Einde inhoudsopgave
Bijzonder ontslagprocesrecht (MSR nr. 67) 2015/10.5.1
10.5.1 Verdund procesrecht
Mr. D.M.A. Bij de Vaate, datum 30-12-2014
- Datum
30-12-2014
- Auteur
Mr. D.M.A. Bij de Vaate
- JCDI
JCDI:ADS360694:1
- Vakgebied(en)
Burgerlijk procesrecht / Rechtspleging van onderscheiden aard
Arbeidsrecht / Einde arbeidsovereenkomst
Voetnoten
Voetnoten
Een ander verschil betreft het in het nieuwe recht ontbreken van schorsende werking in hoger beroep en cassatie.
Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 4, p. 59.
Vgl. Wetzels 2014, p. 81.
Vgl. het advies van de Raad van State: Kamerstukken II 2013/14, 33 818, nr. 4, p. 41.
EHRM 27 juni 2000, nr. 30979/96, § 43 (Frydlender v. France). Vgl. Smits 2008, p. 221.
EHRM 28 juni 1990, nr. 11761/85, § 72 (Obermeier v. Austria): een termijn van 9 jaar is te lang. Zie voor arbeidszaken in het algemeen: EHRM 24 mei 1991, nr. 27/1990/218/280, § 17 (Caleffi v. Italy); EHRM 24 mei 1991, nr. 28/1990/219/281, § 17 (Vocaturo v. Italy); EHRM 26 februari 1993, nr. 12/1992/357/431, § 18 (Trevisan v. Italy).
Het voorgaande brengt mee dat de opzeggingsroute via het UWV ten minste vier instanties kan beslaan, te weten: (i) UWV, (ii) beroep bij de kantonrechter, (iii) hoger beroep bij het hof en (iv) cassatie bij de Hoge Raad, eventueel gevolgd door terugverwijzing naar het hof met daarna weer de mogelijkheid van cassatie bij de Hoge Raad. Belangrijk verschil met de thans bestaande kennelijk-onredelijk-ontslagprocedure – waarin ook nu al hoger beroep en cassatie mogelijk is – is dat de rechter de opzegging in de herstelprocedure ex art. 7:682 nieuw BW aan dezelfde criteria gaat toetsen als de criteria die het UWV hanteert bij de verlening van de ontslagvergunning.1 Bovendien kan de rechter bij elk gegrond beroep de werkgever tegen zijn wil veroordelen de arbeidsovereenkomst met de werknemer te herstellen, zonder afkoopmogelijkheid. Een onterecht verleende ontslagvergunning door het UWV kan daarmee ongedaan gemaakt worden door de rechter. Dit ziet de regering mijns inziens over het hoofd daar waar in het Nader Rapport naar aanleiding van het advies van de Raad van State wordt opgemerkt dat het feit dat het ontslag via opzegging met toestemming van het UWV aan vier instanties kan worden voorgelegd niet afwijkt van de huidige kennelijk-onredelijk-ontslagprocedure en dit niet bijdraagt aan verlenging van de duur van de ontslagprocedure via het UWV.2 Wordt de ontbindingsroute gevolgd, dan kan de procedure ten minste drie instanties beslaan: (i) kantonrechter, (ii) hoger beroep bij het hof en (iii) cassatie bij de Hoge Raad, ook eventueel weer gevolgd door een terugverwijzing naar het hof met daarna weer de mogelijkheid van cassatie.3 Op het punt van de rechtsmiddelen zijn de preventieve procedures niet meer 'verdund'. Weliswaar dwingt art. 6 EVRM tot openstelling van een gerechtelijke procedure waarin een toetsing met 'full jurisdiction' kan plaatsvinden van de beslissing van het UWV, zoals de nieuwe herstelprocedure van art. 7:682 BW, maar niet tot het openstellen van hoger beroep en cassatie tegen het oordeel van de kantonrechter in eerste instantie.4 Wellicht halen we met deze algemene openstelling van hoger beroep en cassatie zelfs een nieuw art. 6 EVRM-probleem binnen, namelijk schending van het in art. 6 lid 1 EVRM neergelegde vereiste van behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn. Men kan zich voorstellen dat wanneer in de toekomst veelvuldig gebruik wordt gemaakt van dit hoger beroep en cassatie, dit kan leiden tot een verstopping (overbelasting) van de rechterlijke macht, met een vertraging van de procedures tot gevolg. Het lijkt mij goed om dit in de gaten te houden. Daarbij zij opgemerkt dat het EHRM geen vaste tijdslimieten heeft vastgesteld voor de beoordeling van de redelijke termijn. Er wordt van geval tot geval geoordeeld waarbij relevante gezichtpunten zijn: (i) de ingewikkeldheid van de zaak, (ii) het gedrag van partijen, (iii) het gedrag van de bevoegde autoriteiten en (iv) de op het spel staande belangen van betrokkene(n).5 Met betrekking tot dit laatste punt is van belang dat het EHRM heeft aangenomen dat ontslagzaken met de nodige voortvarendheid moeten worden behandeld.6 Overigens is opvallend dat de belasting van de rechterlijke macht (kostenaspect) niet is genoemd door de regering als een belang dat betrokken is bij de keuze voor openstelling van hoger beroep en cassatie,7 terwijl dit door de jaren heel wel steeds een rol speelde bij de keuze om geen bezwaar en beroep mogelijk te maken tegen de beslissing van het UWV krachtens art. 6 BBA.