Einde inhoudsopgave
De civielrechtelijke inbedding van het besluitenaansprakelijkheidsrecht (O&R nr. 128) 2021/8.4.2.2
8.4.2.2 Onbevoegdelijk of zonder wettelijke grondslag genomen besluiten
mr. P.A. Fruytier, datum 01-06-2021
- Datum
01-06-2021
- Auteur
mr. P.A. Fruytier
- JCDI
JCDI:ADS284581:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Overheid en privaatrecht
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Bijv. Rb. Den Bosch 11 september 2008, ECLI:NL:RBSHE:2008:BF1827, AB 2009/154, m.nt. K.J. de Graaf en A.T. Marseille (X/Den Bosch), ABRvS 24 juni 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BI9696, AB 2010/210, m.nt. K.J. de Graaf en A.T. Marseille (kunststof kozijnen Den Bosch), Hof Arnhem 15 mei 2012, ECLI:NL:GHARN:2012:BX0381 (X/De Ronde Venen), Hof Arnhem-Leeuwarden 28 oktober 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8265 (Desmepol/Overijssel) en Hof Den Haag 22 september 2015, ECLI:NL:GHDHA:2015:4024 (X/Staat).
Vgl. de annotatie van I. Sewandono onder CBb 22 maart 2007, ECLI:NL:CBB:2007:BA2601, AB 2007/143 (X/Minister LNV) onder 3. Ter herinnering: deze besluiten vormen als zodanig geen rechtsinbreuk (zie §5.3.2.2), zodat de onrechtmatigheid daarin niet schuilt.
CRvB 14 maart 2002, ECLI:NL:CRVB:2002;AE2442, AB 2002/238, m.nt. H.E. Bröring (F16-monteurs).
Men zou kunnen tegenwerpen dat het besluit strijdt met het Verdrag en daarom valt in de categorie bezwarende besluiten in strijd met geschreven regels. Dat is volgens mij niet overtuigend, omdat het Verdrag het opleggen van de premies op zich niet verbiedt. Het gaat erom dat het Verdrag en de Nederlandse werknemersverzekeringen geen grondslag bieden voor het opleggen van de premies.
Aldus ook H.E. Bröring in zijn annotatie onder CRvB 14 maart 2002, ECLI:NL:CRVB:2002:AE2442, AB 2002/238 (F16-monteurs) onder 4 en Di Bella 2014, p. 100.
Zie hierover voetnoot 727.
701. In §5.3.2.3 zagen we dat een bezwarend besluit dat is genomen door een onbevoegd orgaan of zonder wettelijke grondslag strijdt met het legaliteitsbeginsel. We zagen in paragraaf §8.4.2.1.1 dat het legaliteitsbeginsel ‘beschermingsneutraal’ is: het laat zich niet vaststellen tegen welke schade het beginsel duidelijk niet en wel beschermt. Dat betekent dat stap 3 steeds de toerekenbaarheid van de schade aan de onrechtmatige daad bepaalt.
702. In de rechtspraak staat vaak de casus centraal waarin een handhavingsbesluit is genomen, terwijl in werkelijkheid geen sprake is geweest van een overtreding.1 Zonder overtreding ontbeert de sanctie een wettelijke grondslag en is daarom wegens schending van het legaliteitsbeginsel onrechtmatig.2 In de door mij onderzochte gepubliceerde rechtspraak hierover is de relativiteit nooit een discussiepunt. Dat strookt met mijn model. Alleen stap 3 biedt hier nog uitkomst.
703. Ook andersoortige bezwarende besluiten kunnen een wettelijke grondslag ontberen. Een illustratie vormt de casus F 16-monteurs.3 De Koninklijke luchtmacht (Klu) contracteert met een Amerikaans bedrijf X over het onderhoud in Nederland van F 16-vliegtuigen. Voor dit onderhoud werft Klu met name Amerikaanse monteurs bij X. A is de agent van X. A draagt zorg voor de noodzakelijke faciliterende werkzaamheden en praktische zaken ten behoeve van de Amerikaanse monteurs. Het Lisv, de voorganger van het huidige UWV, verplicht A tot betaling van premies op grond van de Nederlandse sociale werknemersverzekeringswetten. Volgens het Lisv wijst het tussen de VS en Nederland gesloten Verdrag inzake sociale zekerheid A aan als premieplichtig. De rechtbank vernietigt dit besluit, omdat volgens haar het Verdrag A niet aanwijst als premieplichtig voor de Nederlandse sociale werknemersverzekeringswetten. Voor het besluit bestond dus geen wettelijke grondslag.4
704. A vordert van het Lisv schadevergoeding bestaande uit gederfde winst.5 De gederfde winst is ontstaan omdat de Klu als gevolg van het besluit de Amerikaanse monteurs nauwelijks meer heeft willen inhuren bij X. Dat was weer het gevolg van het feit dat bij de tussen A en X afgesproken fee geen rekening was gehouden met de door Lisv opgelegde premies. A kon die premies als jonge onderneming niet betalen. Die zouden daarom op grond van art. 16a Coördinatiewet Sociale Verzekering (CSV) weer op het bord van Klu komen. Om dat te voorkomen, zag de Klu weer af van de inschakeling van de Amerikaanse monteurs. Volgens de CRvB komt de schade niet voor vergoeding in aanmerking, omdat:
“(…) voor vergoeding slechts in aanmerking komt schade die in zodanig verband staat met de gebeurtenis waarop de aansprakelijkheid van de aangesprokene berust, dat zij hem, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van die gebeurtenis kan worden toegerekend (…).
Vastgesteld moet worden dat de Klu met X had gecontracteerd over de inzet van Amerikaanse F16-monteurs hier te lande en daarnaast [A] met X had gecontracteerd over de logistieke ondersteuning van deze monteurs. De schade die [A] stelt te hebben geleden, is een uitvloeisel van de wijze waarop de Klu en X hun (contractuele) relatie naar aanleiding van de besluitvorming van gedaagde nader hebben ingevuld. Dat deze nadere invulling een voorzienbaar en onontkoombaar gevolg was van deze besluitvorming, acht de Raad met de rechtbank door appellante niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt. Dit betekent dat er geen grond aanwezig is om de gestelde schade toe te rekenen aan de onrechtmatig genomen besluiten. Hieraan kan niet afdoen dat de reactie van de Klu op het door gedaagde ingenomen standpunt omtrent de verzekeringsplicht van de monteurs in het licht van art. 16a CSV zeer wel voorstelbaar is.”
705. In de zaak speelt het beschermingsbereik van de geschonden norm, het legaliteitsbeginsel, volgens mij terecht geen rol. Het blijft zelf in het midden welke normschending het Lisv precies verweten wordt. De CRvB toetst direct aan art. 6:98 BW. De in dat kader aangelegde maatstaf is volgens mij overigens te streng. Art. 6:98 BW vereist immers niet dat de schade een ‘voorzienbaar en onontkoombaar’ gevolg is van de besluitvorming, maar vereist een weging van alle relevante 6:98 BW-omstandigheden.6 De uitkomst strookt volgens mij wel met art. 6:98 BW. Alle relevante omstandigheden wijzen erop dat de schade niet kan worden toegerekend. Het gaat hier om vermogensschade. Dat is volgens mij geen zwaarwegende negatieve indicator, omdat dit besluit nu eenmaal enkel tot vermogensschade kan leiden.7 Het is volgens mij naar objectieve maatstaven niet erg waarschijnlijk of voorzienbaar dat als gevolg van het besluit de gevorderde schade zou ontstaan. Het ontstaan daarvan hangt namelijk samen met de door Klu, X en A opgezette driehoeksconstructie in combinatie met het feit dat (i) A een jong bedrijf is dat de premie niet kon dragen en (ii) de Klu als gevolg daarvan uit vrees zelf de premies te moeten dragen minder Amerikaanse monteurs is gaan inhuren. De schade staat dus bovendien vanwege al deze tussenschakels in een vrij ver verwijderd verband met het besluit. Dit verklaart volgens mij afdoende waarom de schade op de voet van art. 6:98 BW niet voor vergoeding in aanmerking komt.