Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht
Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.3.3.2:2.3.3.2 Het enquêterecht
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/2.3.3.2
2.3.3.2 Het enquêterecht
Documentgegevens:
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS466769:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
27. De aanpassingen in het enquêterecht vormen het sluitstuk in het streven naar meer openheid van zaken en het afleggen van verantwoording ter bescherming van de kapitaalverschaffers en de werknemers. Teneinde de effectiviteit van de regeling te vergroten en haar daardoor voor de praktijk beter toepasselijk te maken1, adviseert de Commissie Verdam, samengevat2, de regeling eveneens dwingendrechtelijk van toepassing te verklaren op de coöperatieve vereniging (omdat ook in deze rechtsvorm ondernemingen van betekenis worden gedreven) en op de NV die geen toonderaandelen heeft uitgegeven (omdat er geen reden is de regeling voor deze NV niet verplicht te stellen). De commissie meent voorts dat art. 53 WvK een te zware eis stelt door te verlangen dat de aandeelhouders die om een onderzoek vragen, beschikken over ten minste een vijfde deel van het geplaatste kapitaal. Dit is vooral bij grote vennootschappen waarvan de aandelen aan toonder luiden en het aandelenbezit zeer gespreid is, een te hoge drempel. De commissie beveelt daarom aan het gestelde minimum te halveren (een tiende deel van het geplaatst kapitaal) en daarnaast een absoluut minimum te stellen van ƒ 500 000.3 Bovendien zouden ook de certif icaathouders (net als aandeelhouders verschaffers van risicodragend kapitaal), werknemers (vertegenwoordigd door erkende centrale vakorganisaties) en het openbaar ministerie, in geval de openbare orde en het algemeen belang dit eisen, om een onderzoek moeten kunnen vragen. De kosten van het onderzoek dienen voor rekening te komen van de vennootschap. De commissie gaat uit van de veronderstelling dat de rechter het verzoek tot het instellen van een onderzoek slechts zal toewijzen, indien hem bij summierlijk onderzoek aannemelijk voorkomt dat het niet zonder grond is gedaan. Maar dan is het ook billijk dat de kosten van het onderzoek voorshands door de vennootschap worden voldaan. De Ondernemingskamer kan na kennisneming van het verslag echter bepalen dat zij geheel of gedeeltelijk zullen worden verhaald op de verzoekers of op een of meer bestuurders of commissarissen persoonlijk of op een of meer andere personen, in dienst van de vennootschap. Een dergelijke voorziening wordt niet getroffen dan nadat degene wie de kosten worden opgelegd, is gehoord of behoorlijk is opgeroepen (art. 53e rapport).
28. Het wellicht belangrijkste voorstel in het rapport van de Commissie Verdam betreft de introductie van de mogelijkheid om de Ondernemingskamer te vragen voorzieningen te treffen indien uit het verslag van wanbeleid of wantoestanden is gebleken (art. 54 rapport). Deze voorzieningen worden in art. 54a in het rapport opgesomd:
Schorsing of vernietiging van een besluit van de bestuurders, van de commissarissen, van de vergadering van aandeelhouders of van enig ander orgaan der vennootschap;
Schorsing en ontslag van bestuurders of commissarissen;
Tijdelijke aanstelling van bestuurders en commissarissen;
Tijdelijke voorziening tot afwijking van de akte van oprichting;
Ontbinding van de vennootschap.
Art. 54b uit het voorstel van de commissie bepaalt dat de Ondernemingskamer de geldingsduur van door haar getroffen tijdelijke voorzieningen bepaalt en dat zij deze duur op verzoek van de verzoekers genoemd in art. 54, van de vennootschap en op vordering van de procureur-generaal kan verlengen of verkorten. Bovendien regelt de Ondernemingskamer zo nodig de gevolgen van de door haar getroffen voorzieningen.
29. De commissie merkt ter toelichting op dat de wetgever er in 1928 van uit is gegaan dat de enquête, naast de preventieve werking die de mogelijkheid tot het instellen van een onderzoek heeft, op zichzelf een zuiverende werking zou hebben. ‘Dit zal in de regel ook wel het geval zijn: is het duidelijk, waaraan het in het beleid schort, dan zullen de bevoegde organen daaruit gewoonlijk wel de consequenties trekken. Men dient er echter rekening mede te houden, dat dit in sommige gevallen niet zal geschieden, omdat degenen die tot sanering bereid zijn, aan hun wil niet voldoende kracht kunnen bijzetten, bijvoorbeeld indien zij niet over de vereiste meerderheid in de bevoegde vennootschappelijke organen beschikken. In zulke gevallen is er behoefte aan een ultimum remedium. De commissie heeft dit gevonden in de bevoegdheid van de rechter, om, als daartoe grond bestaat, in te grijpen. Derhalve wordt in de art. 54 e.v. een aantal maatregelen voorgesteld, waaruit de rechter naar bevind van zaken die voorzieningen kan kiezen die tot herstel van de juiste verhoudingen kunnen bijdragen. De commissie is van oordeel, dat deze mogelijkheid van ingrijpen ook de preventieve werking van het enquêterecht zal versterken.’4 Een onbeperkte bevoegdheid van de rechter om voorzieningen te treffen wordt door de commissie evenwel niet wenselijk geacht, gezien de vele en gewichtige belangen die op het spel staan. Anderzijds meent de commissie dat de rechter wel over voldoende bevoegdheden dient te beschikken om te bereiken dat een herstel van de gezonde verhoudingen intreedt. De voorzieningen genoemd in art. 54a waken er naar haar oordeel tegen dat de rechter zelf op de stoel van de ondernemer gaat zitten: ‘zijn werk is het treffen van maatregelen die de weg tot een oplossing kunnen banen. Het ligt voor de hand, dat de rechter niet dieper zal ingrijpen dan gelet op de omstandigheden noodzakelijk is en dat hij ingrijpen geheel achterwege zal laten, indien de uitkomst van het onderzoek de vennootschap zelf reeds aanleiding heeft gegeven orde op zaken te stellen: vandaar het voorschrift, dat de voorzieningen worden getroffen die op grond van het onderzoek geboden zijn. Het bevelen van de voorgestelde maatregelen zal immers altijd het karakter van een ultimum remedium moeten dragen’.5