Einde inhoudsopgave
Voorlichting door de Belastingdienst in rechtsstatelijke context (FM nr. 177) 2022/4.3.3.1
4.3.3.1 Toetsing van het niet-kenbaarheidsvereiste
Mr. dr. T.A. Cramwinckel, datum 29-07-2022
- Datum
29-07-2022
- Auteur
Mr. dr. T.A. Cramwinckel
- JCDI
JCDI:ADS661251:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht / Algemene rechtsbeginselen en abbb
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Belastingrecht algemeen / Organisatie Belastingdienst
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad had het niet-kenbaarheidsvereiste voor inlichtingen resp. algemene voorlichting aanvankelijk iets anders geformuleerd, vgl. de formulering in BNB 1979/311: ‘dat die inlichtingen niet zo duidelijk in strijd zijn met een juiste wetstoepassing dat de betrokken belastingplichtige redelijkerwijs hun onjuistheid had kunnen en moeten beseffen’; resp. BNB 1988/148: ‘de onjuistheid niet had behoeven te beseffen’. Mogelijk houdt de formulering in BNB 1979/311 verband met die voor toezeggingen in hetzelfde arrest. Mijns inziens is – voor zover er al (al dan niet bedoeld) betekenisverschil was – dit niet betekenisvol en is het weggenomen met de latere arresten BNB 1990/148 (formulering uit BNB 1988/148), BNB 2000/330 (formulering uit BNB 1990/148); BNB 2010/314 (formuleringen uit BNB 1979/311 én BNB 1988/148), BNB 2021/76 (formulering uit BNB 2000/330) en BNB 2022/10 (formulering uit BNB 1979/311). In de literatuur wordt aan de diverse verwoordingen geen relevant onderscheid toegekend.
Zie ‘redelijkerwijs’ in de formulering in BNB 1979/311 en recenter BNB 2022/10, r.o. 4.2.1. NDFR deel Formeel belastingrecht, Vertrouwensbeginsel, par. 3.1.2.2; Happé 1996, p. 166-167. Volgens Van Nispen tot Sevenaer in FED 1990/231, par. 5 moet de inhoud van voorlichting conform een objectieve (en niet subjectieve) wijze van interpretatie worden uitgelegd.
Vgl. HR 22 juli 1985, nr. 23187, BNB 1985/252 (over inlichtingen van de inspecteur). Zie Lalji in Overdijk 1993, p. 61 waarin hij ingaat op een redelijke bewijslastverdeling in dit kader.
Volgens Happé 1996, p. 167 vaart de Hoge Raad ‘een voorzichtige koers’ bij dit criterium. De terughoudendheid ziet mijns inziens overigens niet zozeer erop dat aan dit criterium niet snel wordt voldaan of dat het vaak faalt, maar veeleer erop dat dit criterium in de rechtspraak niet wordt getoetst wanneer het beroep op het vertrouwensbeginsel reeds op het tweede criterium (dispositievereiste) strandt.
Zie BNB 2022/10, r.o. 4.2.4-4.2.5 en r.o. 5.5 en 5.7-5.9 van de hofuitspraak; Hof 's-Hertogenbosch 14 oktober 2021, nr. 20/00591, V-N 2022/2.22.8, r.o. 4.7; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 november 2019, BRE - 17_7318, V-N 2020/15.17; Rechtbank Noord-Nederland 18 oktober 2016, nrs. LEE 15/2531 en LEE 15/3369, V-N 2017/2.16.14, r.o. 4.6; Rechtbank Gelderland 7 september 2016, nr. AWB 16/1247, V-N 2016/57.18.6, r.o. 13. Aan het niet-kenbaarheidsvereiste is niet voldaan in bijv. Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2020, nrs. 18/0121 t/m 18/01023, V-N 2020/27.35.44.
Overigens behandelt de Hoge Raad deze voorwaarde in BNB 2010/314, r.o. 3.5.1-3.5.4 in de context van het zorgvuldigheidsbeginsel.
BNB 2010/314, r.o. 3.5.2-3-3.5.4 (in het kader van het zorgvuldigheidsbeginsel).
Vgl. Happé 1996, p. 167 en 192; Gorissen 2008, p. 82, NDFR deel Formeel belastingrecht, Vertrouwensbeginsel, par. 3.1.2.2.
Happé 1996, p. 167 en 174-176; Poelmann, in: Cursus Belastingrecht FBR.4.3.3.B (actueel t/m 12 december 2021); In voorkomende gevallen acht de belastingrechter bij het slagen van dit criterium relevant dat sprake is van niet-deskundigheid (belastingplichtige als ‘leek op fiscaal gebied’ of niet ‘fiscaal onderlegd’, zie Hof 's-Hertogenbosch 14 oktober 2021, nr. 20/00591, V-N 2022/2.22.8, r.o. 4.7; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 november 2019, nr. BRE - 17 _ 7318, V-N 2020/15.17; Hof Den Haag 5 maart 2019, nr. BK-18_00649, V-N 2019/27.16, r.o. 6; Hof ’s-Hertogenbosch 19 februari 2021, nr. 20/00168, V-N 2021/17.24.17, r.o. 4.10; Hof ’s-Hertogenbosch 13 februari 2020, nr. 19/00393, V-N 2020/28.17, r.o. 4.5; Rechtbank Haarlem 20 september 2005, nr. 05/757, V-N 2005/55.2, r.o. 4.5; Rechtbank Noord-Nederland 18 oktober 2016, nr. LEE 15/2531 en LEE 15/3369, V-N 2017/2.16.14, r.o. 4.8; Hof Amsterdam 1 december 2021, nr. BKDH-21/00970 en BKDH-21/00971, V-N Vandaag 2021/3239, r.o. 5.3.5 (burger is niet fiscaal deskundig en onvoldoende zelfredzaam). Soms acht de belastingrechter een gebrek aan deskundigheid niet relevant (bijv. Rechtbank Zeeland-West-Brabant 27 december 2018, nr. 17/1660). Anderzijds weegt de aanwezigheid van deskundigheid soms ook mee bij het falen van dit criterium (bijv. in Rechtbank Arnhem 26 september 2008, nr. AWB 08/565, NTFR 2009/187, r.o. 4.2.3). Overigens maakt professionele hoedanigheid onjuistheden niet steeds kenbaar (bijv. Rechtbank Gelderland 11 april 2019, nr. AWB 18_6250, V-N 2019/38.15 (OB-ondernemer hoefde onjuistheid in de rekenmodule op de website van de Belastingdienst over MRB niet te onderkennen); Hof ’s-Hertogenbosch 13 december 2018, nr. 18/00110, V-N 2019/21.16.17 (ervaren autohandelaar hoeft nog niet op de hoogte te zijn van alle ‘ins en outs’ op het gebied van taxatie en BPM).
Zie bijv. in Hof Den Haag 24 mei 2017, nr. BK-16/00303, V-N 2017/39.20, NTFR 2017/1455, r.o. 7.2.4 en 7.4 (vgl. r.o. 13 rechtbankuitspraak); A-G IJzerman bij BNB 2010/314, punt 4.15 acht een formulier van de Belastingdienst niet kenbaar-onjuist (‘Daarbij dient in aanmerking te worden genomen dat niet is gebleken dat belanghebbende of haar echtgenoot een fiscaal deskundige zou zijn, van wie mag worden verwacht dat die in casu de Wet IB 2001 zou hebben geraadpleegd en artikel 8.9, lid 2 daarvan correct zou hebben geïnterpreteerd.’) Bijv. Rechtbank Arnhem 26 september 2008, nr. AWB 08/565, NTFR 2009/187, r.o. 4.2.3.
De kennis van een ingeschakelde adviseur wordt toegerekend aan de belastingplichtige in bijv. HR 7 december 1994, nr. 29918, BNB 1995/36; Hof Arnhem 24 april 2012, nr. 10/00328, NTFR 2012/1580. Zie ook r.o. 5.7-5.9 van de hofuitspraak in BNB 2022/10 (contact met niet-fiscaal onderlegde tussenpersoon was niet relevant).
Vgl. Happé 1996, p. 167. In HR 29 juni 1994, nr. 29913, BNB 1994/265 besliste de Hoge Raad ten aanzien van een brochure dat het voorlichtingskarakter voorop stond en dat de belastingplichtige in dat geval niet mocht rekenen op een ‘mededeling’ over een concrete wetstoepassing. Zie r.o. 4.9.4 van de hofuitspraak in BNB 2008/200; Rechtbank Zeeland-West-Brabant 29 november 2019, nr. BRE - 17 _ 7318, V-N 2020/15.17, r.o. 2.10. Volgens Gorissen 2008, p. 81 kan van gerechtvaardigd vertrouwen geen sprake zijn indien het voorlichtingskarakter bij een belastingplichtige bekend is. Een dergelijk strikte opvatting vindt mijns inziens geen steun in de rechtspraak.
Zie BNB 2022/10, r.o. 4.2.4. Langereis 1986, p. 309 meent dat een hoge mate van detaillering de informatie meer gewicht geeft. Zie ook Gorissen 2008, p. 83. Vgl. Raad van State 1 maart 2006, nr. 200504310/1, AB 2006/188, waarin een voorlichtingsfolder vanwege zijn zeer specifieke en gedetailleerde informatie ‘een hoge graad van volledigheid’ suggereerde en belanghebbende mocht uitgaan van de juistheid van die gegevens.
Bijv. BNB 2008/200, r.o. 4.9.4 van de hofuitspraak. Zie ook redactie V-N die opmerkt bij Hof ’s-Gravenhage 4 maart 1991, nr. 2320/90, V-N 1991, p. 2180; kritisch daarop is Lalji 1992, par. 4.
Happé 1996, p. 167; NDFR deel Formeel belastingrecht, Vertrouwensbeginsel, par. 3.1.2.2; Rechtbank Breda 18 januari 2007, nr. AWB 06/02437, NTFR 2017/642, r.o. 4.2 waarin de rechtbank van belang acht dat de regelingen rond de BPM niet eenvoudig zijn en dat dan het risico dat bij de uitvoering van die regelingen wordt gelopen voor rekening van de Belastingdienst dient te blijven. Zie ook Rechtbank Arnhem 22 november 2006, nr. AWB 06/2881, V-N 2007/20.3.4, r.o. 4; Hof ‘s-Hertogenbosch 30 mei 2008, nr. 06/00117, r.o. 4.5.
Vgl. Hof Amsterdam 23 mei 2019, nr. 18/00382, V-N 2019/37.30.5, r.o. 5.2 waarin het Hof oordeelt dat de echtgenoten er niet op mogen rekenen dat zij over hun vermogen van ruim vijf ton geen inkomstenbelasting zijn verschuldigd – ook al hebben zij de aanwijzingen van het aangifteprogramma juist opgevolgd, aangezien het een feit van algemene bekendheid is dat bij een aanzienlijk spaarsaldo belasting wordt geheven. Zie ook Hof Arnhem-Leeuwarden 31 maart 2020, nr. 18/01021 t/m 18/01023, V-N 2020/27.35.44, r.o. 4.4-4.5.
Happé 1996, p. 192.
Vgl. Lalji 1992, par. 4.
Hoe beoordeelt de belastingrechter of wordt voldaan aan het niet-kenbaarheidsvereiste? Ik merk op dat in de voorlichtingsjurisprudentie diverse formuleringen voorkomen, maar daarmee niet iets anders bedoeld lijkt te zijn dan dat het erom gaat dat de belastingplichtige redelijkerwijs de onjuistheid van de uiting niet besefte of had hoeven te beseffen.1
De formulering van de Hoge Raad van het criterium geeft aan dat de kenbaarheid van de onjuistheid geobjectiveerd moet worden beoordeeld.2 Het gaat er niet om of de belastingplichtige de onjuistheid (subjectief) onderkende, maar of hij dit had moeten beseffen (objectief). De maatstaf daarbij is wat een ‘redelijk oordelende belastingplichtige’ had mogen begrijpen.3
De belastingrechter lijkt relatief terughoudend4 in het oordeel dat aan het niet-kenbaarheidsvereiste is voldaan, al laat recentere rechtspraak gevallen zien waarin aan dit criterium is voldaan.5 Een mooi voorbeeld biedt het arrest in BNB 2010/314.6 In dit arrest oordeelde de Hoge Raad dat de uitkomst na invulling van het aanvraagformulier verzoek voorlopige teruggaaf algemene heffingskorting niet zo duidelijk in strijd was met een juiste wetstoepassing, dat belanghebbende de onjuistheid daarvan had kunnen en moeten beseffen. In de toelichting was namelijk niet vermeld dat het moet gaan om Nederlandse belasting, de toelichting maakt evenmin melding van mogelijke uitzonderingen en het was op zodanige wijze ingericht, dat belastingplichtige niet behoefde te beseffen dat een juiste beantwoording van de vragen in haar geval zou leiden tot een onjuiste conclusie.7
De Hoge Raad heeft geen nadere regels gegeven voor de invulling van het criterium. Uit de rechtspraak volgt dat de vraag of de burger de onjuistheid had moeten beseffen veelal afhankelijk is van de omstandigheden van het geval.8 In de rechtspraak en literatuur komen verschillende factoren aan de orde. Ik rubriceer deze als volgt:
Persoon: het kan gaan om factoren die betrekking hebben op degene bij wie het vertrouwen is gewekt, met name zijn (geobjectiveerde) deskundigheid (is sprake van een fiscale ‘leek’?)9 en zijn kennis van de wet (had hij kennis moeten hebben of onderzoek moeten instellen naar de onderliggende regeling?10) en de eventuele betrokkenheid van een deskundige adviseur.11
Uiting: andere factoren hebben betrekking op de uiting, zoals de aard of het ‘voorlichtingskarakter’ van informatie (was voor de burger helder dat het ‘slechts’ ging om voorlichting?).12 Daarbij speelt de mate van detail en (suggestie van) volledigheid van de informatie een rol.13 Relevant kan ook zijn het medium waarlangs de voorlichting wordt aangeboden (bijvoorbeeld een handleiding waarvan de rechter algemeen bekend acht dat daarin voorlichting is opgenomen?14).
Externe factoren: oftewel, factoren die liggen buiten de voorlichting zelf en de burger, zoals complexiteit van de (onderliggende) fiscale regeling waarop de voorlichting betrekking heeft (bij een zeer complexe regeling kunnen burgers meer aangewezen zijn op voorlichting dan bij eenvoudigere regelingen).15 Een ander voorbeeld betreft ‘feiten van algemene bekendheid’ (bijvoorbeeld bij voorlichting die botst met algemeen bekende feiten zal onjuistheid van informatie eerder onderkend moeten worden).16
Uit de rechtspraak leid ik af dat bij de genoemde factoren steeds afhankelijk is van de omstandigheden van het geval of, in welke mate en op welke wijze, zij betekenis hebben voor het onderhavige criterium. Dit maakt dat de rechtspraak een casuïstisch karakter heeft.17
Kanttekening bij dit criterium is of burgers zich het wel voldoende zullen realiseren wanneer informatie van de Belastingdienst onjuistheden bevat. Veelal zal juist een tekort aan kennis van de onderliggende wet- en regelgeving voor hen reden zijn om informatie van de Belastingdienst te raadplegen. Zo bezien, ligt niet erg voor de hand dat gemiddeld genomen de kennis aanwezig is om de juistheid van de informatie te kunnen vaststellen.18 Dit gegeven pleit er mijns inziens voor om niet te snel aan te nemen dat een onjuistheid kenbaar is. Daarbij speelt ook mee dat mag worden aangenomen dat als de Belastingdienst bij het opstellen van de informatie de tekortkoming niet zelf reeds heeft gezien en aangepast, onjuistheden in het algemeen bij niet-fiscaal onderlegde burgers evenmin snel in het oog zullen springen.