Einde inhoudsopgave
Onmiddellijke voorzieningen en hun externe werking (IVOR nr. 118) 2020/3.9
3.9 Belangenafweging en de twee beslisstadia
mr. A.C. Faber, datum 16-03-2020
- Datum
16-03-2020
- Auteur
mr. A.C. Faber
- JCDI
JCDI:ADS197000:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
De beslisstadia zijn beschreven in 3.6. De vraag zou zich kunnen opdringen aan de feitelijke enquêterechter.
Bespreking van de vraag in welk stadium belangen moeten worden afgewogen zou een zinloze exercitie zijn, als afweging in het eerste stadium ondenkbaar is.
Die vraag roept volgende vragen op: vergen de onderscheiden beslismomenten elk een eigen belangenafweging; worden bij het ene beslisonderdeel andere (soorten) belangen gewogen dan bij het andere; maakt het eigenlijk uit waar de belangenafweging wordt gemaakt? Als dat laatste niet het geval is, dan is het gemaakte onderscheid in twee beslisonderdelen, voor zover het de belangenafweging betreft, zonder betekenis. Deze vervolgvragen worden niet uitgediept, gelet op de conclusie in 3.9.4.
HR 18 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AU2465, ARO 2005/197 (Unilever). Zie ook nr. 72-74.
Dat gebeurt aan de hand van jurisprudentie die richtinggevend is geweest bij het ontwikkelen van het vereiste van belangenafweging. A-G Timmerman heeft het – destijds nog niet in de wet opgenomen – vereiste geïllustreerd aan de hand van de zaken Skygate (HR 19 oktober 2001) en ABN Amro (HR 13 juli 2007) (concl. A-G L. Timmerman, ECLI:NL:PHR:2007:BB3523, bij HR 14 december 2007 (DSM)).
[112] Men kan zich afvragen bij welke van de twee achtereenvolgende beslissingsstadia van de beslissing over een onmiddellijke voorziening de belangenafweging moet plaatsvinden.1 En is een afweging van belangen eigenlijk wel voorstelbaar bij de vraag of ingegrepen moet worden (de ‘of-vraag’ van het eerste beslisstadium)? Daarvoor moeten er belangen te identificeren zijn die in het stadium van de of-vraag een rol (kunnen) spelen. Hier wordt eerst iets gezegd over de voorstelbaarheid van een afweging van belangen in het eerste beslisstadium.2 Daarna wordt ingegaan op de vraag in welk stadium de belangenafweging moet plaatsvinden.3
De zaak Unilever wordt in herinnering geroepen.4 Daarin werd een beroep gedaan op mogelijke, voor de rechtspersoon schadelijke gevolgen van het toewijzen van het enquêteverzoek, in de vorm van reputatieschade en invloed op de beurskoers. Het is niet ondenkbaar dat soortgelijke belangen (zelfstandig, dus onafhankelijk van de beslissing op het enquêteverzoek) om aandacht vragen bij de beslissing op een verzoek om onmiddellijke voorzieningen. Het oordeel dat de toestand van de rechtspersoon zo chaotisch is of dat de kans op een ongestoord onderzoek zo klein wordt geacht dat een onmiddellijke voorziening nodig is, kan zelfstandig (op andere gronden of op sterkere wijze dan de bevolen enquête) een diffamerend effect hebben. Het afwegen van belangen bij beantwoording van de vraag of onmiddellijke voorzieningen moet worden getroffen, lijkt dus niet onmogelijk. Daarom wordt nog enige aandacht besteed aan mogelijke aanwijzingen dat de belangenafweging in een van de twee onderdelen van de beslissing (de of-vraag en de ‘welke-vraag’) moet plaatsvinden.5
3.9.1 Skygate3.9.2 ABN Amro3.9.3 DSM3.9.4 Welk stadium de belangenafweging vergt is ongewis