zelfs als een ander het gebruikt, in het algemeen door controle e.d. veel meer invloed kan uitoefenen op bescherming van derden tegen eventuele schadelijke werkingen daarvan dan de eigenaar van andere zaken die uit handen zijn gegeven (bijv. machines, dieren).’3 (curs. AK)
De ‘verantwoordelijkheid’ voor een in art. 6:174 bedoelde opstal rust nadrukkelijker bij de eigenaar dan de ‘verantwoordelijkheid’ voor een roerende zaak of dier uit de art. 6:173 en 179. Óók in geval van bedrijfsmatig gebruik door een ander, is het de ‘achterliggende’ eigenaar die in beginsel geacht wordt de meeste invloed te hebben op de aan de opstal verbonden risico’s en in de beste positie te verkeren anderen tegen de mogelijk schadelijke werking daarvan te beschermen. De (veronderstelde) zorgplicht van de eigenaar voor de staat waarin de opstal verkeert, blijft dus in tact wanneer hij dit gebouw of werk uit handen geeft voor bedrijfsmatig gebruik door een ander. Zo zal bijvoorbeeld de instorting van een dak door een (verborgen) gebrek meestal losstaan van het bedrijf dat veelal ‘toevallig’ onder dat dak wordt gevoerd. In een dergelijk geval behoort niet de gebruiker van de opstal – die niets van doen heeft met het schadeveroorzakende gebrek – maar de eigenaar van het gebouw of werk ‘verantwoordelijk’ te worden gesteld voor de schade. De ‘toevallige’ gebruiker is veeleer te zien als de ‘machteloze buitenstaander’,4 die net als een ‘echte’ derde afhankelijk is van de door de eigenaar met betrekking tot de opstal te betrachten zorg. De situatie verschiet evenwel van kleur wanneer het schadeveroorzakende gebrek verband houdt met de wijze waarop de exploitant de opstal gebruikt. Alsdan kan de bedrijfsmatige gebruiker immers wél geacht worden de grootste mate van invloed te hebben op het schadeveroorzakende element – in dit geval een gebrek in het gebouw of werk – waartegen art. 6:174 beoogt te beschermen. Denk aan het neerkomen van een schoorsteen van een fabrieksgebouw die niet bestand bleek tegen een overmatig trillen en schokken van in dit pand uitgeoefende bedrijfsactiviteiten. Niet de eigenaar maar de bedrijfsmatige gebruiker van de opstal behoort ingevolge art. 6:181 met de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 6:174 te zijn belast, nu deze laatste ‘een grotere mate van verantwoordelijkheid’ draagt voor het ontstaan van de schade. Een parallel valt te trekken met de ‘klevende’ aansprakelijkheid van de producent uit afd. 6.3.3 BW: ook hij blijft na het ‘uit handen geven’ (lees: in het verkeer brengen) van een product aansprakelijk voor schade door een productiegebrek, hetgeen echter anders is indien de in art. 6:173 en 181 bedoelde bezitter of gebruiker van de zaak – vanwege het gebruik dat deze van de zaak heeft gemaakt – ‘verantwoordelijk’ is te achten voor de aanwezigheid van het schadeveroorzakende gebrek.5
Dat in geval van schade door een opstal de aansprakelijkheid van art. 6:174 in de eerste plaats op de eigenaar en niet op de (‘toevallige’) bedrijfsmatige gebruiker rust, wordt ondersteund door het aspect van ‘opspoorbaarheid’. Zo is de eigenaar van een opstal via de openbare registers normaliter steeds een gemakkelijk te achterhalen persoon, hetgeen nog maar de vraag kan zijn met betrekking tot de ‘toevallige’ gebruiker van de opstal wiens gebruik van lange duur maar ook minder bestendig kan zijn en kan berusten op voor derden maar moeilijk te traceren bijzonderheden.6 Het aspect ‘opspoorbaarheid’ is echter niet doorslaggevend, zo volgt ook uit de ‘klevende’ aansprakelijkheid van de producent die vanuit het oogpunt van de achterhaalbaarheid van de aansprakelijke persoon juist bezwaarlijk wordt geacht.7 In geval van schade door een productiegebrek dat zich pas geruime tijd manifesteert nadat het product in het verkeer is gebracht, bestaat voor de benadeelde die naar de producent in af. 6.3.3 BW wordt gedirigeerd – anders dan in geval van een aansprakelijkheid van de eigenaar van een opstal ex art. 6:174 die bij een ander ‘in bedrijfsmatig gebruik’ is – immers geen mogelijkheid een ‘objectieve’ informatiebron als de openbare registers te raadplegen. Leidend is dan ook het aspect ‘zeggenschap’: kwalitatief aansprakelijk is steeds degene die ‘hoofd- of eindverantwoordelijk’ is te achten voor de door het gebrek aangerichte schade.
Net als een bedrijfsmatige gebruiker van een opstal is in beginsel ook degene die een opstal enkel onder zich houdt ingevolge art. 6:181niet met de kwalitatieve aansprakelijkheid van art. 6:174 belast. Voor de ‘bewaarder’ (beheerder) van een opstal geldt ten opzichte van een gebruiker temeer dat van een feitelijk handelen – waardoor gevaren in geval van een (verborgen) gebrek in de hand worden gewerkt – met de opstal geen sprake is,8 terwijl ook de bewaarder ten opzichte van de eigenaar geen beslissende invloed zal hebben op de structuur en gesteldheid van het gebouw of werk. Weliswaar zal voor bepaalde beheerders gelden dat zij belast zijn met taken betreffende de kwaliteit en het onderhoud van de opstal,9 maar tot bedrijfsmatige ‘gebruiker’ in de zin van art. 6:181 verworden zij daarmee mijns inziens niet.10 Het komt mij voor dergelijke personen veeleer als hulppersoon van de eigenaar te zien bij het waarmaken van zijn ‘verantwoordelijkheid’ de opstal in deugdelijke staat te houden.11 Hier komt bij dat de activiteiten van een beheerder in de regel juist erop gericht zijn dat anderen, zoals een bedrijfsmatige huurder, de opstal kunnen gebruiken. In de verhouding tussen deze huurder als (‘toevallige’) gebruiker van de opstal en de ‘achterliggende’ eigenaar zal dan evenzeer gelden dat de aansprakelijkheid ex art. 6:174 in de eerste plaats op de eigenaar rust. Zelfs als de beheerder met zijn activiteiten een gebrek in de opstal veroorzaakt – een raam valt uit de sponning enige tijd nadat de beheerder is vergeten tijdig de doorgeroeste schroeven te vervangen –, blijft de aansprakelijkheid ex art. 6:174 jegens derden derhalve in beginsel op de eigenaar rusten.12 Uiteraard heeft de eigenaar de mogelijkheid van een eventuele (contractuele) regresactie op de door hem aangestelde beheerder.