Einde inhoudsopgave
Het budgetrecht van het Nederlandse parlement 2017/4.2.4
4.2.4 Het Verdrag van Maastricht
mr. M. Diamant, datum 01-09-2017
- Datum
01-09-2017
- Auteur
mr. M. Diamant
- Vakgebied(en)
Staatsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, PbEU 2007, C 306/1 (Trb. 2008, 11).
Zie o.a. Hinarejos 2015a en Tuori & Tuori 2014.
Volgens Ungerer begon er steeds meer begrip te komen voor het standpunt dat institutionele verankering van de monetaire unie en convergentie sterk van elkaar afhankelijk waren. Ungerer 1997, p. 166 en 204.
Zie ook Hinarejos 2015a, p. 15 en Snyder 2011, p. 687. Crockett beargumenteert dat ten tijde van de totstandkoming van het Verdrag van Maastricht het algemeen aangenomen werd dat economische convergentie vooraf diende te gaan aan monetaire integratie. De vraag was alleen in hoeverre economische convergentie noodzakelijk was. Volgens Crockett waren de destijds in het Verdrag van Maastricht neergelegde convergentiecriteria niet voldoende om succesvolle monetaire integratie te garanderen. Crockett 1994, p. 176-183.
De noodzaak om deze criteria na te leven is neergelegd in artikel 140 VWEU.
Zowel het Verenigd Koninkrijk als Denemarken hebben beide in een zogenoemd opt outprotocol bedongen dat de laatste fase van de EMU niet op hun van toepassing is ook al voldoen ze aan de convergentiecriteria.
Hoewel de fundamenten van de EMU – en dan met name de tweedeling tussen de economische en de monetaire unie – zoals neergelegd in het Verdrag van Maastricht grotendeels overeind zijn gebleven in het huidige Verdrag van Lissabon (in werking getreden in 2009)1 heeft de eurocrisis aanzienlijke gevolgen gehad voor de opzet van de EMU.2 Hierop wordt verder ingegaan in het vervolg van deze paragraaf waar uitgebreid wordt stilgestaan bij de eurocrisis en de in reactie daarop genomen maatregelen. Voor nu is het van belang om stil te staan bij de uitgangspunten zoals neergelegd in het Verdrag van Maastricht en het Verdrag van Lissabon.
De tegenstelling tussen het monetaire kamp en het economische kamp was volgens Ungerer na de totstandkoming van het EMS enigszins afgezwakt,3 toch was de uiteindelijke verankering van de EMU in het Verdrag van Maastricht een reflectie van een meer monetaire visie op monetaire integratie.4 De EMU is asymmetrisch van aard: een centraal geleid monetair beleid en een decentraal economisch beleid. Monetair beleid wordt op het centrale Europees niveau bepaald terwijl het economisch beleid nationaal van aard is en op Europees niveau wordt gecoördineerd.
In het Verdrag van Maastricht werd erkend dat er een bepaalde mate van convergentie tussen de lidstaten moest zijn bereikt voordat ze lid konden worden van de EMU en een gezamenlijk monetair beleid konden voeren. De lidstaat diende daarom te voldoen aan bepaalde convergentiecriteria. Deze criteria zijn nog steeds van toepassing op lidstaten die lid willen worden van de EMU en zijn uitgewerkt in Protocol nr. 13 betreffende de convergentiecriteria. De criteria houden in dat sprake moet zijn van lage inflatie, houdbare overheidsfinanciën – waaronder het vermijden van buitensporige tekorten op de nationale begroting – lage rentestanden en een stabiele wisselkoers. 5Dit komt ook tot uiting in de beginselen die ten grondslag liggen aan de EMU: stabiele prijzen, gezonde overheidsfinanciën en monetaire condities en een houdbare overheidsbalans (artikel 119 lid 3 VWEU). Het oordeel of een lidstaat voldoet aan de criteria wordt aan het politieke oordeel van de Raad van Ministers van de Europese Unie (Raad) overgelaten. In het Verdrag van Maastricht werd tot doel gesteld dat alle lidstaten van de EU uiteindelijk de euro zouden invoeren en zich dus zouden ontwikkelen richting de convergentiecriteria.6
4.2.4.1 Totstandkoming van de EMU in drie fases4.2.4.2 Het Stabiliteits- en Groeipact4.2.4.3 Hybride stelsel