Einde inhoudsopgave
Aandeelhoudersverantwoordelijkheid (VDHI nr. 129) 2015/7.4.3
7.4.3 Reële executie
Mr. B. Kemp, datum 21-07-2015
- Datum
21-07-2015
- Auteur
Mr. B. Kemp
- JCDI
JCDI:ADS297713:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Koelemeijer 1999, p. 107. Van Schilfgaarde wijst er in dit verband op dat het voor kan komen dat de aandeelhouder onvindbaar is (Van Schilfgaarde 1993, p. 31). Zie kritisch over dit argument: Van den Ingh 2000, p. 211. Bovendien zijn aandeelhouders in beginsel afhankelijk van het bestuur en de raad van commissarissen voor het oproepen van de vergadering, tenzij de aandeelhouders een machtiging tot het bijeenroepen van een algemene vergadering van aandeelhouders bij de voorzieningenrechter krijgen (artikel 2:110/220 BW) of de statuten in die mogelijkheid voorzien (artikel 2:107/217 BW).
Evenzo: Van den Ingh 2000, p. 212.
Reële executie kan ook worden gehanteerd in kort geding (HR 21 juni 2002, NJ 2002, 420).
Jongbloed, Art. 300, Aant. 6. Wordt het gevorderd, dan kom de rechter grote vrijheid toe bij het bepalen of en in welke vorm reële executie in het geding wenselijk is (Jongbloed 2013 (Groene Serie Vermogensrecht), Art. 300, Aant. 5).
Jongbloed 2013 (Groene Serie Vermogensrecht), Art. 300, Aant. 2 en 3.
Huydecoper 2011, p. 62-63; Jongbloed 2013 (Groene Serie Vermogensrecht), Art. 300, Aant. 8.
Huydecoper 2011, p. 76-77; Jongbloed 2013 (Groene Serie Vermogensrecht), Art. 300, Aant. 9.
Jongbloed 2013 (Groene Serie Vermogensrecht), Art. 300, Aant. 3. Daarmee bedoelt hij: ‘Anders gezegd, zelfs als de rechter toepassing geeft aan een van de in deze bepaling genoemde mogelijkheden kan degene die de rechtshandeling moet verrichten alsnog zelf handelend optreden.’ Zie over privatieve werking, maar dan niet in het kader van reële executie, eveneens: Asser/Bartels & Van Mierlo 2013, nr. 573. Hieronder zal nader worden ingegaan op de complicaties als gevolg van het ontbreken van privatieve werking.
Hoofdstuk 4, paragraaf 4.3.3.
Evenzo, maar zonder nadere onderbouwing: Van den Ingh 2000, p. 212.
Voor de besloten vennootschap is het bestaan van deze mogelijkheid het uitgangspunt (artikel 2:238 BW); bij de naamloze vennootschap moet dit in de statuten zijn bepaald (artikel 2:128 BW).
Rb. Middelburg 14 april 1998, JOR 2000, 25.
Zie over noodzaakfinanciering ook hoofdstuk 6, paragraaf 6.3.2.5.1.
Evenzo: Van den Ingh 2000, p. 212.
Evenzo: Van den Ingh 2000, p. 212.
Deze situatie zal zich vooral voordoen wanneer de rechter nog niet in de gelegenheid is de rechtshandeling volledig te bepalen. De rechter dient in zulke gevallen overigens terughoudend te zijn bij het gebruik van deze mogelijkheid (Van Zeben & Du Pon 1981, p. 899-900). Ook in andere situaties kan de vertegenwoordiger echter uitkomst bieden. Ter illustratie kan hierbij worden gewezen op de uitspraak van de rechtbank Rotterdam. Daar had de president bepaald dat het de aandeelhouder, nadat deze zich in een eerdere algemene vergadering van aandeelhouders had misdragen (‘grondslag van deze vordering is dat bij vorige vergaderingen X wanordelijkheden heeft gecreëerd, die een regelmatige voortgang van de vergadering beletten en dat hij zich ook thans weer heeft uitgelaten op een wijze, die een dreigement inhouden voor herhaling van gelijksoortige wanordelijkheden’), verboden was om in persoon aanwezig te zijn bij de volgende algemene vergadering van aandeelhouders en iemand diende te machtigen (en de gemachtigde moest voldoen aan de kwalificaties die in artikel 22 lid 3 van de statuten werden gesteld) (Rb. Rotterdam 22 december 1982, KG 1983, 24).
Van Kooten 2012 (Groene Serie Vermogensrecht), Art. 40, Aant. 7.2.
Ook Eikelboom lijkt blijkens het door hem gegeven voorbeeld tot deze conclusie te komen, al heeft hij het niet met zoveel woorden over privatieve werking (Eikelboom 2014-1, p. 251).
Rb. Roermond 17 mei 1973, NJ 1974, 57.
Van Schilfgaarde 1993, p. 31.
Kritisch over dit argument: Van den Ingh 2000, p. 211.
Zie hierover, na een vernietigd besluit, de uitspraak van het Hof Arnhem (Hof Arnhem 26 mei 1992, NJ 1993, 182 m.nt. Maeijer (Uniwest)). Deze uitspraak heeft enige stof doen opwaaien en zal in hoofdstuk 9, paragraaf 9.4., nader worden toegelicht.
Eikelboom 2014-1, p. 251-252.
In de praktijk kan zich de situatie voordoen dat de aandeelhouder niet uit zichzelf bereid is om zijn gedrag te herzien, ook niet wanneer hij daartoe door de rechter wordt veroordeeld. Gaat het om het uitoefenen van een stemrecht, dan zal een (nieuwe) algemene vergadering van aandeelhouders moeten worden bijeengeroepen om over het voorstel te stemmen. Dit proces om tot een rechtsgeldig besluit te komen, kan nogal wat problemen veroorzaken.1 De veroordeelde aandeelhouder kan bijvoorbeeld trachten de besluitvorming te bemoeilijken/frustreren. Dan kan men teruggrijpen op het enquêterecht, kort geding en/of de geschillenregeling, maar men moet niet vergeten dat er dan reeds één procedure heeft plaatsgevonden om te bewerkstelligen dat de aandeelhouder zijn gedrag wijzigt.
Onder dergelijke omstandigheden kan reële executie2 uitkomst bieden.3 Door middel van reële executie kan de rechter bewerkstelligen dat de veroordeling van (in dit geval) de aandeelhouder ook daadwerkelijk geëffectueerd wordt.4 Vereist is wel dat reële executie wordt gevorderd.5 Daarmee vormt de reële executie het sluitstuk van de verplichting tot het verrichten van een rechtshandeling.6 Reële executie kan op verschillende wijzen plaatsvinden. Allereerst is het mogelijk dat het vonnis de wilsverklaring vervangt. De uitspraak heeft dan dezelfde kracht als een in wettige vorm opgemaakte akte van degene die tot de rechtshandeling is gehouden.7 Daarnaast bestaat de mogelijkheid dat de rechter een dwangvertegenwoordiger aanwijst. In dat geval zal de rechter een vertegenwoordiger aanwijzen die de desbetreffende rechtshandelingen voor de veroordeelde zal verrichten.8 De door de rechter uitgesproken reële executie heeft geen privatieve werking, waardoor de veroordeelde nog steeds zelf handelingsbevoegd is.9
Hierboven is reeds aan de orde gekomen dat het uitoefenen van het stemrecht dient te worden beschouwd als een rechtshandeling.10 Onder omstandigheden kan de positieve norm die voortvloeit uit de redelijkheid en billijkheid tot gevolg hebben dat de aandeelhouder op een bepaalde wijze dient te handelen, hetgeen de rechter kan toetsen en bevestigen. De aandeelhouder is dan gehouden een (bepaalde) rechtshandeling te verrichten. De veroordeling van de aandeelhouder tot het verrichten van een bepaalde rechtshandeling met gebruik van reële executie lijkt derhalve mogelijk.11
Daarbij zijn twee scenario’s denkbaar. Wanneer de mogelijkheid bestaat om besluitvorming buiten de algemene vergadering van aandeelhouders plaats te laten vinden,12 kan het vonnis van de rechter in de plaats van de schriftelijke verklaring van de aandeelhouder komen. Een overeenkomstige beslissing werd genomen door de President van de Rechtbank Middelburg.13 In die zaak was sprake van een noodzaakfinancieringssituatie, waarbij één van de aandeelhouders gedwongen moest worden om in te stemmen met de noodzaakfinanciering.14 De President oordeelde dat de aandeelhouder moest meewerken aan de transactie:
‘(…)
gebiedt Sandieson binnen 48 uur na betekening van dit vonnis schriftelijk in te stemmen met een besluit buiten vergadering van de aandeelhouders in VenV (…);
bepaalt dat dit vonnis in de zin van 3:300 BW dezelfde kracht heeft als een schriftelijke en ondertekende verklaring van Sandieson tot de geboden instemming voor het geval Sandieson geen gevolg geeft aan voormeld gebod;
(…)’
Anders ligt het wanneer besluitvorming binnen de vergadering dient plaats te vinden. Laat de rechter zijn vonnis in de plaats van de stem komen, dan zal de voorzitter over een afschrift van het vonnis moeten beschikken. Beschikt hij hierover, dan zou kunnen worden aangenomen dat het vonnis als de schriftelijke verklaring van de aandeelhouder binnen de vergadering wordt beschouwd. Daaraan moet wel de voorwaarde worden verbonden dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad is verklaard of in kracht van gewijsde is gegaan.15 Verschijnt de aandeelhouder zelf niet (of verschijnt hij wel, maar stemt hij niet), dan doen zich hier geen complicaties voor.16 Hetzelfde geldt wanneer er een dwangvertegenwoordiger wordt aangewezen die voor de veroordeelde aandeelhouder zal stemmen in de algemene vergadering van aandeelhouders.17 De voorzitter zal dan in beginsel de stem van de dwangvertegenwoordiger erkennen.
Meer problematisch is de situatie waarin de aandeelhouder wel naar de algemene vergadering van aandeelhouders komt en daar ook zijn stem uitbrengt. De door een aandeelhouder onder die omstandigheden uitgebrachte stem is in beginsel geldig, omdat wordt aangenomen dat reële executie geen privatieve werking kent. Stel nu dat de aandeelhouder niet stemt overeenkomstig hetgeen hem is opgedragen door de rechter, maar op een andere wijze. Dit levert een lastige situatie op; welke stem moet de voorzitter van de algemene vergadering van aandeelhouders dan erkennen? Van den Ingh verdedigt dat de voorzitter de ‘tegenstem’ van de aandeelhouder als nietig dient te beschouwen, omdat deze in strijd is met de openbare orde. Wanneer de rechter een dwangvertegenwoordiger heeft aangewezen, kan de voorzitter vervolgens de stem die wordt uitgebracht door de dwangvertegenwoordiger erkennen als de geldige stem. Wanneer het vonnis in de plaats van de stem komt, kan de voorzitter deze schriftelijke stem erkennen als de geldige stem. Wordt dit niet aangenomen, dan kan de aandeelhouder de besluitvorming alsnog frustreren door op de vergadering te verschijnen en tegen te stemmen.
De vraag is of, zoals Van den Ingh betoogt, openbare orde de bepaling is die de voorzitter van de algemene vergadering van aandeelhouders ervan dient te weerhouden de stem van de aandeelhouder te erkennen. Openbare orde is het geheel van normen en beginselen waarvan de inachtneming noodzakelijk is voor de instandhouding en het functioneren van de Nederlandse samenleving.18 Hoewel dit een goed te verdedigen visie is, lijkt het mij meer voor de hand te liggen dat reële executie slechts geen privatieve werking heeft, als de aandeelhouder de rechtshandeling uitvoert overeenkomstig hetgeen in het vonnis is bepaald. Handelt de aandeelhouder in strijd met dit vonnis, dan heeft de reële executie wel privatieve werking en is de aandeelhouder niet bevoegd tot het uitbrengen van een (rechtsgeldige) stem.19
Een andere mogelijkheid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van reële executie, is om, zoals de Rechtbank Roermond had bepaald,20 bij gebreke van het stemmen overeenkomstig hetgeen de rechter heeft bepaald, te bepalen dat de aandeelhouder moet worden geacht zich van stemming te hebben onthouden. Dan wordt een gebod met een verbod gecombineerd.
Hoewel reële executie derhalve een bruikbaar (rechts)instrument lijkt, wordt er door Van Schilfgaarde op gewezen dat het hanteren van reële executie om een besluit tot stand te laten komen met veel problemen gepaard kan gaan.21 Zo bestaat het risico dat de aandeelhouders niet gevonden kunnen worden,22 dat de aandelen zijn overgedragen, dat het stemrecht wordt overgedragen op grond van vruchtgebruik of pandrecht, dat er ondertussen certificaten van de aandelen zijn uitgegeven, dat het bijeenroepen van de algemene vergadering wordt getraineerd, etc. Doen dergelijke risico’s zich voor, dan ligt het voor de hand de rechter te verzoeken dat de reële executie geen betrekking heeft op het (stem)gedrag van de aandeelhouder, maar op het door de algemene vergadering van aandeelhouders te nemen besluit.23 Daarmee zouden de bovenstaande problemen grotendeels kunnen worden omzeild.
Daarnaast kunnen ook procesrechtelijke problemen ontstaan. Eikelboom wijst in dit verband op het probleem van appèl.24 Als de aandeelhouder in appèl komt tegen de uitspraak van de rechter en het vonnis wordt vernietigd, is de stem die op grond van reële executie is uitgebracht ongeldig. Was de aandeelhouder zelf ter vergadering aanwezig en stemde hij in strijd met het vonnis, welke stem de voorzitter niet overnam omdat hij op de hoogte was van het vonnis, dan is deze stem als gevolg van de vernietiging van het vonnis wel geldig en is dus een ander besluit tot stand gekomen. Ook hier ligt derhalve nog een aandachtspunt, welk aandachtspunt binnen het bestek van dit onderzoek niet nader aan de orde komt.