Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/6.5.1.2
6.5.1.2 Civiel effect en het atheneum illustre te Amsterdam en de bijzondere universiteit
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949688:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
De Ranitz 1938, p. 33.
Kamerstukken II 1875/76, 18, nr. 27. Zie hierover De Ranitz 1938, p. 83-87 & Donner 1978 p. 35-36.
Stb. 1905, 141. Zie voor een uitgebreide beschouwing over Kuyper en het wetsvoorstel waarmee aan bijzondere universiteiten het recht werd gegeven om cum effectu civili te diplomeren: De Ru 1953.
Handelingen II 1875/76, 18, p. 1121 en Handelingen I 1903/04, 18, p. 488.
Handelingen II 1875/76, 18, p. 1114 & C.J.A. de Ranitz 1938, p. 84-85.
Het ius summi imperantis is het recht van de hoogste heerser.
Handelingen II 1875/76, 18, p. 1138.
Handelingen II 1875/76, 18, p. 1138.
Handelingen II 1875/76, 18, p. 1138.
Handelingen I 1903/04, 18, p. 488.
Handelingen II 1903/04, 18, p. 1360.
Handelingen II 1903/04, 18, p. 1361 & C.J.A. de Ranitz 1938, p. 87.
Het ontwerp van de Hoger onderwijswet 1876 voorzag, net als het Organiek Besluit 18151, in drie Rijksuniversiteiten die het ius promovendi cum effectu civili bezaten, de universiteiten van Leiden, Utrecht en Groningen. Amsterdam had nog geen universiteit. Bij de behandeling van de Hoger onderwijswet 1876 stelde Kappeyne van de Copello een amendement voor om het gemeentelijke atheneum illustre te Amsterdam ook in te richten als universiteit met het ius promovendi cum effectu civili.2 In 1904 stelde Kuyper daarnaast voor om mogelijk te maken dat ook bijzondere universiteiten onder voorwaarden het ius promovendi cum effectu civili zouden kunnen verkrijgen.3
Tegen zowel het amendement van Kappeyne als tegen het wetsvoorstel van Kuyper werd aangevoerd dat het in strijd zou zijn met de grondwet. Het ius promovendi cum effectu civili zou volgens de tegenstanders een recht van de Staat zijn dat niet gedelegeerd kan worden.4 Minister Heemskerk stelde in 1876 dat het toekennen van doctorale graden en bevoegdheden een Rijkszaak is dat van de regering uit zou moeten gaan.5 Dit beginsel achtte de minister heersend in het staatsrecht, hoewel dit niet als zodanig in de grondwet stond. Volgens de minister konden dan ook alleen rijksuniversiteiten graden verlenen.
Tegen deze redenering kwam Kappeyne op. Hij was van mening dat het ius promovendi niet als een soort ius summi imperantis6 door de staat kon worden verstrekt.7De doctorsgraad zou zijn waarde volgens Kappeyne niet halen uit de toestemming van de Staat om dit recht af te geven, maar uit de waarde die er binnen de wetenschap aan gehecht werd.8 De Staat komt er slechts aan te pas als maatschappelijke bevoegdheden, ofwel het civiel effect, aan de verkregen graad worden toegekend. De Staat zou voor de uitoefening van bepaalde beroepen een keuring kunnen eisen, maar eenieder die door een behoorlijke keurmeester is gestempeld zou toegelaten moeten worden tot het betreffende beroep.9 Aan het ius promovendi cum effectu civili zitten volgens Kappeyne dan ook twee kanten. Ten eerste is het een keur van geschiktheid toegekend door de wetenschappelijke wereld dat bepaalt dat de bezitter zelfstandig wetenschappelijk onderzoek kan doen en ten tweede is het een keur van geschiktheid toegekend door de Staat dat bepaalt dat de bezitter bepaalde beroepen mag uitoefenen.
Ook volgens Kuyper was het ius promovendi cum effectu civili geen recht van de Staat dat niet gedelegeerd zou kunnen worden.10 De soeverein kan immers zelf bepalen welke rechten hij wil delegeren, ook kunnen deze rechten aan particuliere ondernemingen worden gedelegeerd. Zonder delegatie zou volgens Kuyper goed bestuur niet mogelijk zijn. Kuyper stelde dat de Staat maar één taak heeft bij het verlenen van civiel effect, namelijk het dienen van het Staatsbelang door te beoordelen of iemand geschikt is om voor de Staat te werken.11 Kuyper relativeerde ook het belang van het verbinden van civiel effect aan een diploma.12 Een dergelijk diploma geeft geen zekerheid op een betrekking of het mogen uitoefenen van een ambt. De gediplomeerde verkrijgt slechts het recht om benoemd te kunnen worden. De Staat bepaalt uiteindelijk zelf wie hij aanstelt. Uiteindelijk verkregen zowel de huidige Universiteit van Amsterdam als de bijzondere universiteiten het ius promovendi cum effectu civili.