Einde inhoudsopgave
Stille getuigen 2015/0.4.3.2
4.3.2 Analyse van EHRM-jurisprudentie
Mr. B. de Wilde, datum 01-01-2015
- Datum
01-01-2015
- Auteur
Mr. B. de Wilde
- Vakgebied(en)
Internationaal publiekrecht / Mensenrechten
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Voetnoten
Voetnoten
Bij de invulling van de regels en uitgangspunten speelt soms ook een rol in hoeverre andere EVRM-rechten konden worden uitgeoefend. Zie daarover § 8.6 van hoofdstuk 1.
Hierna behandel ik beide soorten overwegingen separaat. Het komt echter dikwijls voor dat algemene overwegingen worden geplaatst tussen de overwegingen met betrekking tot de beoordeling van de concrete klacht. Zie bijvoorbeeld EHRM 27 februari 2014, appl.no. 5699/11 (Lucˇic´/Kroatië), § 79. Het komt overigens ook voor dat algemene overwegingen geheel ontbreken. Zie bijvoorbeeld EHRM 7 november 2013, appl.no. 21380/04 (Lobas/Oekraïne), § 67-78.
Zie uitvoerig over separate opinions bij EHRM-uitspraken White & Boussiakou 2009. Volgens Bodnar 2014, p. 240-241 hebben uitspraken die niet unaniem zijn gedaan minder gezag dan unanieme uitspraken.
Dit overzicht is overigens niet altijd compleet. Soms ontbreken algemene overwegingen die van grote betekenis zijn voor de beoordeling van de zaak. Zo ontbreekt in EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden) een algemene overweging van de strekking dat een getuigenverklaring in beginsel niet van beslissende betekenis mag zijn voor de veroordeling.
EHRM 27 september 1990, appl.no. 10843/84 (Cossey/Verenigd Koninkrijk), § 35: ‘the Court is not bound by its previous judgments; indeed, this is borne out by Rule 51 para. 1 of the Rules of Court. However, it usually follows and applies its own precedents, such a course being in the interests of legal certainty and the orderly development of the Convention case-law. Nevertheless, this would not prevent the Court from departing from an earlier decision if it was persuaded that there were cogent reasons for doing so. Such a departure might, for example, be warranted in order to ensure that the interpretation of the Convention reflects societal changes and remains in line with presentday conditions.’ Zie ook: EHRM (GC) 11 juli 2002, appl.no. 28957/95 (Goodwin/Verenigd Koninkrijk), § 74: ‘While the Court is not formally bound to follow its previous judgments, it is in the interests of legal certainty, foreseeability and equality before the law that it should not depart, without good reason, from precedents laid down in previous cases’. De term ‘evolutieve benadering’ wordt gebruikt in EHRM (GC) 28 mei 2002, appl.no. 46295/99 (Stafford/Verenigd Koninkrijk), § 68. Er wordt doorgaans gesproken van ‘evolutieve interpretatie’. Zie uitvoeriger Senden 2011, p. 145-172 en 267-288, Dzehtsiarou 2011, Bjorge 2011, Arato 2010 en Prebensen 2000.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 118: ‘the rights of the defence (...), as a rule, require that the accused should be given an adequate and proper opportunity to challenge and question a witness against him’; EHRM 10 november 2005, appl.no. 54789/00 (Bocos-Cuesta/ Nederland), § 67: ‘as a general rule, it is for the national courts to assess the evidence before them as well as the relevance of the evidence which defendants seek to adduce.’
EHRM 10 november 2005, appl.no. 54789/00 (Bocos-Cuesta/Nederland), § 69: ‘In securing the rights of the defence, the judicial authorities may be required to take measures which counterbalance the handicaps under which the defence labours’.
EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/ Verenigd Koninkrijk), § 146.
Een voorbeeld is de regel dat een verklaring die door foltering is verkregen, niet mag worden gebruikt voor het bewijs. Zie EHRM 1 juni 2010, appl.no. 22978/05 (Gäfgen/ Duitsland), § 166.
Zie bijvoorbeeld EHRM 26 maart 1996, appl.no. 20524/92 (Doorson/Nederland), § 76: ‘evidence obtained from witnesses under conditions in which the rights of the defence cannot be secured to the extent normally required by the Convention should be treated with extreme care.’ De vraag is welke consequentie het EHRM zou verbinden aan het niet met uiterste behoedzaamheid behandelen van de getuigenverklaring. Zie daarover § 2.11.1 van hoofdstuk 7.
Vgl. EHRM 10 november 2005, appl.no. 54789/00 (Bocos-Cuesta/Nederland), § 69: ‘In securing the rights of the defence, the judicial authorities may be required to take measures which counterbalance the handicaps under which the defence labours’ en EHRM4 november 2008, appl.no. 22695/03 (Demski/Polen), § 39: ‘any difficulties caused to the defence by a limitation on its rights must be sufficiently counterbalanced by the procedures followed by the judicial authorities’.
EHRM 24 juli 2008, appl.no. 41461/02 (Romanov/Rusland), § 102-103.
EHRM 4 december 2008, appl.no. 1111/02 (Trofimov/Rusland), § 37-38.
HR 12 oktober 1999, NJ 1999, 827: steunbewijs moet betrekking hebben op de door de verdachte betwiste onderdelen van de getuigenverklaring.
EHRM 22 juni 2006, appl.no. 62236/00 (Guilloury/Frankrijk), § 59-60.
Zie bijvoorbeeld EHRM 23 april 1997, appl.nos. 21363/93 e.a. (Van Mechelen e.a./Nederland), § 63: daderschap en EHRM 10 juli 2012, appl.no. 29353/06 (Vidgen/Nederland), § 44: opzet.
Daarbij noemt het bepaalde feiten die in de nationale procedure van belang waren, soms niet. Dat gebeurde bijvoorbeeld in EHRM5 april 2005, appl.no. 39209/02 (dec.) (Scheper/ Nederland). In deze zaak, over verkrachting van prostituees, was in de Nederlandse procedure de verklaring van de verdachte dat hij wilde doorgaan met het seksuele contact nadat het condoom was gescheurd, belangrijk. In de overwegingen van de Hoge Raad werd deze verklaring als steunbewijs gepresenteerd (HR 11 juni 2002, NJ 2002, 459, r.o. 3.6.1-3.6.2). Zij is in de EHRM-uitspraak echter niet genoemd, hoewel zij wel van grote betekenis lijkt te zijn geweest, aangezien de verdachte had ontkend dat hij het slachtoffer tot seks had gedwongen en die dwang ten aanzien van dit slachtoffer niet uit andere bewijsmiddelen bleek. Omdat het feit niet is genoemd, is niet duidelijk of het EHRM zich hier desondanks op heeft gebaseerd bij het nemen van zijn beslissing. Dat maakt het interpreteren van de beslissing lastig.
Een mooi voorbeeld is EHRM 14 januari 2010, appl.no. 23610/03 (Melnikov/Rusland), § 67, waarin het EHRM uiteenzette waarom in die zaak geen behoorlijke en effectieve ondervragingsgelegenheid werd aangenomen en waarom dat in de erop lijkende zaak EHRM 19 februari 1991, appl.no. 11339/85 (Isgrò/Italië), § 35 wel was gebeurd. Zie over de toepassing van de vergelijkingsmethode door het EHRM Rozemond 1998, p. 135, Gerards 2006, p. 105-107 en Meijers 1994, p. 277.
Zie bijvoorbeeld EHRM 20 januari 2009, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), § 38, waarin het EHRM uitlegde wat de betekenis is van EHRM 2 juli 2002, appl.no. 34209/96 (S.N./Zweden).
Een voorbeeld is EHRM (GC) 15 december 2011, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al- Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), § 120. Daarin overwoog het EHRM dat het in EHRM 8 juni 2006, appl.no. 60018/00 (Bonev/Bulgarije) had aangenomen dat de getuigenverklaring in die zaak niet van beslissende betekenis was geweest. In § 44 van dat arrest zelf staat echter: ‘Mr Z.T.’s and Mr L.A.’s statements appear to have been therefore decisive for the applicant’s conviction.’ Daarmee lijkt het EHRM te hebben bedoeld dat het de getuigenverklaring van beslissende betekenis achtte.
Zie bijvoorbeeld EHRM 20 januari 2009, appl.nos. 26766/05 & 22228/06 (Al-Khawaja & Tahery/Verenigd Koninkrijk), § 156, waarin het EHRM aangaf wat de belangrijkste compenserende factor was.
Vgl. Loucaides 2007, p. 203: ‘The case-law of the Court on this subject is to a certain degree inconsistent and unclear’.
Zie bijvoorbeeld § 5.3.2 van hoofdstuk 1, waarin ik de mogelijkheid opper dat de eerste sectie van het EHRM deskundigen als getuigen aanmerkt in de zin van artikel 6 lid 3 sub d EVRM, maar de andere secties niet. Zie ook § 2.2.1 van hoofdstuk 4.
Dat gebeurde bijvoorbeeld in de Franstalige arresten waaraan aan het einde van deze paragraaf wordt gerefereerd.
Zie § 2.8.5 van hoofdstuk 6.
Zie § 2.8.3 van hoofdstuk 6.
Zie daarover § 2.3 van hoofdstuk 5.
Algemeen
Soms hanteert het ehrm duidelijke regels, waarop al dan niet uitzonderingen worden aangenomen. Ten aanzien van het ondervragingsrecht kan worden gedacht aan de regel dat een schending van het ondervragingsrecht wordt aangenomen wanneer de rechter geen goede reden had om een getuigenverzoek af te wijzen. Het ehrm formuleert soms ook uitgangspunten, die weliswaar van belang kunnen zijn voor de beoordeling van een zaak, maar geen dwingend karakter hebben. Een voorbeeld daarvan is het uitgangspunt dat al het bewijsmateriaal ter zitting moet worden geproduceerd. Is dat niet gebeurd, dan zal het ehrm daaraan alleen consequenties verbinden wanneer de rechten van de verdediging onvoldoende zijn gerespecteerd.1
Centraal bij het uitvoeren van het evrm-deel van mijn onderzoek staan de vragen welke regels en uitgangspunten het ehrm hanteert, wat de betekenis van deze regels en uitgangspunten is en op welke manier deze regels en uitgangspunten worden toegepast in concrete zaken. De motivering van uitspraken door het ehrm, die dikwijls erg uitvoerig is, vormt de basis voor de beantwoording van deze vragen. Deze motivering valt in de meeste uitspraken uiteen in twee onderdelen: algemene overwegingen (general principles) en overwegingen met betrekking tot de te beoordelen zaak.2 Soms kunnen ook separate opinions inzicht geven in de betekenis van een ehrm-uitspraak, al is het maar omdat daaruit kan blijken welke argumenten het ehrm niet aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd.3
Het afleiden van regels en uitgangspunten uit algemene overwegingen
In de algemene overwegingen wordt een overzicht gegeven van regels en uitgangspunten die relevant zijn voor de beoordeling van de desbetreffende zaak.4 Deze ontleent het ehrm doorgaans aan eerdere jurisprudentie, die dan ook als bron wordt genoemd. Het ehrm hanteert meestal een evolutieve benadering. Nieuwe zaken worden zoveel mogelijk beoordeeld op basis van precedenten.5 Bij de formulering van regels en uitgangspunten drukt het ehrm zich zelden absoluut uit. Zo gebruikt het soms formuleringen als ‘as a rule’ of ‘as a general rule’, wat impliceert dat de regel in bijzondere situaties niet van toepassing is.6 Wanneer een bepaalde actie ‘may be required’, zal het afhangen van de bijzondere omstandigheden van een zaak of deze actie daadwerkelijk wordt vereist.7 Voor zover een regel al absoluut is geformuleerd, is het de vraag of deze ook daadwerkelijk absolute betekenis heeft. In het arrest Al-Khawaja & Tahery oordeelde het ehrm dat een bepaalde regel ‘may have suggested’ dat sprake was van een absolute regel.8 De regel in kwestie was absoluut geformuleerd, maar moest volgens het ehrm kennelijk niet zo absoluut worden opgevat. Het komt weinig voor dat het ehrm absolute regels beoogt te hanteren.9 Bij regels die wél absoluut lijken te zijn bedoeld, is het de vraag wat de consequentie zou moeten zijn wanneer niet aan de regel is voldaan.10 Complicerend is ten slotte dat het ehrm dezelfde regel soms in de ene zaak absoluut formuleert en in een andere zaak niet.11
Het afleiden van regels en uitgangspunten uit overwegingen met betrekking tot de beoordeling van de concrete klacht
Bij de beoordeling van de concrete klacht wordt soms een bepaald uitgangspunt genoemd dat volgens het ehrm in het algemeen van belang is bij de beoordeling van klachten over het ondervragingsrecht. Wanneer dit uitgangspunt vervolgens ook wordt toegepast bij de beoordeling van de zaak, lijkt het erop dat sprake is van een algemeen uitgangspunt. Keert het uitgangspunt terug in meer zaken, dan is het verleidelijk om te concluderen dat daadwerkelijk sprake is van een algemeen uitgangspunt. Deze conclusie hoeft echter niet altijd correct te zijn. Het is namelijk denkbaar dat de feiten en omstandigheden in de zaken waarin het uitgangspunt werd toegepast, gelijk waren, maar het ehrm bij andere feiten en omstandigheden het uitgangspunt niet zou hebben toegepast. Een voorbeeld is de zaak Romanov. Het ehrm lijkt in deze zaak te hebben geoordeeld dat verklaringen van medeverdachten in het algemeen geen steunbewijs mogen opleveren. In deze zaak liet het ehrm de belastende verklaringen van verschillende medeverdachten daadwerkelijk buiten beschouwing en stelde het vast dat de verklaring van het slachtoffer van beslissende betekenis was.12 In de zaak Trofimov volgde het dezelfde redenering.13 In beide zaken noemde het ehrm ook argumenten voor het gehanteerde uitgangspunt: medeverdachten worden niet onder ede gehoord en kunnen daarom ongestraft liegen, terwijl zij ook een eigen belang hebben bij de uitkomst van de zaak. Het is daarom mogelijk dat het algemene uitgangspunt niet zal worden toegepast wanneer de medeverdachte wél onder ede heeft verklaard en daarbij ook zichzelf in aanzienlijke mate heeft belast. De gevolgtrekking dat de verklaring van een medeverdachte nooit steunbewijs mag opleveren, is op basis van alleen deze twee arresten derhalve niet gerechtvaardigd.
Tot nu toe besprak ik de waarde van regels en uitgangspunten die het ehrm expliciet heeft geformuleerd. Het ehrm lijkt bij de beoordeling van het ondervragingsrecht soms ook algemene uitgangspunten te hanteren zonder dat deze ooit expliciet zijn genoemd. Wanneer de overwegingen van het ehrm in verschillende arresten naast elkaar worden gelegd, is het in bepaalde gevallen mogelijk om voorzichtig te concluderen dat het ehrm een algemeen uitgangspunt hanteert. Een voorbeeld is de vraag of bepaald bewijsmateriaal alleen in aanmerking komt als steunbewijs voor de verklaring van de niet door de verdediging ondervraagde getuige wanneer het betrekking heeft op specifieke onderdelen van de getuigenverklaring. Anders dan de Hoge Raad,14 heeft het ehrm zich daarover nooit expliciet uitgelaten.
In de zaak Guilloury had de verdachte – een bakker, die was vervolgd wegens ontucht met twee stagiairs met misbruik van gezag – de ontucht bekend. Hij had echter ontkend dat hij daarbij misbruik had gemaakt van zijn gezag als werkgever. Voor het misbruik van gezag bestond geen ander bewijsmateriaal dan de verklaringen van de slachtoffers. Er bestond wel sterk steunbewijs voor de ontucht. De bakker had de seksuele gedragingen zelf toegegeven en deze waren op video opgenomen. Het ehrm achtte de verklaringen van de slachtoffers van beslissende betekenis.15 Kennelijk moest het steunbewijs betrekking hebben op het misbruik van gezag. Wanneer dit arrest geïsoleerd wordt beschouwd, kunnen daarvoor verschillende verklaringen worden gegeven. Misbruik van gezag was een strafverzwarende omstandigheid. Mogelijk achtte het ehrm om die reden steunbewijs voor dat aspect relevant. De bakker had echter ook specifiek betwist dat hij misbruik had gemaakt van zijn gezag. Ook in deze proceshouding kan een verklaring worden gevonden waarom juist voor het misbruik van gezag steunbewijs had moeten bestaan. Pas wanneer verschillende arresten naast elkaar worden gelegd, kan met meer stelligheid worden vastgesteld wat de beweegreden voor het ehrm is geweest om onvoldoende steunbewijs aanwezig te achten. In andere zaken was geen sprake van strafverzwarende omstandigheden, maar wel van de betwisting van bepaalde aspecten, zoals daderschap of opzet en moest het steunbewijs op deze betwiste aspecten zien.16 Op grond daarvan kan worden geconcludeerd dat het erop lijkt dat het ehrm alleen steunbewijs in aanmerking neemt dat betrekking heeft op de door de verdachte betwiste aspecten van de getuigenverklaring.
Of een bepaalde beoordelingsfactor positief of negatief wordt beoordeeld, hangt uiteraard af van de feiten en omstandigheden van de concrete zaak. Het ehrm noemt de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot een bepaalde beslissing doorgaans expliciet.17 Wanneer zich in verschillende zaken soortgelijke feiten en omstandigheden voordoen, terwijl de beslissingen over de desbetreffende beoordelingsfactor verschillend zijn, kan door het vergelijken daarvan worden onderzocht welke verschillen in feiten en omstandigheden hebben geleid tot de verschillende oordelen. Het ehrm maakt soms zelf vergelijkingen met andere uitspraken en geeft daarbij aan waarin de te beoordelen zaak overeenkomt of juist afwijkt van die andere uitspraken.18 Dat geeft inzicht in de waarde die het ehrm toekent aan individuele feiten en omstandigheden. Dat inzicht biedt het ehrm in sommige zaken ook door uit te leggen wat het heeft bedoeld met een eerdere uitspraak.19 Dat doet wat merkwaardig aan, omdat de desbetreffende uitspraak niet is gedaan door de rechters die de uitleg geven en andere rechters dus uitleggen wat de rechters die de uitspraak hebben gedaan, hebben bedoeld. De uitleg is ook niet altijd correct of overtuigend.20 Het ehrm geeft een enkele keer overigens expliciet aan welk aspect het van doorslaggevende betekenis heeft geacht voor de beoordeling van een bepaalde beoordelingsfactor.21
Inconsistenties
Het ehrm heeft ongetwijfeld als uitgangspunt dat het consistent is bij de beoordeling van verschillende klachten die betrekking hebben op dezelfde aspecten. Wanneer het ehrm gelijksoortige zaken op verschillende manieren heeft beoordeeld, heb ik dan ook zo veel mogelijk gezocht naar verklaringen voor de verschillen. Aangezien zaken nooit exact hetzelfde zijn, is het immers goed denkbaar dat bepaalde verschillen in de feiten en omstandigheden de redenen waren voor de verschillen in beoordeling. Verschillen in beoordeling kunnen ook te maken hebben met ontwikkelingen in de ehrm-jurisprudentie. Wanneer de verschillen niet kunnen worden verklaard, is het ehrm mogelijk niet consistent geweest. Ik heb die conclusie zo nu en dan getrokken.22 Een aantal malen leek een bepaalde sectie van het ehrm een andere koers te varen dan de andere secties.23 In dat geval is die sectie zelf wellicht consistent in haar beoordeling, maar tussen de secties onderling bestaat dan geen consistentie.
Inconsistentie kan ook worden vastgesteld ten aanzien van de door het ehrm gehanteerde terminologie. Hoewel in de algemene overwegingen vaak letterlijk dezelfde formuleringen voorkomen, komen ook dikwijls afwijkende formuleringen voor, zonder dat daaraan een inhoudelijke reden ten grondslag ligt. Dat is op zichzelf niet problematisch – soms geeft een afwijkende formulering juist meer inzicht in de betekenis van een regel of uitgangspunt –maar kan dat wel zijn wanneer die regel of dat uitgangspunt inhoudelijk niet in overeenstemming is met andere formuleringen.24 Ook bij de toepassing van de algemene overwegingen op de feiten en omstandigheden van de zaak hanteert het ehrm verschillende formuleringen. In hoofdstuk 6 zal ik betogen dat het ehrm veel verschillende termen gebruikt om aan te duiden of een getuigenverklaring van beslissende betekenis is. Soms gebruikt het zelfs dezelfde term in het ene geval om aan te geven dat de verklaring van beslissende betekenis is en in het andere geval om aan te geven dat de verklaring juist niet beslissend is.25 Ook is de gehanteerde terminologie soms niet voldoende duidelijk. Zo stelt het ehrm regelmatig vast dat een veroordeling ‘not solely’ is gebaseerd op de betwiste getuigenverklaring. Daarmee wordt meestal echter bedoeld dat de veroordeling niet uitsluitend of in beslissende mate op die getuigenverklaring is gegrond.26
Inconsistentie kan het gevolg zijn van het feit het dat het ehrm uitspraken doet in verschillende talen: in het Engels of in het Frans en soms in beide talen. Er bestaan twee authentieke versies van het evrm: een Engelstalige en een Franstalige. Deze komen niet op alle punten volledig overeen. Het ehrm beoogt echter één uniforme interpretatie te geven van de desbetreffende bepaling, ongeacht of deze in het Engels of in het Frans is geschreven. Over het algemeen slaagt het daarin ook prima. Het is echter voorgekomen dat ten aanzien van een bepaald aspect een algemene overweging uitsluitend in Franstalige arresten voorkwam, terwijl in Engelstalige arresten overwegingen met een andere betekenis voorkwamen, die betrekking hadden op dezelfde materie.27 Het is dan onmogelijk om vast te stellen wat het geldende recht op het desbetreffende punt is.