Einde inhoudsopgave
Onafhankelijkheid van de rechter (SteR nr. 3) 2011/3.4.2
3.4.2 Benoemingsduur
mr. dr. P.M. van den Eijnden, datum 01-10-2010
- Datum
01-10-2010
- Auteur
mr. dr. P.M. van den Eijnden
- JCDI
JCDI:ADS492559:1
- Vakgebied(en)
Juridische beroepen / Rechter
Staatsrecht / Rechtspraak
Voetnoten
Voetnoten
Kuijer & Mendelts, NJCM-Bulletin 2000, p. 1227.
ECRM 5 juli 1994, D&R 78, p. 88.
Sutter, ECRM 1 maart 1979, D&R 16, p. 166-175, § 2, vierde alinea, p. 174. Dit bleek volgens de Commissie reeds impliciet uit de ontvankelijkheidsbeslissing X t. België, ECRM 2 oktober 1975, D&R 3, p. 139. In beide zaken ging het om een benoeming van drie jaar en werd de klacht niet-ontvankelijk geacht.
EHRM 16 juli 1971, Serie A, 13, § 95.
EHRM 23 april 1987, Serie A, 117, § 35.
EHRM 23 april 1987, Serie A, 117, § 41.
EHRM 23 juni 1981, Serie A, 43, § 57.
EHRM 22 oktober 1984, Serie A, 84. Uit § 25 van dit arrest blijkt dat de wet in 1973 werd aangepast na een uitspraak van het Oostenrijkse constitutionele hof om de wetgeving in overeenstemming te brengen met de uitspraak van het EHRM in de zaak Ringeisen. Volgens het Verfassungsgerichtshof was de regionale autoriteit onder de oude wet niet onafhankelijk en onpartijdig, omdat de voorzitter lid was van de Tiroolse regering. Bovendien legde de oude wet de zittingstermijn van de leden niet vast, lag de benoemingsbevoegdheid van de leden bij de regering en lagen de omstandigheden waaronder de leden konden worden ontslagen niet wettelijk vast (29 juni 1973, Erkenntnisse und Beschlüsse des Verfassungsgerichtshofes 1973, vol. 38 no. 7099). Uit § 17 van dit arrest blijkt dat volgens het constitutionele hof de regionale autoriteit onder de nieuwe wet van 1973 wel onafhankelijk was, omdat haar beslissingen niet door de uitvoerende macht konden worden vernietigd of gewijzigd. De leden hadden voorts een mate van onafhankelijkheid die vergelijkbaar was met die van rechters. Ze waren niet gebonden aan instructies afkomstig van de uitvoerende macht in de uitoefening van hun functie en ze konden tijdens hun drie jaar durende zittingstermijn enkel worden ontslagen op gronden die reeds hun benoeming had belet of bij permanente ongeschiktheid om hun functie uit te oefenen (3 maart 1979, Erkenntisse und Beschlüsse des Verfassungsgerichtshofes 1979, vol. 44 no. 8501).
EHRM 22 oktober 1984, Serie A, 84, § 38.
EHRM 28 juni 1984, Serie A, 80, § 80. Zie de website
Langborger, ECRM 8 oktober 1987, appl. no. 11179/84, § 125-126: ‘The Commission considers that where judges are appointed for a short period an issue could arise to the independence of the judges. However, in the present case the fact that the mandate was only three years is not sufficient to establish that the Housing judges were not independent of the executive. In this regard the Commission notes the judges held other permanent positions as judges from which they were irremovable.’
Siglfirdingen Ehf, EHRM 7 september 1999, appl. no. 34142/96 (ontvankelijkheidsbeslissing).
Lithgow e.a., EHRM 8 juli 1986, Serie A,102, § 29.
Morris, EHRM 26 februari 2002, appl. no. 38784/97, § 70; Cooper, EHRM 16 december 2003, appl. no. 48843/99, § 119. De Commissie was aanzienlijk negatiever over ad hoc benoemingen in Findlay, ECRM 5 september 1995, appl. no. 22107/93, § 105-106: ‘(...) the submission by the Government that the convening of courts-martial on an ad hoc basis enhances their independence is inconsistent with the constant view of the Court that an established term of office is an important guarantee of a tribunal’s independence. In the present case, while one of the members was a permanent president, the remaining members went back to their ordinary military duties at the end of the applicant’s courtmartial. Accordingly, the Commission considers that the applicant’s fears that the courtmartial lacked independence from the prosecuting authority in the case could be regarded as objectively justified particularly in view of the nature and extent of the Convening Officer’s roles, the composition of the court-martial and its ad hoc convening (curs. PvdE).’ Ook het Hof achtte in Findlayartikel 6 EVRM geschonden, maar noemde het element van ad hoc rechters niet als relevante factor.
Zie C.A.J.M. Kortmann & P.M. van den Eijnden, ‘L’indépendence et l’impartialité de la Cour de justice des Communautés européennes et de la Cour européenne des droits de l’homme’, in: D. Breillat & E.C. Coppens (red.), Les Cours Internationales, Actes du Colloque organisé à Nimègue le 29-31 Mai 2000 par les Facultés de Droit de Poitiers et de Nimègue, SSN Nijmegen 2002.
Lili Nabholz-Haidegger, Council of Europe, Committee on Legal Affairs and Human Rights, Structures, procedures and means of the European Court of Human Rights, Introduc-tory memorandum, AS/Jur (2001) 07, 2 maart 2001.
Zie ook Kuijer 2004, p. 233.
In de vorige paragraaf bleek dat benoeming van rechters door de uitvoerende macht niet in strijd is met het verdrag, zolang de functionele onafhankelijkheid maar is gewaarborgd. Daarnaast moet volgens het Hof ook worden gekeken naar de benoemingsduur ter beoordeling van de onafhankelijkheid. Indien rechters bijvoorbeeld een contract krijgen aangeboden van telkens één jaar, zal dit de rechterlijke onafhankelijkheid ten opzichte van de uitvoerende macht in gevaar kunnen brengen.1 Deze situatie deed zich voor in de zaak Størksen.2 Tot een inhoudelijk oordeel hierover kwam het echter niet. De klacht was niet ontvankelijk omdat de nationale rechtsmiddelen niet waren uitgeput.
Al vroeg spreekt de Commissie uit dat onafhankelijkheid in de zin van artikel 6 EVRM niet impliceert dat rechters voor het leven moeten worden benoemd:
‘a judge’s independence does not necessarily imply that he should be appointed for life (…). But it is essential that he should enjoy a certain stability, if only for a specific period, and that he should not be subject to any authority in the performance of his duties as a judge.’3
Kortom, het is wel essentieel dat de aanstelling van de rechter een bepaalde stabiliteit heeft, ook al is dat voor een beperkte periode, en dat de rechter niet onderworpen is aan enige autoriteit in de uitoefening van zijn rechterlijke functie. Hiertoe is voldoende dat de rechter niet naar believen of op oneigenlijke gronden kan worden ontslagen tijdens zijn vastgestelde zittingsperiode. De hamvraag is: Welke benoemingsduur achten de Straatsburgse instanties voldoende duurzaam om de rechterlijke onafhankelijkheid te waarborgen? Uit diverse zaken blijkt dat het Hof hier een soepele maatstaf aanlegt.
De eerste uitspraak waarin het Hof de benoemingsduur noemt, is de zaak Ringeisen. Volgens het Hof is de regionale autoriteit een rechterlijke instantie, omdat zij a) onafhankelijk is van het bestuur en van de partijen, b) haar leden zijn benoemd voor een periode van vijf jaar en c) de gevolgde procedure de nodige garanties biedt. Hieruit valt indirect af te leiden dat een benoemingsduur van vijf jaar al voldoende wordt geacht met het oog op de rechterlijke onafhankelijkheid. Niet met zekerheid valt te zeggen of die benoemingsduur op zich (altijd) voldoende is, of dat dit alleen in combinatie met andere aanwezige garanties voor onafhankelijkheid geldt.4 In de zaak Ettl betoogden de klagers dat de leden van agrarische commissies voor het leven zouden moeten worden benoemd om te garanderen dat zij niet onderhevig waren aan enige druk.5 Niet verrassend, gezien het eerder genoemde standpunt van de Commissie in de zaak Sutter, gaat het Hof daar niet in mee. Volgens het Hof levert de benoemingstermijn van vijf jaar, die gepaard gaat met feitelijke onafzetbaarheid gedurende die periode, geen twijfel op aan de onafhankelijkheid (en onpartijdigheid) van de rechters.6 In Le Compte, van Leuven en de Meyere7 stelde het Hof een benoemingsperiode van zes jaar zelfs voor als ware zij een aanvullende waarborg voor de onafhankelijkheid van de betreffende rechterlijke instantie (de Raad van Beroep van de Orde van Geneesheren).
Zelfs een benoemingstermijn van drie jaar is herhaaldelijk voldoende lang bevonden. In de zaak Sramek ging het om de onafhankelijkheid van de regionale autoriteit inzake onroerendgoedtransacties, die moest beoordelen of contracten in overeenstemming waren met de Tiroler Grundverkehrsgesetz.8 Volgens het Hof was de nieuwe Tiroolse wet in overeenstemming met artikel 6 EVRM wat betreft de lengte van de zittingstermijn van de leden van de regionale autoriteit en de beperkte mogelijkheid van afzetbaarheid. Hoewel de bevoegdheid tot benoeming van de leden van de regionale autoriteit bij de landsregering berustte, was dat op zichzelf niet voldoende om te mogen twijfelen aan hun onafhankelijkheid (en onpartijdigheid): de leden zaten in persoonlijke hoedanigheid en de wet verbood dat de uitvoerende macht hun instructies zou geven.9 In Campbell en Fell ging het eveneens om een benoemingsperiode van drie jaar, die evenwel met een andere motivering dan in Sramek door het Hof werd geaccepteerd. Wat betreft de benoemingstermijn van de leden van een gevangeniscomité (Board of Visitors) geeft het Hof toe dat die kort is, namelijk drie jaar, of zoveel korter als waarvoor de minister benoemt. Toch verbindt het daar verder geen conclusie aan, omdat er volgens het Hof een begrijpelijke reden voor is: de leden worden niet voor hun werkzaamheden betaald, en het zal waarschijnlijk moeilijk zijn geschikte leden te vinden voor een langere periode.10 Naar mijn mening is dit geen sterk argument van het Hof. Aldus zou een organisatorisch of financieel probleem binnen een rechterlijke organisatie voldoende grond zijn om minder strenge eisen te stellen aan de rechterlijke onafhankelijkheid. Speelt hier wellicht mee dat het ‘slechts’ om een gevangeniscomité gaat? Evenzo hebben de Commissie en het Hof zich in algemene zin kritisch uitgelaten over de korte benoemingsduur van drie jaar in respectievelijk Langborger11 en Siglfirdingen Ehf,12 zonder daaraan de conclusie te verbinden dat de rechterlijke instantie niet onafhankelijk was. In Langborger hechtte de Commissie waarde aan het gegeven dat twee leden wel permanente rechters waren in een andere rechterlijke instantie. Kritische noten, zonder gevolgen dus.
Het Hof is in de zaak Lithgow bij de beoordeling van de onafhankelijkheid van een arbitragetribunaal niet ingegaan op de duur van de benoeming, hoewel de leden van het betreffende tribunaal hun functie uitoefenden ‘gedurende zodanige periode als vastgesteld bij hun respectievelijke benoemingen’.13 De benoemingsduur van een arbiter kon dus per individuele benoeming verschillen. Er was geen minimale voorgeschreven benoemingsduur, maar een benoemd lid was wel aangesteld voor een bij zijn aanstelling vastgestelde, dus in die zin vaste, benoemingsduur. Deze situatie vond het Hof blijkbaar niet in strijd met artikel 6 EVRM. Het is in lijn met de opvatting van het Hof dat de rechter (arbiter) niet tijdens zijn zittingstermijn kan worden ontslagen.
Tot slot kan zelfs een ad hoc benoeming, dat wil zeggen een aanstelling als rechter voor de behandeling van één bepaalde zaak, verenigbaar zijn met artikel 6 EVRM. Dan moeten er echter wel aanwijsbare extra waarborgen tegen druk van buitenaf op die rechter zijn.14
De Straatsburgse instanties stellen dus nagenoeg geen eisen aan de lengte van de benoemingstermijn van een rechter. Het oogt wat tegenstrijdig dat de benoemingsduur van rechters standaard wordt aangemerkt als een relevante factor voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke instantie, terwijl het Hof op dit punt nog nooit heeft geconcludeerd dat de rechterlijke onafhankelijkheid ontbrak. Een benoeming van drie jaren blijkt onder omstandigheden al voldoende te zijn. Zelfs over het ontbreken van een algemeen vaste duur van benoeming valt het Hof niet, noch over een ad hoc benoeming. Wel zijn er zo goed als altijd bijkomende factoren die het Hof ziet als waarborg voor de onafhankelijkheid van de betreffende rechter. Het Hof lijkt de opvatting te huldigen dat een ‘gebrek’ aan rechtspositionele onafhankelijkheid – als je het zo zou kunnen noemen – geen schending van artikel 6 EVRM oplevert, zolang de functionele onafhankelijkheid maar is gewaarborgd is. In feite komt deze conclusie overeen met die ten aanzien van de benoemingswijze. De vraag rijst of de functionele onafhankelijkheid altijd doorslaggevend is voor het Hof. Een harde conclusie ten aanzien van de benoemingstermijn op zich is dus moeilijk te trekken.
Voorts is een relativering wellicht op haar plaats. De rechterlijke instanties waarover het Hof op deze wijze oordeelde, waren vaak kleine gespecialiseerde gerechten bestaande uit deskundigen, lekenrechters, arbiters, of gewone burgers, die volgens het nationale recht niet tot de ‘gewone’ rechterlijke organisatie van dat land behoorden. Het is aannemelijk dat leden van nationale rechterlijke instanties die behoren tot de gewone rechterlijke organisatie van het betreffende land (beroepsrechters), benoemd moeten zijn voor een langere periode, wil het door de Straatsburgse beugel kunnen. Opmerkelijk is dat de rechters van het EHRM zelf slechts voor een beperkte periode worden benoemd.15 Een Zwitserse rapporteur van de Raad van Europa heeft daarover opgemerkt:
‘In accordance with the Convention, judges are elected for a renewable period of six years. Half of the judges were elected for three years when the Court first took office in 1998. It is clear, however, that such short periods of office make a mockery of the principle of independence. In most of our member States judges are elected for life or until retirement when they reach 65 or 70 years of age. (…) It would be wrong to say that they will take this [whether or not they will be re-elected by their government] into consideration when drawing up their judgments, but it is clear that this system may jeopardise the independence of the Court of Human Rights which itself is carefully examining whether all the elements for the independence of the judges are being respected by national courts!’16
Het citaat ondersteunt de conclusie dat een korte benoemingstermijn (in combinatie met herbenoeming, zie hierna) hooguit acceptabel zou moeten worden geacht bij kleine bijzondere (leken)gerechten en niet bij de gewone rechterlijke macht van de lidstaten of internationale gerechten.17 Overigens is citaat hierboven slechts de mening van een individuele rapporteur en geen officieel standpunt van de Raad van Europa.
Tot slot wederom een blik op de aanbeveling van het Comité van Ministers uit 1994. Principle I, derde lid, bepaalt dat: ‘judges, whether appointed or elected, shall have guaranteed tenure until a mandatory retirement age or the expiry of their term of office, where such exists’. Deze bepaling impliceert dat benoeming voor het leven niet vereist is, maar wel een vooraf (wettelijk) vaststaande ambtstermijn, die niet tussentijds kan worden gewijzigd door de wetgever of het bestuur. Dit komt vrijwel overeen met de visie van het Hof.