Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.14.2
7.14.2 Legitieme portie in het algemeen
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS233004:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie artikel 4: 63 jo. 4:64 lid 1 jo. 4:65 BW, alsmede artikel 4:79 BW. De in aanmerking te nemen giften worden nader besproken in het kader van inbreng van vermogen in een trust/APV, zie hiervoor paragraaf 8.6.
Artikel 4:70 BW. Het betreft hier de giften als bedoeld in artikel 4:67 BW (zie Asser/Perrick 4, 2017/320).
Artikel 4:71 BW, ook als deze verkrijging niet vrij en onbezwaard is (zie Asser/Perrick 4, 2017/322).
Artikelen 4:72 en 4:73 BW.
Vereiste is wel dat de legitimaris binnen drie maanden na het overlijden van de erflater verwerpt (artikel 4:72 respectievelijk 4:73 lid 1 BW. In geval van een erfstelling dient tevens een zogenoemde contantenverklaring afgelegd te worden: indien de legitimaris niet bij de verwerping verklaart zijn legitieme portie te willen ontvangen, verliest hij zijn recht hierop (artikel 4:63 lid 3 BW).
Zoals in paragraaf 6.5.2 reeds opgemerkt, is de huidige legitieme portie relatief beperkt en rest de legitimaris slechts een vordering in geld. De omvang hiervan wordt kort gezegd bepaald door bepaalde giften bij de nalatenschap op te tellen en bepaalde schulden hierop in aftrek te brengen. De uitkomst wordt vermenigvuldigd met 50% van het percentage waarvoor de legitimaris erfgenaam bij versterf zou zijn.1 Op het aldus berekende bedrag worden ten slotte in mindering gebracht de waarde van (i) giften die de erflater aan de legitimaris gedaan heeft2, (ii) hetgeen de legitimaris krachtens erfrecht verkrijgt3 en (iii) datgene wat de legitimaris als erfgenaam of uit hoofde van een legaat kan verkrijgen, maar niet verkrijgt omdat hij verwerpt4. Op het laatste geldt echter een uitzondering in geval van zogenoemde inferieure makingen; indien daar sprake van is, komt de waarde van de making niet in mindering op de legitieme portie.5 In paragraaf 7.14.5 ga ik nader in op inferieure makingen.
Tegen deze achtergrond zal ik in de volgende paragrafen ingaan op de vraag in hoeverre de legitieme portie ertoe kan leiden dat de met certificering beoogde duurzame scheiding tussen zeggenschap en economisch belang niet gehandhaafd kan worden. Meer specifiek bespreek ik de vraag of certificering een gift kan zijn, waarmee in het kader van de legitieme portie rekening gehouden moet worden. Ook ga ik in op de vraag of een verkrijging van certificaten een inferieure making kan zijn. Allereerst bespreek ik echter de algemene toelaatbaarheid van certificering in het kader van de legitieme portie.