Einde inhoudsopgave
Scheiding van zeggenschap en belang in de familiesfeer (FM nr. 162) 2020/7.14.5
7.14.5 Certificaten als inferieure making
Mr. dr. A.E. de Leeuw, datum 29-02-2020
- Datum
29-02-2020
- Auteur
Mr. dr. A.E. de Leeuw
- JCDI
JCDI:ADS232890:1
- Vakgebied(en)
Vermogensbelasting (V)
Schenk- en erfbelasting / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Mits verwerping plaatsvindt binnen drie maanden na het overlijden van de erflater, zie artikel 4:72 respectievelijk 4:73 lid 1 BW.
Artikel 4:72 BW.
Zie paragraaf 7.7.
Indien de bedoeling is dan slechts specifieke vermogensbestanddelen worden gecertificeerd, kan uiteraard ook gewerkt worden met een legaat aan de STAK en sublegaten ten gunste van de uiteindelijke verkrijgers. Het voordeel van de STAK als erfgenaam is evenwel dat die niet afhankelijk is van anderen voor de afgifte van het legaat.
Aangezien het aangaan van de certificering geen gift is, hoeft hierbij geen rekening gehouden te worden bij het bepalen van de omvang van een eventuele legitieme portie. De omvang hiervan hangt dan af van het antwoord op de vraag of de verkrijging van de certificaten een inferieure making inhoudt. Indien dit het geval is, kan de legitimaris deze verkrijging straffeloos verwerpen en een beroep doen op zijn legitieme portie, zonder dat de waarde van hetgeen hij had kunnen verkrijgen in mindering wordt gebracht op zijn legitieme portie.1
De omstandigheden waaronder een making inferieur is zijn voor erfstellingen en legaten separaat geformuleerd en het betreft ook niet volledig dezelfde omstandigheden. Een verkrijging als erfgenaam is inferieur in de volgende gevallen:
indien goederen onder een voorwaarde, een last of een bewind zijn nagelaten; of
indien ten laste van de legitimaris legaten zijn gemaakt die verplichten tot iets anders dan de betaling van een geldsom of de overdracht van goederen van de nalatenschap.2
Dit betekent dat, indien de certificering heeft plaatsgevonden tijdens het leven van de erflater en de legitimaris de certificaten verkrijgt als erfgenaam, geen sprake is van een inferieure making, aangezien de genoemde omstandigheden zich niet voordoen. Wellicht is denkbaar dat een parallel getrokken wordt met een bewind, omdat certificering en testamentair bewind met vergelijkbare motieven in het leven geroepen kunnen zijn. In paragraaf 7.5.4 ben ik echter reeds ingegaan op de grote verschillen in juridische structuur die tussen certificering en bewind bestaan, als gevolg waarvan certificering mijns inziens niet gezien kan worden als een bewind, terwijl artikel 4:178 lid 2 BW, inzake de beëindiging van het bewind, ook niet analoog toepasselijk is op certificering. In het verlengde daarvan ben ik van mening dat certificering in het kader van de inferieure makingen evenmin met een bewind gelijk gesteld kan worden.
De omstandigheden waaronder een legaat inferieur is, zijn evenwel wat ruimer; hier is sprake van indien:
het een legaat betreft van een vorderingsrecht;
het legaat onder een voorwaarde, een last of een bewind is gemaakt;
ten laste van de legataris sublegaten zijn gemaakt, die verplichten tot iets anders dan het betalen van een geldsom;
het legaat pas later dan zes maanden na het overlijden van de erflater, of, indien de legitimaris mede-erfgenaam is, pas na de verdeling van de nalatenschap opeisbaar wordt; of
het legaat ten laste komt van een of meer erfgenamen, wier erfdelen ontoereikend zijn om het legaat uit te voldoen.3
Aangezien een certificaat in essentie een vorderingsrecht is, met enkele daaraan verbonden (neven)rechten en plichten,4 betekent dit dat een legaat van certificaten steeds inferieur is. Vanuit dit perspectief heeft het dus in principe de voorkeur om certificaten te laten vererven in plaats van deze te legateren.
Hoewel mijn uitgangspunt de tijdens leven ingestelde certificering is, maak ik op dit punt graag een enkele opmerking over het alternatief, zijnde de ter zake van het overlijden in het leven geroepen certificering. Deze kan bijvoorbeeld bewerkstelligd worden door de beoogde STAK tot enige erfgenaam te benoemen, waarbij ten laste van deze STAK legaten worden gemaakt van certificaten van de nalatenschapsgoederen ten gunste van de legitimarissen/uiteindelijke verkrijgers.5 Ook is denkbaar dat de beoogde verkrijgers erven, maar onder de last om het verkregen vermogen geheel of gedeeltelijke te certificeren. In beide gevallen zal echter sprake zijn van een inferieure making, ofwel omdat sprake is van een legaat van een (inferieur) vorderingsrecht, ofwel omdat sprake is van een verkrijging onder een last. Vanuit het perspectief van het zoveel mogelijk uitsluiten van de gevolgen van een eventueel beroep op de legitieme portie biedt het reeds tijdens leven certificeren van vermogen derhalve meer zekerheid. In de hiernavolgende paragraaf ga ik nader in op de gevolgen van inkorting en de mate waarin dit ertoe kan leiden dat de met de certificering nagestreefde duurzame scheiding tussen zeggenschap en economisch belang niet bereikt kan worden.