Einde inhoudsopgave
Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/3.6.1
3.6.1 Verandering van functie na verlenging
E.F. Verheul, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
E.F. Verheul
- JCDI
JCDI:ADS401987:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
M.v.A. II., Parl. Gesch. Boek 3 BW, p. 388. Zie uitgebreid hoofdstuk 2.
Volgens Brinkmann 2011, p. 201 heeft het verlengd eigendomsvoorbehoud ook al vóórdat de zaak wordt verwerkt of doorverkocht een zekerheidskarakter, omdat de verkoper door in te stemmen met de vervreemding en verwerking te kennen zou geven dat hij geen belang zou hechten aan behoud van de zaak zelf. Zolang de zaak nog in de oorspronkelijke staat bij de koper aanwezig is, kan de verkoper de overeenkomst echter ontbinden en de zaak simpelweg als de zijne opvorderen. Tot de vervreemding of verwerking waarborgt het eigendomsvoorbehoud derhalve de rechten van de verkoper bij ontbinding. Zo ook de heersende leer in Duitland, die de verkoper vóór het intreden van het Verlängerungsfall nog een Aussonderungsrecht toekent, omdat hij als werkelijk eigenaar wordt beschouwd. Zie o.m. MünchKomm-InsO/Ganter 2013, § 47 Inso, Rn. 113 en Rn. 144, Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 158 en MünchKomm-BGB/Füller 2017, § 950 BGB, Rn. 32.
Brinkmann 2011, p. 201. Vgl. ook Flume 1950, p. 844.
Verheul 2014b, p. 526. Zie ook Bork 1997, p. 78: ‘Die neue Sache soll (…) in der synallagmatischen Beziehung von Verkäufer und Käufer nicht an Stelle des Kaufgegenstandes treten, weil sie aufgrund der Verarbeitung einen höheren Wert hat und dieser auf dem Finanzeinsatz des Käufers beruht. Der originäre Erwerb des Verkäufers dient nur dem Zweck, den Verkäufer nach Wegfall des Synallagmas für die noch offene Kaufpreisforderung zu sichern.’
Zie hierna in hoofdstuk 7, paragraaf 7.2.
Serick 1982, p. 409-417, Soergel/Henssler 2002, § 950 BGB, Rn. 26, Jaeger/Henckel 2008, § 51 Inso, Rn. 38, Staudinger/Beckmann 2014, § 449 BGB, Rn. 158, MünchKomm-BGB/Füller 2017, § 950 BGB, Rn. 31 en Staudinger/Wiegand 2017, § 950 BGB, Rn. 53. Zo ook de wetgever in de parlementaire geschiedenis bij de Insolvenzordnung: BR-Drucks. 1/92, p. 125. In de literatuur neemt een overgrote meerderheid daarentegen aan dat de verkoper de zaak derivatief – nl. via het vermogen van de koper bij wege van geanticipeerd constitutum possessorium – verkrijgt. In deze leer is zonder meer sprake van een Absonderungsrecht, omdat sprake is van een zekerheidsoverdracht. Zie MünchKomm-InsO/Ganter 2013, § 47 InsO, Rn. 106-116, i.h.b. Rn. 114 en MünchKomm-BGB/Westermann 2016, § 449 BGB, Rn. 87.
Zie hiervoor in paragraaf 3.4.2.
Zie naast de in voetnoot 219 genoemde literatuur Serick 1982, p. 363-364, Marotzke 1996, p. 432, Bork 1997, p. 77-78, Häsemeyer 2003, p. 380-381, Jaeger/Henckel 2008, § 51 InsO, Rn. 32 en Uhlenbruck/ Brinkmann 2015, § 51 InsO, Rn. 42. Zie uit de rechtspraak o.m. BGH 17 mei 1978, NJW 1978, 1632, BGH 9 november 1978, NJW 1979, 365 en BGH 20 november 2003, NJW-RR 2004, 340. De verlenging van het eigendomsvoorbehoud heeft naar Duits recht daarnaast ook haar weerslag op de onderliggende koopovereenkomst. Na zaaksvorming of doorverkoop is geen sprake meer van een wederkerige overeenkomst die door beide partijen nog niet (volledig) is nagekomen (§ 103 InsO), volgens sommigen omdat de verkoper aan zijn verplichtingen heeft voldaan (de koper is immers haftungsrechtlich als eigenaar resp. rechthebbende van de nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering te beschouwen), volgens anderen omdat de koopovereenkomst niet meer nagekomen kÁn worden, volgens weer anderen omdat de koopovereenkomst wordt omgevormd tot een Sicherungsabrede op grond waarvan de verkoper vervolgens als zekerheidseigenaar heeft te gelden of een combinatie van deze argumenten. Zie Serick 1982, p. 411-417, Bork 1997, p. 77-79, Elz 2000, p. 480, MünchKomm-InsO/Ganter 2013, § 47 InsO, Rn. 105 en Rn. 113, Jaeger/Jacoby 2014, §107 InsO, Rn. 87, Gottwald/Huber 2015, § 36, Rn. 36 en Braun/Kroth 2017, § 103 InsO, Rn. 34.
UNCITRAL Legislative Guide on Secured Transactions, paragraaf 160, p. 359 en Recommendation 197.
Zie Von Bar & Clive 2009, p. 5568.
Het is van groot belang te beseffen dat het eigendomsvoorbehoud een wezenlijke verandering van functie ondergaat zodra de verkoper zijn voorbehouden eigendom verliest door zaaksvorming of doorverkoop en daarvoor in de plaats een vervangende aanspraak verkrijgt. Zoals in hoofdstuk 2 is betoogd, is het bestaansrecht van het eigendomsvoorbehoud gelegen in de omstandigheid dat de verkoper niet slechts een verhaalsbelang heeft, maar belang heeft bij behoud van de zaak zelf. Dat is het geval omdat de verkoper ook voor de verkoop al eigenaar was van de verkochte zaak en het eigendomsvoorbehoud zijn rechten bij ontbinding van de koopovereenkomst waarborgt, door vast te houden aan de wederkerigheid van de koopovereenkomst, ondanks het feit dat de verkoper de zaak reeds levert. Na ontbinding en uitoefening van het eigendomsvoorbehoud kan de verkoper weer vrijelijk over de zaak beschikken, door de zaak zelf te behouden en te gebruiken of door deze hernieuwd te vervreemden onder de voorwaarden die hij geheel zelf kan bepalen.1
Dit alles geldt niet meer zodra de oorspronkelijke zaak door de koper wordt verwerkt of doorverkocht.2 Van een belang bij behoud van het object van de eigen prestatie is dan geen sprake meer.3 Ten aanzien van de nieuw gevormde zaken of doorverkoopvorderingen heeft de verkoper slechts een zekerheidsbelang; hij wil zich kunnen verhalen voor de niet betaalde koopprijs. Een verkoper van meel heeft economisch belang bij behoud van het goed zelf. Indien de koper de koopprijs van het meel niet voldoet, kan hij het terugvorderen en vervolgens weer benutten in zijn eigen bedrijfsuitoefening door het nogmaals te vervreemden. Dat geldt niet meer zodra van het meel broden zijn gemaakt. De verkoper heeft geen belang bij de eigendom van de broden, maar heeft slechts belang bij verhaal op de nieuw gevormde zaken om aldus zijn vordering voldaan te krijgen.4
De constatering dat het belang van de verkoper bij een aanspraak op de nieuw gevormde zaken of doorverkoopvorderingen een zekerheidsbelang is, maakt duidelijk dat het van rechtswege toekennen of door middel van een contractuele afspraak verkrijgen van een meest omvattende aanspraak op een nieuw gevormde zaak of doorverkoopvordering op gespannen voet staat met de aan het Nederlandse vermogensrecht ten grondslag liggende uitgangspunt dat zekerheidsmotieven niet de toewijzing van het meest omvattende recht rechtvaardigen, hetgeen tot uitdrukking komt in het fiduciaverbod (art. 3:84 lid 3 BW). Met dat verbod beoogt de wetgever het ontstaan van een oneigenlijke figuur als zekerheidseigendom te voorkomen, die hij niet wenselijk acht. Na de verlenging (althans de zaaksvorming of de vervreemding) heeft het eigendomsvoorbehoud enkel nog een zekerheidskarakter. Het is de verkoper dan niet meer te doen om behoud van het voorwerp van zijn eigen prestatieplicht, maar om zekerheid voor de voldoening van de koopprijsvordering. Uitoefening van het eigendomsvoorbehoud is dan niet meer gericht op teruggave van het voorwerp van zijn eigen prestatie – dat namelijk niet meer (bij de koper) voorhanden is – maar op afdwingen van de prestatie van de koper.
Illustratief voor deze functieverandering is de wijze waarop het Duitse recht de aanspraak van de verkoper bij het verlengd eigendomsvoorbehoud kwalificeert. Verlenging van het eigendomsvoorbehoud is naar Duits recht mogelijk door een Vorausabtretungsklausel en door een Verarbeitungsklausel. Bij de Vorausabtretungsklausel cedeert de koper de doorverkoopvorderingen bij voorbaat aan de verkoper tot zekerheid van de voldoening van de koopprijs. Er is derhalve sprake van een zekerheidscessie. Bij een Verarbeitungsklausel komen koper en verkoper overeen dat de koper de nieuw te vormen zaken vormt voor de verkoper, als gevolg waarvan de verkoper door zaaksvorming eigenaar wordt van deze zaken. Hoewel het daarbij in de opvatting van het BGH gaat om een originaire wijze van eigendomsverkrijging (dat wil zeggen: de eigendom van de verkochte zaak ontstaat direct in het vermogen van de verkoper en is niet afgeleid van de koper),5 heeft de eigendom van de verkoper te gelden als zekerheidseigendom.6 Niet beoogd is namelijk dat de verkoper daadwerkelijk eigenaar blijft van de nieuw gevormde zaak. Zijn eigendom strekt slechts tot zekerheid voor de voldoening van de koopprijsvordering. Beide varianten van het verlengd eigendomsvoorbehoud verschaffen de verkoper derhalve slechts een zekerheidsaanspraak. Om die reden heeft de verkoper in faillissement, anders dan het geval is bij het eenvoudig eigendomsvoorbehoud,7 geen Aussonderungsrecht, maar slechts een Absonderungsrecht. Hij kan de zaak niet als de zijne opvorderen of als rechthebbende aanspraak maken op de vordering, maar heeft slechts aanspraak om met voorrang uit de opbrengst van de nieuw gevormde zaak te worden voldaan dan wel met voorrang te worden bevredigd uit de geïnde doorverkoopvordering.8 Daarin komt het zekerheidskarakter van het verlengd eigendomsvoorbehoud tot uitdrukking.
Deze functieverandering van het eigendomsvoorbehoud komt ook tot uitdrukking in de UNCITRAL Legislative Guide. De Guide adviseert staten die ervoor hebben gekozen de aanspraak van de onbetaald gebleven verkoper vorm te geven als een eigendomsrecht (de zgn. non-unitary approach), de aanspraken van de verkoper met betrekking tot datgene wat in de plaats treedt van de verkochte zaak (proceeds) als zekerheidsrecht vorm te geven.9 Voor deze benadering is ook gekozen in de DCFR. Indien de verkoper zijn eigendom voorbehoudt en ook een verlengd eigendomsvoorbehoud bedingt, verkrijgt hij met betrekking tot de nieuw gevormde zaak slechts een zekerheidsrecht (art. IX.-2:308(2) DCFR). Hetzelfde geldt voor de verlenging tot doorverkoopvorderingen. De verkoper verkrijgt dan slechts een zekerheidsrecht ten aanzien van de doorverkoopvordering (art. IX.- 1:104 jo. art. IX.-3:310 jo. art. IX.-4:105(2) DCFR).10 Daarin komt de functieverandering van het eigendomsvoorbehoud tot uitdrukking: de verkoper kan met betrekking tot de nieuw gevormde zaak en doorverkoopvordering geen aanspraak maken op een eigendomsrecht, maar slechts op een zekerheidsrecht.