Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.14.6
7.14.6 Beroep op de legitieme portie
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232815:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Naar huidige recht zijn de aanspraken van de legitimaris immers beperkt tot een vordering in geld; hij heeft niet meer de mogelijkheid om uiterste wilsbeschikkingen en giften te vernietigen (zie Asser/Perrick 4, 2017/297).
Artikel 4:64 jo. 4:65 BW.
Zie artikelen 4:79, 4:80 en 4:89 BW.
Eenvoudshalve zal ik verder slechts spreken over de erfgenamen.
In de situatie waarin certificering (primair) wordt toegepast als beschermingsfiguur, ligt althans voor de hand dat ten minste het grootste deel van het vermogen gecertificeerd zal worden.
Van belang is dan natuurlijk wel dat geen andere bepalingen in het testament zijn opgenomen, die de verkrijging van de legitimaris alsnog inferieur maken.
Althans aannemend dat de legitimaris ten tijde van de schenking meerderjarig was.
Artikel 4:82 BW.
Vegter, preadvies 2004, pagina 121 – 124.
Artikel 4:131 BW.
De bevoegdheid om nakoming te vorderen of de schenking te vernietigen komt toe aan de schenker. Na diens overlijden komt deze bevoegdheid toe aan diens erfgenamen, hetgeen zeer wel de personen kunnen zijn jegens wie de sanctie ingeroepen zou moeten worden. Om een dergelijke samenloop te voorkomen zou de schenker zijn contractuele positie jegens de verkrijger over moeten dragen aan een ander (met medewerking van de verkrijger, aangezien het contractsoverneming betreft, zie artikel 6:159 BW), bijvoorbeeld de STAK, hetgeen een en ander natuurlijk niet eenvoudiger maakt.
In feite komt dit neer op gedeeltelijke onoverdraagbaarheid, zie paragraaf 7.7.3.2.
Vooropgesteld zij dat een legitimaris met de huidige legitieme portie niet in staat is om de certificering als zodanig aan te tasten.1 Het maximaal haalbare is voor de legitimaris nog slechts een vordering in geld, ter grootte van het percentage overeenkomend met de helft van zijn erfdeel bij versterf, berekend over de legitimaire massa.2 In een situatie waarin de nalatenschap grotendeels of (nagenoeg) geheel uit certificaten bestaat, zal doorgaans slechts sprake zijn van een te effectueren vordering indien de legitimaris de certificaten als legaat verkrijgt. Bij een verkrijging als erfgenaam wordt de waarde van de certificaten die verkregen hadden kunnen worden op grond van artikel 4:72 BW in mindering gebracht op de legitimaire vordering, zodat hiervan niets of weinig resteert. Indien echter wel sprake is van een vordering van enige omvang, is de vraag wat dit voor de certificering betekent.
Door een beroep te doen op zijn legitieme portie, verkrijgt de legitimaris primair een vordering op de gezamenlijke erfgenamen of op de langstlevende echtgenoot, indien de wettelijke verdeling van toepassing is. Voorts kan sprake zijn van een vordering op begiftigden.3 De erfgenamen c.q. de echtgenoot4 zijn niet verplicht tot voldoening van de legitimaire vordering(en) voor zover deze groter zijn dan de waarde van de nalatenschap.5 Dit kan zich voordoen indien de omvang van de legitimaire massa (mede) bepaald wordt door aanzienlijke giften gedaan door de erflater.
De problematiek bij samenloop van een legitimaire vordering en certificering is met name praktisch van aard. Indien de nalatenschap weinig anders omvat dan de certificaten, is de vraag op welke wijze de erfgenamen deze vordering gaan voldoen. Zij verkrijgen immers de certificaten, maar in aanmerking nemend dat de administratievoorwaarden bij toepassing van certificering als beschermingsfiguur in meer of mindere mate restrictief zijn, zal het te gelde maken hiervan om middelen te genereren voor het voldoen van de legitimaire vordering niet of beperkt mogelijk zijn. De erflater kan daar bovendien zelf de hand in hebben, bijvoorbeeld door zodanige kwaliteitseisen in de administratievoorwaarden op te nemen, dat slechts zijn afstammelingen in aanmerking komen als certificaathouder.
De inhoud van de administratievoorwaarden speelt daarbij ook een rol in de waardering. Zoals in paragraaf 7.14.4 betoogd, heeft certificering een waardedrukkend effect, vanwege het ontbreken van zeggenschap. Naarmate de administratievoorwaarden restrictiever zijn en bijvoorbeeld niet alleen de zeggenschap van de certificaathouder beperken, maar ook diens mogelijkheden om de certificaten over te dragen, zal dit waardedrukkende effect sterker zijn. Er van uitgaand dat de certificaten het grootste deel uitmaken van de nalatenschap,6 bepaalt de waarde van de certificaten ook de waarde van de nalatenschap, maar ook de omvang van de legitimaire vordering. Met andere woorden: de erfgenamen zijn vermoedelijk niet in staat om hun certificaten te verkopen of te decertificeren en op die wijze middelen vrij te maken, maar de keerzijde hiervan is dat de schuld aan de legitimaris die voldaan moet worden ook lager zal zijn. Desalniettemin is deze praktische problematiek een punt waarvan de insteller van de certificering zich naar mijn mening rekenschap moet geven: indien één of meerdere legitimarissen niet zouden berusten in de verkrijging van certificaten en zij in de gelegenheid zijn om een legitieme portie geldend te maken, dan kan dit de erfgenamen potentieel in de problemen brengen.
Voor een deel hangt dit ook samen met waardering. Zoals gezegd zullen restrictieve voorwaarden betekenen dat de waarde van de certificaten in het algemeen lager zal zijn, maar dat betekent nog niet dat deze waarde eenvoudig vast te stellen is, of dat men daar niet over van mening zou kunnen verschillen. Potentieel lijkt deze situatie mij derhalve een bron van conflicten tussen de niet-berustende legitimaris en de erfgenamen over de in aanmerking te nemen waarde. In zoverre kunnen zeer restrictieve administratievoorwaarden daarbij gunstig zijn voor de erfgenamen, omdat dit argumenten zal bieden voor het bepleiten van een lage waarde.
Vanuit het perspectief van een niet alleen duurzame, maar ook voor betrokkenen houdbare certificering is het derhalve verstandig om de certificaten te laten vererven, omdat de verkrijgende legitimaris daarmee in feite gedwongen wordt om te berusten in de verkrijging van certificaten.7 Hij heeft immers niet de mogelijkheid om in plaats daarvan een geldbedrag vrij van certificering te verkrijgen. Een alternatief is om de certificaten reeds tijdens leven (deels) te schenken aan de legitimaris, die daarmee de aan de certificaten verbonden beperkingen zelf aanvaard heeft.8 Indien deze alternatieven echter om enige reden geen van beide haalbaar mochten zijn, is het mijns inziens aanbevelenswaardig indien de administratievoorwaarden voorzien in een methode om de erfgenamen de middelen te verschaffen voor het voldoen van hun schuld aan de legitimaris. Denkbaar is in dit kader bijvoorbeeld de verplichting voor het bestuur van de STAK om mee te werken aan (partiële) decertificering, voor zover dit nodig is om de legitimaire vordering te voldoen. Dat betekent wellicht dat de certificering geen stand houdt zoals beoogd, maar voorkomt wel dat de erfgenamen in een problematische situatie worden gebracht. Discussies over de waardering kan de erflater evenwel niet voorkomen, aangezien hij niet in de positie zal zijn waarin een (bindend) waarderingsvoorschrift aan legitimaris en erfgenamen kan worden opgelegd. Wel kan in de situatie waarin sprake is van een langstlevende echtgenoot (of andere levensgezel) en legitimaris gestimuleerd worden om te berusten in de verkrijging van certificaten, doordat de erflater bepaalt dat de legitimaire vordering, voor zover deze ten laste komt van de echtgenoot, pas opeisbaar is bij diens overlijden.9 De effectiviteit van deze maatregel hangt uiteraard af van de verdere verdeling van de nalatenschap (met name wettelijke verdeling of vergelijkbare verdeling, of niet), alsmede van de periode dat de langstlevende echtgenoot de erflater naar verwachting zal overleven.
In dit verband zij ten slotte gewezen op de suggestie van Vegter dat de instandhouding van certificering gedurende een langere termijn versterkt kan worden door aan de certificaathouder de verplichting op te leggen om de certificaten gedurende een bepaalde periode niet te royeren.10 Deze verplichting kan in geval van een gift van de certificaten de vorm hebben van een (afdwingbare) verplichting die men overeenkomt, of van een last. In geval van vererving kan eveneens sprake zijn van een last, zij het dat in dit laatste geval sprake is van een inferieure making in de zin van artikel 4:72 sub a BW, zodat de erfgenaam die de certificaten verkrijgt zou kunnen verwerpen en een beroep doen op zijn legitieme portie. In geval van een dergelijke verplichting of last is Vegter van mening dat, ook indien er een dwingendrechtelijke bevoegdheid tot opzegging van de beheersovereenkomst zou bestaan, de certificaten niet onbestraft geroyeerd kunnen worden. Het is dan ofwel mogelijk om nakoming van de verplichting te vorderen, ofwel om de schenkingsovereenkomst te vernietigen11 dan wel om vervallenverklaring van het erfgenaamschap van de certificaathouder te verzoeken12.
Hoewel een dergelijke verplichting of last inderdaad een extra drempel zou kunnen opwerpen tegen het beëindigen van de certificering voordat dit door de erflater wenselijk werd geacht, komt het mij voor dat praktische bezwaren veelal aan toepassing dan wel effectiviteit hiervan in de praktijk in de weg zullen staan. Daarvoor is immers noodzakelijk dat bij een (poging tot) voortijdige decertificering na het overlijden van de erflater iemand de taak op zich neemt om nakoming van de verplichting of vernietiging van de schenkingsovereenkomst te vorderen13, dan wel vervallenverklaring van het erfdeel van de certificaathouder14. In het geval van de vererving van de certificaten komt daarbij dat de testamentaire last de verkrijging van de certificaten inferieur maakt op grond van artikel 4:72 sub a BW, terwijl de verkrijging van certificaten in de hoedanigheid van erfgenaam als zodanig niet inferieur is. Dat impliceert dat het opnemen van de testamentaire last een risico met zich brengt dat de erfgenaam door middel van een beroep op zijn legitieme portie ongecertificeerd vermogen verkrijgt, waar dit risico zonder de last niet aanwezig zou zijn.
Concluderend is naar mijn mening de duurzaamheid van de certificering derhalve het meeste gediend door deze ofwel reeds tijdens leven aan de legitimaris te schenken, die de beperking dan immers aanvaardt, ofwel deze te laten vererven. Volledigheidshalve zij erop gewezen dat de omstandigheid dat de legitimarissen “gedwongen” worden om de certificaten te aanvaarden, hen uiteraard niet belet om deze vervolgens te vervreemden en aldus de beschikking te krijgen over middelen waar zij vrij over kunnen beschikken. Vraag is evenwel hoe groot dit risico in concreto is: niet-royeerbare certificaten zullen niet eenvoudig te verkopen zijn, althans niet voor een enigszins redelijke prijs. Vervreemding kan bovendien voorkomen worden door de certificaten onoverdraagbaar te maken, maar in dat geval komt de vraag op of dat de certificering niet (meer) maatschappelijk onaanvaardbaar maakt. Een tussenweg is het opnemen van kwaliteitseisen, die bijvoorbeeld inhouden dat certificaten slechts gehouden kunnen worden door leden van een bepaalde familie, of een vorm van blokkeringsregeling.15 Maatschappelijke onaanvaardbaarheid zal zich daarbij minder snel voordoen, zeker indien dergelijke restricties consistent zijn met het doel van de certificering.