Einde inhoudsopgave
Burgerschap op orde (SteR nr. 66) 2024/9.7.1.2
9.7.1.2 Kohnstamm en Langeveld: personalistische opvoedingstheorie
Th.E.M. Wijte, datum 08-01-2024
- Datum
08-01-2024
- Auteur
Th.E.M. Wijte
- JCDI
JCDI:ADS977098:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Beekman & Mulders 1977; Smeyers & Levering (red.) 2001, p. 81-88, Rob 2001 en A. Dijkstra e.a., ‘Sturing van burgerschapsvorming door de overheid? Tussen staatspedagogiek en persoonlijkheidspedagogiek, PS 2019, p. 315.
Prisma van de filosofie (Husserl), Utrecht: Het Spectrum 1990, p. 114-115.
Smeyers & Levering 2001, p. 83; vgl. Luijpen 2011.
Ibid., p. 82 (Langeveld sluit zich in de inrichting van zijn pedagogiek nauw aan bij het practische wetenschapsconcept van Theodor Litt (1880-1962): ‘een keuze voor de fenomenologie past goed’; zie: Litt 1967.
Bos 2011, p. 53.
Ibid. p. 55; vgl. Scholtz 1984, J.W.A. Laurent, Friedrich Schleiermacher, een denker in twee dimensies, (diss. UvT), Kampen: Kok 1997, Deweer & Van Hecke (red.) 2017, Van Essen 2006, p. 75 en F. van den Heuvel, ‘Personalisme: van Antigone tot het Binnenhof’, CDV Lente, Amsterdam: Boom 2018, p. 133-135.
Vgl. B. Parker Bowne, Personalism, Boston 1912 en Wijte 2015, p. 4-8.
Langeveld 1967, p. 43, 76 en Van Achter 1998, p. 21-23.
Naast de intentionele staat de informele opvoeding, zie: P. Schreuder 1995, p. 7.
L. Bigot, ‘Bij Kohnstamms afscheid als hoogleraar’, Volksontwikkeling 1946/47, p. 5-9, P. Martinianus OFM. Cap, ‘Kohnstamms bijbels personalisme’, Studia Catholica 1946, p. 106-123, J. Duynstee, ´Democratie, zin en betekenis’, De Personalist 1948, p. 5 en J. Bos 2011, p. 53-57.
Ph. Kohnstamm, Persoon en samenleving, Meppel: Boom 1981, p. 82-120 (Oratie Staatspaedagogiek of Persoonlijkheidpaedagogiek, 1919).
A.L.R. Vermeer, Philipp A. Kohnstamm over democratie, (diss. UU), Kampen: Kok 1987, p. 13, Bos 2011, p. 55-56 en J.D. Imelman, ‘Scholenschemering’, in: Rietdijk 2005, p. 123-124.
Ph.A. Kohnstamm, ‘Existentialisme, personalisme en paedagogiek’, PS 1946, p. 257-274 en ‘Tweeërlei democratie. Personalistische of quantitatieve’, Het Keerpunt, 1947, p. 51-56, ’Opvoeding in personalistische geest’, Ibid., p. 218-225, Paedagogiek, Personalisme en Wijsbegeerte der Wetsidee, Amsterdam 1951, p. 96-107 en J. Bijl, ‘Ph.A. Kohnstamm (1875-1951)’, Paed. Tijdschrift 1976, 1, p. 1-2.
Ibid., 1987, p. 18; Kohnstamm 1929, p. 75.
Bos 2011, p. 85.
Ibid., p. 86.
A.A. Klinkers & B. Levering, ´Over de eenheid in het werk van M.J. Langeveld´, PS 1986, p. 449-458; vgl. B. Levering, ´De betekenis van M.J. Langeveld voor de naoorlogse Nederlandse pedagogiek (accent op 1945-1960)´, Ped. Tijdschrift 1991, 16, p. 147-160.
Kohnstamm 1929.
Ibid., p. 76; vgl. M.J. Langeveld, ’Opvoeding en de vrijheid van de mens’, PS 1953, 9, p. 137-157.
De Winter 1995, p. 129-135.
Vermeer 1987, p. 90.
De Winter 1995, p. 20-21, 23 en Langeveld 1967, p. 69.
De Winter 1995, p. 70.
Ph A. Kohnstamm, ‘Democratie’, Synthese 1, 2, Haarlem: Bohn 1914, p. 12.
Kohnstamm 1919, p. 24 en Perquin S.J. 1971, p. 251.
De Jong 2017, p. 37 en W. van der Ham, Onderwijzen. Vijfenzeventig jaar Onderwijsraad, Den Haag 1994, p. 68 (Woltjer-Kohnstamm over staatspedagogiek in de Onderwijsraad).
A. Dijkstra e.a., ´Sturing van burgerschapsvorming door de overheid? Tussen staatspedagogiek en persoonlijkheidspedagogiek´, PS 2019, p. 315-328.
Ph.A. Kohnstamm, ‘Democratie’, De Schakel 1918, 3, p. 99 e.v.
Eerst komt nu de fenomenologische opvoedingsleer tot goed burger aan bod. Deze opvoedingsleer vormt een passende grondslag voor het vormingsideaal van verbindend democratisch burgerschap.1 Centraal hierin staat de notie van de intentionaliteit: denken en ervaring zijn gericht op iets (anders).2 De fenomenologie kent twee basisprincipes: subjectiviteit en intersubjectiviteit, dat wil zeggen persoonlijke en gemeenschappelijke betekenisverlening aan ons zijn en ons moeten doen.3 Deze begrippen vormen de kern van de geschriften van Kohnstamm en Langeveld.4 Kohnstamm is daarbij de leermeester die grote invloed op het werk van Langeveld heeft gehad. Om deze reden komen de ideeën van Kohnstamm en Langeveld grotendeels overeen.5
Personalisme: Schleiermacher
Het personalisme van Kohnstamm en Langeveld is deels te herleiden tot het werk van Friedrich Schleiermacher (1768-1834) en staat voor de notie dat ‘de hoogste vorm van ’zijn’ de persoon is, de mens met zijn vrije wil als een opgave van God’.6 Later is de persoon, volgens het personalisme in de Boston-school, het hoogste zijn.7 Langeveld ziet de opvoeding in zijn normatieve pedagogiek als een proces van gewetensvorming en van ‘zelfverantwoordelijke zelfbepaling in een gezinscontext’.8 ‘Daarmee is het opvoeden een moreel initiatieproces dat intentionaliteit paart aan de verantwoordelijkheid van de opvoeder voor de opvoedeling en dat door gemotiveerde en democratisch ingestelde ouders en docenten moet worden ondernomen’.9 In Langevelds noties is opvoeding een eclectisch initiatieproces. Zelfbepaling gaat immers samen met sociale betrokkenheid. De persoon is per definitie ‘een individu tussen individuen, samen de gemeenschap vormend’.
Kohnstamm10 baseert zich op de stelling: ‘De pedagogiek zal filosofisch zijn of ze zal niet zijn’.11 Daarbij bedoelde hij de levensbeschouwelijk doordachte pedagogiek. Hij beschouwt het opvoeden tot autonoom persoon als een proces van zelfstandig worden 'door de vrije wil als een opgave van God'.12 Opvoeding en onderwijs hebben hem vanuit zijn personalistisch-deistische levensbeschouwing blijvend beziggehouden.13 Hij focust op de (persoonlijke) ontplooiingsmogelijkheden en op het ontwikkelen van democratische gemeenschappen, zoals bijvoorbeeld de staatsgemeenschap. Opvoeding en onderwijs zijn van belang voor deze gemeenschappen, omdat kinderen hierin opgroeien, ervan deel uitmaken en hierop voorbereid moeten worden.14 Het mag gezegd zijn dat Kohnstamm en Langeveld opvoeding allereerst als gewetensvorming zien: ‘vorming van de zedelijke zelfbepaling wat zedelijk gedrag impliceert’.15 Deze vorming staat niet op zich. De sociale vorming vormt een wezenlijk onderdeel: ‘Zonder gemeenschap geen sociaal individu’.16 Ten aanzien van dit laatste toont Langeveld wel enig voorbehoud.17 Belangrijke opvoedingsdoelen zijn het leren dragen van kritische verantwoordelijkheid, wat een basishouding vormt, en het zich daarover verantwoorden.18 Het opgroeiende kind moet geleidelijk meer speelruimte krijgen ‘om zijn vrijheid (kritisch) te leren gebruiken’.19 Dit principe is door Kohnstamms indirecte opvolger in Utrecht, De Winter, met grote vasthoudendheid uitgedragen.20
Voor Kohnstamm is democratie ‘niet een feit, maar een Idee in Kantiaanse zin, dat wil zeggen het begrip van een oneindige, ons opgegeven taak. Dit Idee der Democratie kan alleen in een wijsgerig stelsel worden ontvouwd’, noteert Vermeer over Kohnstamms democratiebegrip. Vermeer plaatst dit begrip in een omvattende levens- en wereldbeschouwing.21 De regeringsvorm is in dat geval een antropologisch te bestuderen verschijnsel en geen verschijnsel sui generis.22 ‘Uit de denkbeelden over het wezen van de mens vloeien de opvattingen over de staat en het staatsbestuur voort’, betoogt Kohnstamm23, en de opvoeding door de staat kan nooit anders zijn dan ‘een schematische, uniforme opvoeding en dat begeren we niet’.24
Opvoeding tot verbindend democratisch burger
In de opvoeding tot democratisch burger treedt het gezin als het natuurlijke opvoedingsmilieu naar voren dat nooit ‘door staatsgestichten […] kan worden overgenomen’.25 Kohnstamm wijst dus staatspedagogiek af. Dit is van doorslaggevende betekenis voor zijn ideeën over de staatsvrije inrichting van de morele vorming als burgerschapsvorming.26 In zijn denkbeelden komt het afwijzen van staatsdictaten en het vrij laten van de inrichting van opvoeding en onderwijs steeds terug.27 Het richting geven aan de wetgeving is essentieel in een staatsgemeenschap. ’Democratie is niet een stelsel van staatsinrichting’, maar, stelt Kohnstamm, ‘het is primair een antwoord op de vraag: ‘Wat dunkt U van de mens? Daardoor is democratie een gezindheid jegens onze medemens, een oordeel over de grond van aanspraken en rechten die niet kunnen vaststaan en zich ontwikkelen met de tijden, zeden en omstandigheden’.28